Alleen op de wereld/Hoofdstuk XXXIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk XXXIII) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie

NASPORINGEN[bewerken]

AodW33a.jpg

De volgende ochtend begon ik de dag met aan moeder Barberin te schrijven om haar mee te delen wat ik had vernomen, en dat was een heel werk voor me.

Hoe kon ik haar zo maar botweg vertellen, dat haar man dood was? Zij hield van haar Jérôme; zij hadden jarenlang samen geleefd, en het zou haar leed doen als ik niet in haar droefheid deelde.

Zo goed als het ging en met herhaalde betuigingen van genegenheid, was ik ten slotte aan het einde van mijn papier. Natuurlijk sprak ik haar over mijn teleurstelling en de verijdeling van mijn vurigste hoop. Eigenlijk was dit wel het voornaamste waarover ik schreef. Als mijn familie zich tot haar wendde, om iets omtrent Barberin te vernemen, verzocht ik haar mij onmiddellijk te waarschuwen en vooral om mij het adres te zenden, naar Parijs, in het logement van Cantal.

Toen ik die taak had volbracht, rustte er nog een andere op me tegenover de vader van Lise, en ook die taak was zwaar, althans tot op zekere hoogte. Toen ik aan Lise te Dreuzy beloofd had, om de eerste maal, dat ik in Parijs zou uitgaan, aan haar vader een bezoek te brengen, had ik haar gezegd, dat, als mijn ouders rijk waren, zoals ik hoopte, ik van hen de som zou vragen, die haar vader schuldig was, zodat ik slechts naar de gevangenis zou gaan om hem in vrijheid te doen stellen. Dat was een van de delen van mijn blijde programma dat ik gepland had. Eerst vader Acquin, dan moeder Barberin, vervolgens Lise, na haar Étiennette en Alexis en eindelijk Benjamin. Wat Mattia betreft, men zou voor hem hetzelfde doen als voor mij en hij was gelukkig, als ik gelukkig was. Wat een teleurstelling dus voor me, om met lege handen naar de gevangenis te gaan en vader Acquin te bezoeken, voor wie ik thans even weinig doen kon als bij mijn vertrek, om hem de schuld van mijn dankbaarheid te betalen.

Gelukkig kon ik hem goede tijding brengen en de omhelzingen van Lise en Alexis, en zijn vaderlijke blijdschap zou toch wel iets vergoeden. Ik had dus altijd het genoegen, iets goeds voor hem te kunnen doen, terwijl ik op meer hoopte.

Mattia, die een dwaas verlangen had om eens een gevangenis te zien, ging met mij mee; bovendien stelde ik er prijs op, dat hij de man zou leren kennen, die twee jaar lang zo’n goede vader voor mij geweest was.

Ik kende thans het middel om in de gevangenis van Clichy te worden toegelaten en wij bleven nu niet zolang voor de grote poort wachten, als bij mijn eerste bezoek.

Men liet ons in een spreekvertrek en weldra verscheen de vader. Reeds op de drempel opende hij zijn armen voor me.

--O, wat een goede jongen, zei hij terwijl hij me kuste.

Ik vertelde hem dadelijk alles wat ik wist van Lise en Alexis en toen ik hem wilde uitleggen, waarom ik niet bij Étiennette was geweest, viel hij mij in de rede:

--En je ouders? vroeg hij.

--Weet u het dan?

Toen deelde hij mij mee, dat veertien dagen geleden Barberin bij hem was geweest.

--Die is dood, zei ik.

Toen vertelde hij mij hoe Barberin bij hem geweest was om te vernemen wat er van mij was geworden. Toen hij te Parijs was geweest, had Barberin zich naar Garofoli begeven, maar die had hij natuurlijk niet gevonden; toen was hij hem gaan opzoeken in de provincie, heel ver van Parijs, waar Garofoli zijn straftijd doorbracht, en deze had hem verteld, dat ik na de dood van Vitalis opgenomen was bij een tuinman met de naam Acquin. Barberin was toen teruggegaan naar la Glacière, en daar had hij vernomen, dat die tuinman in Clichy gevangen zat. Hij was daarop naar de gevangenis gegaan en Acquin had hem meegedeeld, dat ik rondzwierf in Frankrijk, zodat het met geen mogelijkheid was te zeggen, waar ik mij op dit ogenblik bevond; maar hij was er zeker van, dat ik de een of andere dag bij een van zijn kinderen zou komen. Toen had hij zelf naar Dreuzy, naar Varses, Esnandes en Saint-Quentin geschreven. Als ik de brief niet te Dreuzy gevonden had, was het, omdat ik al vertrokken was vóór die daar was aangekomen.

