Alleen op de wereld/Hoofdstuk V
| ← HET OUDERLIJK HUIS | Alleen op de wereld (1880) door Hector Malot, vertaald door Gerard Keller | MIJN EERSTE OPTREDEN → |
| Uitgegeven in 's-Gravenhage door Henri J. Stemberg. Van dit artikel bestaat een wikisource HERTALING in modern Nederlands. |
[ 30 ]
V.
OP REIS.
Wanneer men voor veertig francs kinderen koopt, ligt hierin nog niet opgesloten, dat men een wildeman is en menschenvleesch opdoet om dat te eten.
Vitalis wilde mij niet opeten en — een zeldzame uitzondering bij een handelaar in kinderen — hij was volstrekt geen slecht mensch!
Hiervan kreeg ik weldra de ondervinding.
Het was op de kruin van den berg, die de bedding van de Loire en de Dordogne van elkander scheidt, dat hij mijn hand gevat had en bijna onmiddellijk begonnen wij langs de zuidelijke helling af te dalen.
Toen wij ongeveer een kwartier geloopen hadden, liet hij mij los.
— Nu kunt ge langzaam naast mij loopen, maar bedenk wel, dat, als gij ontvluchten wilt. Capi en Zerbino u spoedig zouden hebben ingehaald en zij hebben scherpe tanden.
Dat het mij onmogelijk was om te ontvluchten, besefte ik volkomen en evenzoo, dat het een vergeefsche poging wezen zou om het te beproeven.
Een diepe zucht ontglipte mij.
— Gij schijnt u ongelukkig te gevoelen, dat begrijp ik en ik neem het u niet kwalijk. Gij kunt gerust eens uitweenen als ge daartoe lust gevoelt. Maar wees er van overtuigd, dat ik u niet tot uw ongeluk medeneem. Wat zou er van u geworden zijn? Waarschijnlijk zoudt ge thans in het gesticht wezen. De menschen die u opgevoed hebben zijn uw vader en moeder niet. Uw moeder is goed voor u geweest, zooals ge zegt, en gij houdt van haar; het spijt u, dat gij haar verlaten moet; dat is allemaal goed en wel; maar bedenk wel, dat zij u niet bij zich zou hebben kunnen houden tegen den wil van haar man. Die man is zoo wreed niet als gij wel meent. Hij is arm; hij is afgetobd en kan niet meer werken en hij heeft ingezien, dat hij niet van honger kan omkomen om u te voeden. Begrijp van nu af aan, mijn jongen, dat het leven dikwijls een strijd is, waarin men niet doen kan, zooals men wil. [ 31 ]
Dit was zeker zeer verstandig gesproken, of liever het getuigde van veel ondervinding. Maar met dat al was het feit aanwezig dat meer tot mijn hart sprak dan alle woorden — eene scheiding.
Ik zou haar, die mij opgevoed had, die mij zoo menigmaal had geliefkoosd, die ik beminde, niet terugzien — mijn moeder!
En die gedachte kneep mij als het ware de keel toe.
Toch liep ik naast Vitalis voort, telkens bij mezelf de woorden herhalende, die hij gesproken had.
Ongetwijfeld was dat alles de zuivere waarheid; Barberin was mijn vader niet en er bestond in het minst geen reden, die hem de verplichting oplegde om ten gevalle van mij armoede te lijden: hij had mij bij zich in huis genomen en mij opgevoed; zoo hij mij thans wegzond, dan was dit omdat hij mij niet langer bij zich houden kon. Wanneer ik aan hem dacht, moest ik mij niet dezen dag in het geheugen brengen, maar de jaren die ik in zijn huis had doorgebracht.
— Denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb, mijn jongen, herhaalde Vitalis van tijd tot tijd, gij zult er met mij niet ongelukkiger om wezen.
Nadat wij een vrij steile helling waren afgedaald, hadden we een groote vlakte bereikt, die zoover ons oog reikte zich voor ons uitstrekte. Geen boomen, noch huizen. Een vlakte die slechts uit hei bestond en hier en daar afgewisseld werd door lage ruwe struiken, die, wanneer de wind er langs streek, een golvende beweging maakten.
— Gij ziet, sprak Vitalis, terwijl hij met zijn hand op de vlakte wees, dat het vergeefsche moeite wezen zou, indien gij ontsnappen wildet, gij zoudt terstond door Capi en Zerbino achterhaald worden.
Ik dacht al niet meer aan ontsnappen. Waar zou ik heengaan? Bij wien?
Bovendien zou die oude man met zijn grijzen baard misschien zoo slecht niet wezen, als ik in het eerst gemeend had; en wanneer hij mijn meester was, zou hij misschien geen meedoogenloos man blijken.
