Alleen op de wereld/Hoofdstuk XIX

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk XIX) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie


LISE[bewerken]

AodW19a.jpg

Toen ik wakker werd lag ik in een bed; een heerlijk knappend vuur brandde in de kamer, waarin ik te slapen lag.

Ik kende die kamer niet.

Evenmin kende ik de personen, die mij omringden: een man in een grijze jas en op gele klompen; drie of vier kinderen, waaronder een meisje van vijf of zes jaar was, dat mij met de grootste verbazing stond aan te staren; het waren zonderlinge sprekende ogen.

Ik kwam overeind.

Zij verdrongen zich om mij heen.

--Vitalis? vroeg ik.

--Hij vraagt naar zijn vader, zei een meisje, dat de oudste van de kinderen scheen te zijn.

--Hij is mijn vader niet, hij is mijn meester; waar is hij? Waar is Capi?

Als Vitalis mijn vader was geweest, hadden ze ongetwijfeld voorzichtig verteld wat er gebeurd was, maar nu hij slechts mijn meester bleek te zijn, vonden zij dat ik gerust de waarheid vernemen mocht en men vertelde mij toen het volgende:

De deur die in de heining was, waartegen wij waren gaan liggen, behoorde aan een tuinman. Tegen twee uur in den morgen had de tuinman deze deur geopend om naar de markt te gaan, en hij had ons toen onder het stro gevonden. Hij zei ons dat wij moesten opstaan, om de wagen voorbij te laten gaan; maar toen wij ons geen van beiden verroerden en Capi slechts tot onze verdediging kon blaffen, had men ons bij de arm genomen en ons eens terdege geschud. Toen zelfs bewogen wij ons nog niet. Men had daarop gemeend, dat het wel een zeer ernstig geval kon zijn. Er was een lantaarn gehaald; de uitslag van dit onderzoek was geweest, dat Vitalis dood en van koude gestorven was, en dat ik er niet veel beter aan toe was. Dank zij echter Capi, die op mijn borst gelegen had, kon ik nog ademhalen. Men had mij toen in de tuinmanswoning gebracht en in het bed van een van de kinderen gelegd. Zes uur lang was ik meer dood dan levend geweest; gelukkig had mijn bloedsomloop zich hersteld, was de ademhaling langzamerhand weer op haar kracht gekomen en ontwaakte ik uit mijn bezwijming.

Mijn lichaam en geest waren nog verdoofd en verlamd, maar ik was toch al wakker genoeg om de woorden, die ik vernam, in hun gehele omvang te begrijpen. Vitalis was dood!

De man met de grijze jas, of liever de tuinman, vertelde mij dit verhaal; terwijl hij sprak had het kleine meisje, met haar verbaasde ogen, haar blik niet van mij afgewend. Toen haar vader vertelde, dat Vitalis dood was, besefte zij zeker, als bij ingeving, wat een zware slag deze tijding voor mij moest zijn, want zij trad naar haar vader toe, legde haar handje op zijn arm en uitte daarbij een zonderlingen klank, die niets van een menselijke stem had, maar veel op een stille, medelijdende zucht geleek.

Bovendien was die beweging zo welsprekend, dat zij er geen woord hoefde bij te voegen; in haar blik en haar hele houding raadde ik onwillekeurig een gevoel van sympathie en voor de eerste maal, sedert ik van Arthur gescheiden was, maakte zich een onbeschrijflijk gevoel van mij meester, dat mij vertrouwen en genegenheid inboezemde, evenals in die goede tijd, toen moeder Barberin mij zo liefderijk aanstaarde, vóór zij mij een kus gaf. Vitalis was dood, ik stond dus heel verlaten op de wereld en toch scheen het mij toe alsof ik niet geheel alleen was en hij nog naast mij stond.

--Ja, lieve Lise, sprak haar vader, terwijl hij zich over zijn dochter heen boog; je hebt gelijk, het doet hem verdriet, maar ik moet hem toch de waarheid vertellen, want als wij het niet deden, dan doet de politie het toch.

Hij ging toen voort mij mee te delen, dat hij de politie gewaarschuwd had en deze Vitalis had medegenomen, terwijl men mij in het bed van Alexis, de oudste zoon, gelegd had.

--En Capi? vroeg ik, toen hij zweeg.

--Capi!

--Ja, de hond?

--Ik weet het niet, hij is plotseling verdwenen.

--Hij is de baar gevolgd, zei een van de kinderen.

--Hebt jij hem gezien, Benjamin?