--En wat heeft Barberin u van mijn familie verteld? vroeg ik.

--Niets, of althans heel weinig. Je ouders hadden bij de commissaris van politie in de wijk des Invalides vernomen, dat het kind, dat in de Avenue de Breteuil was neergelegd, gevonden was door een metselaar uit Chavanon, een zekere Barberin, en toen zijn zij je bij hem komen opvragen. Toen ze je niet vonden, hadden zij hem verzocht hem behulpzaam te zijn bij hun nasporingen.

--Heeft hij u hun naam niet gezegd? Heeft hij niet verteld waar zij woonden?

--Toen ik hem die vragen stelde, antwoordde hij, dat hij mij dit later wel zeggen zou. Toen heb ik er niet op aangedrongen, daar ik begreep, dat hij de naam van je ouders geheim hield, om niet minder geld van hen te ontvangen dan hij gehoopt had te zullen krijgen. Daar ik een poos lang een beetje jouw vader was geweest, verbeeldde die Barberin zich, dat ik mij daarvoor wilde laten betalen. Toen heb ik me niet meer met hem bemoeid en is hij ook niet teruggekomen; maar dat hij dood was, wist ik niet. Je weet nu dat je ouders hebt, maar door die inhaligheid van die oude schraper weet je niet wie of waar zij zijn.

Ik vertelde hem wat wij hoopten en hij versterkte die hoop door tal van goede redenen.

--Je ouders konden Barberin in Chavanon vinden en Barberin kon Garofoli en zelfs mij ontdekken, men zal je ook wel in het logement van Cantal weten op te sporen. Blijf daar dus.

Die woorden deden mij bepaald goed en maakten mij weer vrolijk en opgeruimd. De overige tijd brachten wij door met over Lise en Alexis te spreken en over mijn ongeluk in de mijn.

--Wat een vreselijk vak! zei hij, toen ik aan het slot van mijn verhaal was; en is dat nu het leven van mijn arme Alexis? Och, hoeveel gelukkiger was het, toen hij in mijn tuin bloemen kon kweken.

--Die tijd zal wel weer komen, antwoordde ik.

--God geve, dat dit gebeure, beste Remi.

Het brandde mij op de lippen om hem te zeggen, dat mijn ouders hem wel spoedig uit de gevangenis zouden halen, maar bijtijds bedacht ik, dat het toch niet paste om te pochen op het genot, dat men later iemand doen zou, en ik beperkte mij dus tot de verzekering, dat hij wel spoedig weer zijn vrijheid zou herkrijgen en al zijn kinderen bij zich hebben zou.

--En in afwachting van dat gelukkig ogenblik, zei Mattia, toen wij buiten waren gekomen, moeten wij geen tijd laten voorbijgaan om geld te verdienen.

--Als wij minder tijd hadden besteed om geld te verdienen op den weg van Chavanon naar Dreuzy en van Dreuzy naar Parijs, zouden wij nog bijtijds gekomen zijn om Barberin in leven te vinden.

--Dat is waar, en ik heb er me zelf ook al een verwijt van gemaakt, dat wij ons zolang hebben opgehouden; dus jij hoeft het me niet meer te verwijten.

--O, ik verwijt het je niet, mijn goede Mattia, dat verzeker ik je. Zonder jou zou ik aan Lise haar pop niet hebben kunnen geven en zonder ou zouden wij thans in Parijs zijn zonder een stuiver om iets te kunnen eten.