Geruimen tijd liepen wij over deze vlakte voort, omringd door niets anders dan heidevelden, zoover ons oog reikte, en hier en daar eenige heuvels met kale toppen.
Ik had mij een gansch andere voorstelling van reizen gemaakt en als ik somtijds in mijn kinderlijke droomen mijn dorp verlaten had, dan was het om een fraaie landstreek te bezoeken, die in geenen deele geleek op de werkelijkheid, welke zich thans aan mij voordeed.
Het was voor de eerste maal, dat ik zulk een tocht maakte zonder stil te houden. [ 32 ]
Mijn meester liep regelmatig en met groote schreden voort, terwijl hij Joli- Coeur op zijn schouder of op zijn reiszak droeg, en naast hem stapten de honden rustig voort.
Van tijd tot tijd sprak Vitalis hun een vriendelijk woord toe, nu eens in het fransch, dan weder in een taal, die ik niet verstond.
Noch hij, noch zij dachten een oogenblik aan moeheid. Maar bij mij was dit niet het geval. Ik was uitgeput. Mijn lichamelijke vermoeidheid gevoegd bij mijn verdriet, had al mijn krachten geëischt.
Ik sleepte mijn beenen voort en het kostte mij zelfs groote inspanning om mijn meester te volgen. Toch durfde ik niet vragen om weder uit te rusten.
— Uw klompen maken u stellig moe, zeide hij, te Ussel zal ik schoenen voor u koopen.
Die woorden gaven mij nieuwen moed.
Inderdaad waren schoenen altijd mijn vurigste verlangen geweest. De zoon van den burgemeester en van den herbergier droegen schoenen, zoodat zij des zondags, als zij in de mis kwamen, bijna onhoorbaar over de steenen vloer liepen, terwijl wij boeren, met onze klompen een geweldig leven maakten.
— Is Ussel nog ver?
— Dat is een stem van uw hart, antwoordde Vitalis lachend; gij wilt dus gaarne schoenen hebben? Nu, ik beloof je ze, met spijkers in de zolen zelfs. En ge zult ook een fluweelen broek krijgen en een jas en een hoed. Dat zal uw tranen wel doen opdroogen, hoop ik, en uw beenen geven, om de overige zes mijlen af te leggen.
Schoenen met spijkers! Dat was heerlijk! Schoenen waren reeds voor mij een wonder, maar toen ik van spijkers ook nog hoorde, vergat ik mijn verdriet.
Neen, zeker mijn meester was geen slecht mensch.
Zou een slecht mensch er aan gedacht hebben, dat mijn klompen mij konden hinderen?
Schoenen. Schoenen met spijkers! Een fluweelen broek! Een jas! Een hoed!
O, als vrouw Barberin mij zag, wat zou zij dan in haar schik wezen, wat zou zij trotsch op mij zijn!
Hoe jammer dat Ussel nog zoo veraf was.
Ondanks de schoenen en de fluweelen broek, die aan het eind der zes mijlen mijn loon zouden zijn, scheen het mij toch nog een geduchte wandeling toe.
Gelukkig kwam het weer mij te hulp.
De hemel, die sedert ons vertrek onbewolkt geweest was, begon langzamerhand te betrekken en weldra viel een motregen, die wel niet zou ophouden. [ 33 ]
De schapevacht beschutte Vitalis voldoende en zij kon ook Joli-Coeur beschermen, die bij den eersten droppel terstond zijn schuilplaats had opgezocht. Maar de honden en ik, diegeen mantel of iets dergelijks hadden, waren weldra druipnat; de dieren konden zich van tijd tot tijd nog eens afschudden, welk middel mij niet ten dienste stond: ik moest voortloopen onder een vracht, die mij bijna verpletterde en mij ijskoud maakte.
— Zijt ge spoedig verkouden? vroeg hij mij.
— Dat weet ik niet, ik geloof niet, dat ik ooit verkouden was.
— Goed, goed; er is toch iets goeds in u. Maar ik wil u niet noodeloos blootstellen; wij zullen vandaag niet verder gaan. Daar ginds ligt een dorp en daar zullen wij den nacht doorbrengen.
Maar er was geen herberg in dat dorp en niemand wilde zulk een bedelaar een onderkomen geven, die een kind en drie vuile honden bij zich had.
— Wij hebben geen slaapplaats, zeide men, en men wierp de deur voor onzen neus dicht. Wij gingen van het eene huis naar het andere, zonder dat iemand ons opende.
Zouden wij dan toch genoodzaakt wezen om zonder even te rusten, de vier mijlen af te leggen, die ons van Ussel scheidden? Het werd nacht en de regen deed ons verstijven; het was of mijn beenen stokstijf zouden blijven staan.
O, dat heerlijke huis van moeder Barberin!