--Ik geloof het wel, hij volgde de dragers met hangende kop en van tijd tot tijd zelfs sprong hij op de baar, en toen zij hem begroeven, liet hij een klagend geluid horen alsof hij zacht huilde.

Arme Capi! hij, die zo vaak als een goede acteur de begrafenis van Zerbino gevolgd was en dan altijd zulk een treurige houding wist aan te nemen en daarbij zo steunde en jammerde, dat soms de kleinen aan zijn verdriet geloofden....

De tuinman en zijn kinderen lieten mij toen alleen en zonder zelf goed te weten wat ik deed of wat ik wilde doen, stond ik op.

Mijn harp lag aan het voeteinde van mijn bed; ik hing het koord om mijn hals, en ging naar de kamer, waar de tuinman en zijn kinderen zaten. Ik moest wel vertrekken, maar waarheen, dat wist ik niet.... ik had er zelfs niet het minste begrip van, maar ik voelde dat ik vertrekken moest.... en ik vertrok.

Toen ik in het zachte bed ontwaakte, gevoelde ik mij niet ziek, een beetje stijf en mijn hoofd brandde mij als vuur; maar toen ik eenmaal op was, dacht ik, dat ik zou neerstorten en ik moest mij aan een stoel vastgrijpen. Toch, na een ogenblik gerust te hebben, opende ik de deur en toen was ik weer bij de tuinman en de kinderen.

Zij zaten aan een tafel, bij een helder vuur, dat in een hoge schoorsteen brandde, en ze waren bezig een lekkere warme soep te eten.

De reuk van de soep wekte weer mijn honger op; ik voelde dat ik in onmacht raakte en wankelde. Mijn machteloosheid lag op mijn gelaat te lezen.

Ben je niet wel, mijn jongen? vroeg de tuinman mij op deelnemende toon.

Ik antwoordde, dat ik mij niet goed voelde en, als men het mij toestond, ik graag even bij het vuur ging zitten.

Maar aan warmte voelde ik thans geen behoefte, meer aan voedsel; het vuur bracht mij niet bij en de damp, die uit de soepketel steeg, het rinkelen van de borden, het klokken van de tong van hen, die aten, dat alles deed mijn zwakte nog toenemen.

Als ik gedurfd had, zou ik om een bord soep gevraagd hebben, maar Vitalis had mij niet geleerd te bedelen en ook had de natuur mij niet tot een bedelaar geschapen; liever zou ik van honger omgekomen zijn dan mijn honger bekend te hebben. Waarom, dat weet ik zelf niet; misschien omdat ik nooit om iets heb willen vragen, wat ik niet terug heb kunnen geven.

Het meisje met haar verwonderde ogen, dat geen woord sprak en door haar vader Lise genoemd werd, had haar lepel neergelegd en staarde mij onafgebroken aan. Ineens stond zij van tafel op, nam haar bord, dat nog vol soep was en bracht dat aan mij.

Ik deed een poging om haar ervoor te bedanken, daar ik zelf de kracht tot spreken miste; maar hiertoe liet haar vader mij zelfs de tijd niet.

--Neem het gerust aan, mijn jongen; wat Lise geeft is goed gegeven en als je trek hebt, is er nog wel meer te krijgen.

Of ik trek had! Het bord soep was in een oogwenk leeg. Toen ik mijn lepel neerlegde, uitte Lise, die voor mij was blijven staan, een onverstaanbare kreet, hetgeen thans geen zucht maar een uitroep van tevredenheid beduidde. Zij nam toen het bord en gaf het aan haar vader om het nog eens te vullen; toen het gevuld was, bracht zij het mij weer, met een glimlach zo zacht en bemoedigend, dat ik ondanks mijn honger, een ogenblik dien honger vergat en het bord niet aannam.

Evenals de eerste maal, was de soep in een oogwenk verdwenen; geen glimlach speelde er meer om de lippen van de kinderen, die mij omringden; allen lachten luidkeels.

--Wel, vriendje, sprak de tuinman, je bent een goede eter.

Ik kleurde tot achter de oren; maar ik begreep terstond, dat ik beter deed, hem de waarheid te zeggen, dan mij van gulzigheid te laten beschuldigen, en ik gaf hem daarop ten antwoord, dat ik sedert de vorige dag niets gegeten had.

--En ontbeten?

--Ook niet ontbeten.

--En je meester?

--Hij had niet meer gegeten dan ik.

--Dus is hij eigenlijk van honger en kou omgekomen.