--Welnu, als ik gelijk had dat ik er op aandrong om geld te verdienen, laten wij dan doen, of ik ook nu gelijk heb. Bovendien schiet ons niet beter over dan te zingen en te spelen; later zullen wij wel de tijd hebben om uit te rusten, als wij in jouw rijtuig kunnen zitten. Te Parijs ben ik thuis en ik ken de goede plekjes.

Hij kende die plekjes zo goed, de grote pleinen, de binnenplaatsen, de koffiehuizen enz., dat wij die avond, toen wij naar bed gingen, veertien francs hadden opgehaald.

Terwijl ik insliep, herhaalde ik bij mijzelf een woord, dat ik dikwijls gehoord had van Vitalis: Het geluk is alleen voor de mensen die het niet nodig hebben. Zeker was die ruime verdienste een zeker bewijs, dat opeens mijn ouders vóór me zouden staan.

Ik was zo overtuigd van de waarheid van mijn voorgevoel, dat ik de volgende dag gaarne in het logement zou zijn gebleven; maar Mattia dwong me om met hem uit te gaan, en hij dwong mij ook om te spelen en te zingen, en die dag ontvingen wij weer elf francs.

--Als je ouders ons niet spoedig rijk maken, zei Mattia lachend, dan zullen wij het wel zonder hen ook worden. Dat zou nog wel zo aardig zijn.

Drie dagen gingen er op die wijze voorbij, zonder dat er iets nieuws gebeurde en zonder dat de eigenares van het logement op mijn vragen, die altijd dezelfde waren, iets anders antwoordde dan: niemand is naar Barberin komen vragen en ik heb ook geen brief voor u of voor Barberin ontvangen. De vierde dag echter gaf zij mij een brief.

Het was het antwoord dat moeder Barberin had laten schrijven, want zelf kon zij evenmin schrijven als lezen.

Zij meldde mij, dat zij de tijding had ontvangen van Barberins dood en dat zij kort te voren een brief van hem had gekregen, die zij hier bij voegde, in de hoop, dat die mij van dienst kon zijn, daar hij enige bijzonderheden omtrent mijn familie bevatte.

--Gauw, gauw, riep Mattia uit, laten wij dadelijk de brief van Barberin lezen.

Met bevende hand en kloppend hart opende ik de brief. Hij luidde:

Lieve vrouw!

Ik lig in het gasthuis, zo ziek, dat ik niet geloof, dat ik nog zal opstaan. Als ik er de kracht toe had, zou ik je vertellen hoe het gekomen is, dat ik zo ziek ben geworden; maar dat heeft weinig zin; liever deel ik je mee wat van meer belang is. Als ik hier niet meer uitkom schrijf dan aan Greth en Galley, Green-square, Lincoln’s Inn te Londen. Dat zijn rechtsgeleerden, die belast zijn met de taak om Remi op te sporen. Schrijf hun, dat jij de enige bent die iets over het kind kan mededelen en zorg ervoor, dat je je daarvoor goed laat betalen. Dat geld moet dienen om u een rustige oude dag te bezorgen. Je zult vernemen wat er van Remi geworden is, als je schrijft aan een zekere Acquin, vroeger tuinier, thans in de gevangenis Clichy te Parijs. Laat al de brieven door mijnheer pastoor schrijven, want in deze zaak moet je aan niemand vertrouwen schenken. Doe evenwel niets vóór je zeker weet, dat ik dood ben.

Ik kus je voor de laatste maal. Barberin."

Ik had het laatste woord van de brief nog niet gelezen, toen Mattia opsprong met de kreet:

--Wij gaan naar Londen!

--Ik was zo verbaasd over wat ik gelezen had, dat ik Mattia aankeek, zonder juist te begrijpen wat hij zei.

--Daar Barberin schrijft dat het Engelse advocaten zijn, die de taak hebben om je op te sporen, ging hij voort, spreekt het vanzelf dat je ouders Engelsen zijn.

--Maar.....

--Vind je het niet prettig een Engelsman te wezen?

--Ik zou van hetzelfde land willen zijn als Lise en de kinderen.

--Ik had liever gehad, dat je een Italiaan was.