Eindelijk wilde een boer, die wat menschlievender was dan de anderen, ons wel zijn schuur afstaan. Maar vóór hij ons binnenliet, stelde hij tot voorwaarde, dat wij geen licht mochten aansteken.
Geef mij uw lucifers, zeide hij tot Vitalis, ik zal ze u morgen, wanneer gij vertrekt, teruggeven.
Wij hadden nu tenminste een dak, dat ons beschutten kon en de regen zou niet op ons nedervallen.
Vitalis was een bedachtzaam man, die zonder de noodige levensbehoeften niet op reis zou gaan. In zijn ransel, dien hij op zijn rug droeg, had hij een groote snede brood, die hij in vier stukken brak.
Toen zag ik voor de eerste maal hoe hij gehoorzaamheid en tucht wist te handhaven.
Terwijl wij van de eene deur naar de andere dwaalden, om een nachtverblijf te zoeken, was Zerbino een huis binnengegaan, waaruit hij echter terstond weder te voorschijn was gekomen met een korst brood in zijn bek. Vitalis had slechts één woord gezegd. — Denk er aan. Tot vanavond. Zerbino.
Ik dacht niet meer aan den diefstal, tot op het oogenblik, dat mijn meester het brood verdeelde. Zerbino den kop liet hangen.
Wij waren op twee bossen varenkruid naast elkander gezeten met Joli-Coeur tusschen ons; de drie honden lagen voor ons uitgestrekt. Capi en Dolce hielden de oogen strak op hun meester gevestigd. [ 34 ]
Zerbino daarentegen lag met zijn kop op den grond en met hangende ooren.
— Laat de dief zich verwijderen, zeide Vitalis op bevelenden toon, en in een hoek gaan liggen; hij gaat zonder eten naar bed.
Zerbino verliet terstond zijn plaats en kroop in den hoek, dien zijn meester hem aanwees; hij ging onder een hoop stroo liggen en wij zagen hem niet meer, maar hoorden hem telkens zacht kreunen.
Toen dit gebeurd was, reikte Vitalis mij het brood en terwijl hij het zijne at, deelde hij aan Joli-Coeur. Capi en Dolce hun porties uit.
De laatste maanden was ik bij vrouw Barberin niet verwend; toch scheen deze verandering mij zeer wreed.
Hoe heerlijk was het hoekje bij den haard; met welk een genot zou ik onder mijn lakens gekropen zijn, terwijl ik het dek over mijn neus haalde!
Maar helaas! er kon geen sprake zijn van lakens of van dek en wij mochten blijde wezen, dat we een bed van stroo hadden.
Uitgeput van vermoeienis, met voeten als versteend, rilde ik van koude in mijn natte kleederen.
Het was nu donker en nacht geworden, maar ik dacht niet aan slapen.
— Uw tanden klapperen, zeide Vitalis, hebt gij het koud?
— Een weinig.
Ik hoorde, dat hij zijn zak opende.
— Ik bezit geen fraaie garderobe, vervolgde hij, maar hier hebt gij een droog hemd en een jas waarin gij u wikkelen kunt, wanneer ge u van uw natte kleeren hebt ontdaan; gij moet dan maar onder het stroo kruipen en ik wed, dat gij wel warm wordt en inslaapt.
Toch werd ik niet zoo spoedig warm, als Vitalis wel had gemeend; nog langen tijd lag ik te woelen en mij op mijn bed te keeren en te wenden, te pijnlijk en te ongelukkig om in slaap te geraken.
Zou het voortaan iederen dag zoo wezen? Zonder ooit te rusten in den regen loopen, in een schuur slapen, van koude sidderen en tot avondeten niets anders dan een stukje droog brood, niemand om mij te beklagen, niemand om mij lief te hebben, geen moeder Barberin?
Terwijl ik hierover lag te peinzen met een bezwaard gemoed en de oogen vol tranen, voelde ik eensklaps een warmen adem over mijn gelaat glijden.
Ik strekte de hand uit en voelde het kroezige haar van Capi.
Hij was mij stil genaderd en kroop behoedzaam voort tusschen het varenkruid; hij snoof zachtkens; zijn adem streek mij langs het gelaat en over mijn haren. [ 35 ] Wat wilde hij?
Hij strekte zich op het stroo uit en begon mijn hand te likken.
Getroffen door deze liefkoozing, richtte ik mij half op en drukte hem een kus op zijn kouden neus.
Hij gaf een onderdrukten kreet en legde toen eensklaps zijn poot in mijn hand, zonder zich verder te bewegen.
Ik vergat toen mijn vermoeidheid en mijn verdriet; mijn toegeknepen keel ontspande zich weder; ik haalde weer adem; ik was niet meer alleen: ik had een vriend.