De soep had mij weer kracht gegeven, ik stond op om te vertrekken.

--Waar wil je heen? vroeg de vader.

--Vertrekken.

--Waarheen?

--Dat weet ik niet.

--Heb je vrienden in Parijs?

--Nee.

--Geen mensen, die uit dezelfde streek komen als jij?

--Niemand.

--Waar woon je?

--Wij hadden geen onderdak; wij zijn pas gisteren hier gekomen.

--Wat wil je dan gaan doen?

--Op de harp spelen, liedjes zingen om daarmede mijn kost te verdienen.

--Waar?

--In Parijs.

--Je kunt beter naar je land, naar je ouders teruggaan. Waar wonden je ouders?

--Ik heb geen ouders.

--Je zei dat de man met de witte baard niet je vader was.

--Ik heb geen vader.

--En je moeder?

--Ik heb geen moeder.

--Je hebt toch stellig wel een oom of tante, een nicht of neef?

--Neen, niemand.

--Waar kom je vandaan?

--Mijn meester heeft mij gekocht van de man van mijn pleegmoeder... U hebt mij erg goed behandeld en ik ben u daarvoor hartelijk dankbaar; als u wilt, zal ik zondag terugkomen en voor u op de harp spelen, als u dat genoegen kan doen.

Al pratende, was ik de deur genaderd; maar ik had nog maar een paar stappen gedaan of Lise, die mij gevolgd was, greep mij bij de hand en wees lachend op mijn harp.

De bedoeling was duidelijk.

--Wilt gij, dat ik voor u speel?

Zij knikte toestemmend en klapte in de handen.

--Kom, ja, zei de vader, speel een deuntje.

Ik nam mijn harp en hoewel ik niet de minste lust voelde om te dansen of vrolijk te zijn, begon ik een wals te spelen, die ik het best kende en goed in de vingers had. O, wat wenste ik toen te kunnen spelen als Vitalis, om het jonge meisje genoegen te geven, wier ogen mij tot diep in de ziel roerden!

Eerst luisterde zij, terwijl zij mij bleef aanstaren, maar daarop begon zij de maat met haar voetjes te trappelen; spoedig echter, alsof zij door de muziek werd meegesleept, begon zij in de keuken te dansen, terwijl haar twee broers en haar zus rustig bleven zitten; zij walste echter niet, maakte ook niet de gewone passen, maar draaide en wendde zich geheel verrukt in de meest bevallige en sierlijke houdingen.

Haar vader, die bij de schoorsteen zat, verloor haar geen ogenblik uit het oog; hij scheen getroffen en klapte telkens in de handen. Toen de wals geëindigd was, hield ik op met spelen. Zij ging toen voor mij staan en maakte een diepe buiging. Zij klopte vervolgens met haar vinger op mijn harp, hetgeen wilde zeggen: "speel het nogmaals."

Ik zou de hele dag wel voor haar hebben willen spelen, maar haar vader zei, dat het lang genoeg geduurd had, daar hij vreesde, dat zij te vermoeid zou worden.

In plaats van een wals of een dans te spelen, zong ik een Napolitaans lied, dat Vitalis mij geleerd had.

Fenesta vascia e patrona crudele
Quanta sospire m'aje fatto jettare.
M'arde stocore comm'a na cannela
Bella quanno te sento anno menarre.

Dit lied was voor mij geweest wat “De ruiters van mijn vaderland” van Robert le Diable voor Nourrit was, en wat “Volg mij” van Wilhelm Tell voor Duprez was, dat wil zeggen mijn meesterstuk, waarin ik het meeste effect kon leggen. De melodie is zoet en melancholiek, met wat hartroerende tederheid

Bij de eerste maten ging Lise tegenover mij staan en terwijl zij mij strak aanzag, bewoog zij haar lippen, alsof zij mijn woorden herhaalde; toen mijn lied droever werd, ging zij enige passen achteruit en bij het laatste couplet viel zij snikkend op de knieën van haar vader.

--Genoeg, zei deze.

--Hoe dwaas! Zei een van haar broers, die Benjamin heette, om eerst te dansen en dan te huilen.

--Niet zo dwaas als jij! Zij begrijpt het, sprak haar oudere zuster, terwijl zij zich over haar heen boog om haar te kussen.

Terwijl Lise op de knieën van haar vader sprong, hing ik de harp om mijn schouder en liep ik naar de deur.

--Waar ga je heen? vroeg hij weer.

--Ik ga weg.

--Je houdt je dus bij het vak van muzikant?

--Ik kan niets anders.

--Ben je niet bang voor lange wegen?

--Ik heb geen thuis.

--Toch zullen de nacht en de angsten, die je doorstaan hebt, je wel tot nadenken gebracht hebben.

--Zeker, en ik houd ook meer van een goed bed en een knappend vuur.

--Wil je dat, dat bed en dat vuur, tenminste als je ervoor werken wilt, wel te verstaan? Als je wilt, kun je hier werk vinden en bij ons blijven. Je begrijpt, dat ik je geen schatten kan aanbieden, maar evenmin dat ik luiheid zou dulden. Wanneer je het aanneemt, dan zul je hard moten werken, ‘s morgens vroeg opstaan, overdag hard werken, om je geld te verdienen. Maar je kunt op een stuk brood rekenen; 's nachts zul je niet meer onder den blote hemel hoeven te slapen, en geen gevaar lopen in een sloot of greppel om te komen; 's avonds zult je je bed gespreid vinden, en wanneer je de soep eet, dan zul je de voldoening genieten, dat je die zelf verdiend hebt, en ik verzeker je dat de soep daardoor extra lekker is. En als je een brave jongen bent -- wat ik wel geloof -- dan zul je bij onze familie horen.

Lise had zich omgedraaid en door haar tranen heen, keek zij mij lachend aan.

Door dit voorstel verrast, bleef ik een ogenblik besluiteloos staan, zonder mezelf rekenschap te geven van wat ik hoorde.

Lise kwam van de knieën van haar vader af en liep naar mij toe. Ze nam mij bij de hand, trok zij mij voort naar een gekleurde plaat, die tegen de muur hing: zij stelde de heilige Johannes voor in een schapenvacht.

Zij wenkte haar vader en broers om naar de plaat te kijken en tegelijkertijd strekte zij de hand naar mij uit, streek over mijn schapenvacht en wees naar mijn haren, die, evenals die van Johannes, in het midden gescheiden waren en golvend over mijn schouders hingen.

Ik begreep, dat zij een gelijkenis tussen Johannes en mij vond en zonder te weten waarom, deed mij dit toch genoegen en trof het mij.

--Het is waar, sprak haar vader; hij lijkt op den heiligen Johannes.

Lise klapte lachend in de handen.

--Welnu, hernam haar vader, op zijn voorstel terugkomende; wat je vind je ervan, mijn jongen?

Een familie!

Ik zou dus een familie hebben! O, hoe vaak bleek deze geliefkoosde droom ijdel geweest te zijn: moeder Barberin, mevrouw Milligan, Vitalis, de een na de ander waren mij ontvallen.

Ik zou niet langer alleen zijn.

Mijn toestand was vreselijk: ik had een man zien sterven, met wie ik jaren achtereen geleefd had en die voor mij altijd een vader was geweest. Op hetzelfde ogenblik had ik een metgezel verloren, een makker, een vriend, mijn goede, beste Capi, van wie ik zoveel hield en die ook een grote gehechtheid voor mij had opgevat en toch, toen de tuinman mij voorstelde om bij hem te blijven, begon ik weer enig vertrouwen in mijn toekomst te stellen.

Alles was dus nog niet voor mij verloren: het leven kon dus weer voor mij beginnen.

En wat mij nog het meest aantrok, meer nog dan het brood, dat ik verdienen zou, was die kring, dat huiselijk leven, dat men mij beloofde.

Die jongens zouden mijn broers zijn.

Die leuke, kleine Lise mijn zusje.

In mijn kinderlijke dromen had ik mij meer dan eens voorgesteld, dat ik mijn vader en moeder zou weervinden, maar nooit had ik aan broeders en zusters gedacht.

En nu boden zij zich aan.

Zij waren het niet in werkelijkheid, dat was waar, maar door hun vriendschap konden zij het worden; ik behoefde ze daarvoor slechts lief te hebben (en ik voor mij wenste niets liever) en om mij door hen te laten beminnen zou niet moeilijk zijn, want zij schenen mij allen even goed toe.

Snel trok ik de draagband van de harp weer van mijn schouder af.

--Dat is zijn antwoord, zei de vader lachend, en het is een goed antwoord, want we zien wel dat je er blij mee bent. Hang je instrument aan die spijker, mijn jongen, en als de dag soms mocht aanbreken, waarop je het niet langer met ons vinden kund, dan neem je hem daar weer af om te vertrekken; als je dan maar het voorbeeld van de zwaluwen en de nachtegalen volgt en een beter jaargetijde tot reizen kiest.

Het huis, voor welks deur wij waren gaan slapen, behoorde aan La Glacière en de tuinman, die het bewoonde, heette Acquin. Toen ik door hem in zijn huiselijke kring opgenomen werd, bestond zijn gezin uit vijf personen: de vader, die men vader Pierre noemde, twee zoons Alexis en Benjamin, en twee dochters, Étiennette de oudste en Lise de jongste van de kinderen.

Lise kon niet praten, maar zo was ze niet geboren; dat wil zeggen, dat doofheid niet de oorzaak van haar gebrek was. Twee jaar lang had zij gesproken, maar plotseling, kort vóór haar vierde jaar, had zij haar spraak verloren, tengevolge van hevige stuipen. Gelukkig echter had het op haar verstand geen invloed uitgeoefend; dit had zich integendeel met een buitengewone snelheid ontwikkeld; zij begreep niet alleen alles, maar wist ook alles uit te drukken. In arme gezinnen en dikwijls zelfs bij gezeten families ook wordt zo’n kind verstoten of aan zijn lot overgelaten. Maar dit was met Lise niet het geval geweest; haar lieftalligheid en levendige geest, haar zacht en goedhartig karakter hadden haar voor zulk een rampzalig lot weten te bewaren. Haar broeders zorgden altijd, dat zij haar ongeluk vergat; de vader had slechts ogen voor haar en de oudste zuster aanbad haar.

Vroeger was het recht van de oudste bij adellijke geslachten een groot voordeel; tegenwoordig is het bij arbeidersfamilies dikwijls een grote verantwoordelijkheid, welke de eerstgeborene erft. De vrouw van Acquin was een jaar na de geboorte van Lise gestorven en sedert die dag was Étiennette, die slechts twee jaar ouder was dan haar broer, een moeder voor het gezin geworden. In plaats van naar school te gaan, moest zij thuis blijven, het eten klaarmaken, het linnengoed van haar vader en broeders herstellen en Lise verzorgen; men had vergeten, dat zij de dochter, de zuster was en was haar spoedig als een dienstbode gaan beschouwen, die men zelfs in geen enkel opzicht ontzag, want men wist, dat zij nooit zou weglopen of boos worden.

Étiennette had geen jeugd gekend, want toen ze nog een kind was, droeg ze Lise reeds in haar armen, paste op Benjamin, werkte de hele dag voor het huishouden, stond 's morgens reeds vroeg op, om haar vader, voordat hij zich naar de markt begaf, zijn soep te geven, ging laat slapen om alles op te bergen; waste het linnengoed, begoot de bloemen, zodra zij een uurtje vrij had, en verliet vaak ‘s winters midden in de nacht haar bed om de stromatten uit te leggen, wanneer de vorst plotseling was ingevallen. Op haar veertiende jaar lag er op haar gelaat een treurige, zwaarmoedige trek, alsof zij reeds 35 jaar oud was, maar tevens een uitdrukking van zachtheid en onderwerping.

Nog geen vijf minuten hing mijn harp aan de spijker, terwijl ik nog bezig was te vertellen hoe we door kou en vermoeidheid overvallen waren op de terugweg van Gentilly, waar we in een steengroeve hoopten te overnachten, of wij hoorden krabben tegen de tuindeur en een klagend geblaf.

--Dat is Capi! zei ik, terwijl ik opsprong.

Maar Lise was mij reeds voor, zij snelde naar de deur en opende die.

De arme Capi was in een sprong bij mij en, toen ik hem in mijn armen drukte, likte hij mijn gezicht en gaf door een zacht janken zijn blijdschap te kennen: hij beefde over zijn gehele lichaam.

--En Capi? vroeg ik.

Mijn vraag werd goed verstaan.

--Nou, Capi blijft bij je.

Het was of hij het begreep, want hij sprong op de grond en terwijl hij de rechterpoot op zijn hart legde, maakte hij een buiging. Hierin hadden de kinderen groot plezier en vooral Lise, maar toen ik Capi een stuk van zijn repertoire wilde laten spelen, weigerde hij mij te gehoorzamen en sprong weer op mijn knieën om mij te likken; daarna begon hij mij aan de mouw van mijn jas te trekken.

--Hij wil dat ik meega.

--Om je bij je meester te brengen.

De agenten, die Vitalis hadden meegenomen, hadden gezegd, dat zij mij zouden verhoren en in de loop van de dag zouden terugkomen, als ik weer wakker en warm was. De tijd viel mij lang. Ik verlangde naar nieuws van Vitalis. Misschien was hij niet dood, zoals men meende. Ik was ook niet dood. Hij kon, evenals ik, uit zijn bewusteloosheid ontwaakt zijn.

De vader giste mijn bezorgdheid en nam mij naar het bureau van politie mee, waar men mij de ene vraag na de andere stelde die ik pas beantwoordde, toen men mij verzekerd had, dat Vitalis dood was. Wat ik wist was zeer weinig. Maar de commissaris wilde meer weten en ondervroeg mij geruime tijd naar alles, wat betrekking had op Vitalis en mij.

Wat mezelf betrof kon ik hem antwoorden, dat ik geen ouders had en dat Vitalis mij voor een som geld, die hij aan den echtgenoot van mijn pleegmoeder had gegeven, gehuurd had.

--En nu? vroeg de commissaris.

De vader antwoordde hem hierop voor mij.

--Wij zullen voor hem zorgen, indien u hem aan ons wilt toevertrouwen.

Niet alleen stemde de commissaris hierin toe, maar hij prees de tuinman zelfs voor deze goede daad.

Ik moest nu alles vertellen, wat ik van Vitalis wist: dat viel mij moeilijk, want ik wist niets of bijna niets van hem.

Toch was er een geheimzinnig punt, dat ik zou hebben kunnen aanhalen: hetgeen bij onze laatste voorstelling had plaats gehad, toen het zingen van Vitalis zozeer de bewondering en verbazing van die dame had opgewekt; en de bedreigingen die Garofoli hem had toegevoegd; maar ik vroeg mij af, of ik niet beter deed, dit voor mijzelf te houden.

Wat mijn meester bij zijn leven zo zorgvuldig bewaard had, mocht toch na zijn dood niet openbaar worden gemaakt.

Maar een kind kan moeilijk voor een commissaris van politie iets verzwijgen, want deze heeft een manier om zo te vragen, dat ieder spoedig alles moet bekennen.

Dat gebeurde ook met mij.

Voor er vijf minuten verlopen waren, had de commissaris mij alles laten vertellen, wat ik juist verbergen wilde.

--Het beste is om hem bij Garofoli te brengen, zei hij tot een agent; wanneer hij in de Rue Lourcine is, dan zal hij het huis wel herkennen; u moet dan maar met hem naar boven gaan en die Garofoli ondervragen.

Wij begaven ons alle drie op weg; de agent, de vader en ik.

Zoals de commissaris vermoed had, herkende ik het huis gemakkelijk en wij gingen naar de vierde verdieping. Ik zag Mattia niet, die was waarschijnlijk reeds naar het gasthuis gebracht. Toen Garofoli de agent zag en mij herkende, verbleekte hij; zeker was hij bang.

Maar spoedig werd hij gerustgesteld, toen hij de reden van ons bezoek vernam.

--Zo, de arme oude is dood! zei hij.

--Kende u hem?

--Ja, zeer goed.

--Welnu, zeg mij dan alles, wat u van hem weet.

--Dat is heel eenvoudig. Hij heette niet Vitalis; zijn naam was Carlo Balzani, en als u 35 of veertig jaar geleden in Italië geleefd had, zou u weten, wie deze persoon was, naar wie u thans onderzoek doet. In die tijd was Balzani de beroemdste zanger. Hij oogstte op het toneel veel succes; hij heeft overal gezongen, in Napels, Rome, Milaan, Venetië, Florence, Londen en Parijs. Maar eens brak de dag aan, waarop hij zijn stem verloor; toen was hij niet langer de koning van de zangers; hij wilde niet, dat zijn roem zou verminderen door in schouwburgen van minder rang op te treden. Hij deed afstand van de naam Carlo Balzani en is Vitalis geworden; voor iedereen die hem in zijn goede tijd gekend had, hield hij zich verborgen. Hij moest echter leven, maar is nooit kunnen slagen, wat hij ook beproefd heeft, zodat hij steeds lager en lager zonk en eindelijk met dieren ging rondreizen. Maar hoe ellendig zijn toestand ook was, zijn trots behield hij, en hij zou van schaamte gestorven zijn als het publiek te weten was gekomen, dat de gevierde Carlo Balzani de arme Vitalis geworden was. Door een toeval ben ik het te weten gekomen.

Dit was dus het geheim, dat mij altijd zoveel belang had ingeboezemd.

Arme Carlo Balzani, goede, beste Vitalis!

AodW19b.jpg