--Als ik een Engelsman ben, behoor ik tot hetzelfde land als Arthur en mevrouw Milligan.

--Als je een Engelsman bent? Maar dat is zeker; als je ouders Fransen waren, zouden zij toch geen Engelse advocaten belasten om in Frankrijk het kind op te sporen, dat zij verloren hebben. Nu je een Engelsman bent, moet je naar Engeland gaan. Dat is het beste middel om bij je ouders te komen.

--Als ik eens aan die advocaten schreef?

--Waarom zou je dat doen? Men kan veel verder komen met praten dan met schrijven. Toen wij te Parijs kwamen, hadden wij zeventien francs; toen hebben wij veertien francs verdiend, vervolgens elf, daarna negen: dit maakt zowat samen vijftig francs; acht francs hebben wij uitgegeven, dus hebben wij nog ruim 43 francs, en dat is meer dan wij nodig hebben om naar Londen te gaan. Men gaat te Boulogne in de boot naar Londen en dat kost niet veel geld.

--Ben je wel eens te Londen geweest?

Nee, dat weet je wel; maar wij hadden in het paardenspel van Gassot twee clowns die Engelsen waren, en deze hebben dikwijls over Londen gesproken en zij hebben mij een paar Engelse woorden geleerd, om met elkaar te kunnen praten zonder dat de vrouw van Gassot, die zo nieuwsgierig was als een uil, kon verstaan wat wij zeiden. Wat we haar in 't Engels gekheden in 't gezicht hebben gezegd, zonder dat zij er iets van begreep! Ik zal je naar Londen brengen.

--Ik heb bij Vitalis ook Engels geleerd.

--Dat wil ik wel geloven; maar in die drie jaren heb je 't wel moeten vergeten, terwijl ik het nog ken: dat zul je zien. Bovendien, 't is niet alleen omdat ik je in Londen van dienst zal kunnen zijn, dat ik met je naar Engeland wil gaan, maar, om je de waarheid te zeggen, heb ik nog een andere reden.

--En die is?

--Als je ouders je te Parijs kwamen halen, zouden zij mij misschien niet met je willen meenemen; maar ben ik eens in Engeland, dan zullen zij mij niet terugzenden.

Zulk een onderstelling scheen mij een belediging toe voor mijn ouders, maar zo volstrekt onmogelijk was het niet en 't was dus een geldige reden. Al was er maar één kans dat mijn reis gelukken kon, dan moest ik die enige kans wagen en aan het idee van Mattia gevolg geven, om dadelijk met hem naar Engeland te gaan.

--Laten wij dan maar gaan, zei ik.

--Wil je wel?

In twee minuten waren onze reiszakken gepakt en wij gingen naar beneden, geheel gereed om te vertrekken.

Toen zij ons met onze reiszakken zag, riep de logementhoudster vol verbazing uit:

--Wacht de jongeheer -- die jongeheer was ik – niet op zijn oudersf? Dat zou toch wel zo verstandig zijn; en dan zouden zijn ouders eens kunnen zien, hoe goed hij het hier heeft.

Maar door zulke mooie woorden liet ik mij niet weerhouden. Nadat ik betaald had wat wij schuldig waren, wilde ik naar buiten gaan, waar Mattia en Capi reeds op mij wachtten.

--En uw adres? vroeg de oude vrouw.

Zij had gelijk; het was verstandig haar mijn adres achter te laten. Ik schreef dit dus in haar boek.

--Naar Londen! riep zij uit. Zo'n paar knapen naar Londen! Zo'n hele reis, en dan over zee!

Vóór wij ons naar Boulogne begaven, moest ik nog afscheid nemen van de vader.

Dat afscheid was niet treurig. Ook hij was zeer blij dat ik mijn ouders zou terugvinden en het was mij een genot hem nogmaals te verzekeren, dat ik spoedig zou terugkomen met mijn ouders, om hem onze dank te betuigen.

--Tot weerziens dan, beste jongen, en veel geluk. Als je niet zo spoedig mocht terugkomen als je je voorstelt, schrijf mij dan.

--Ik kom terug.

Die dag reisden wij, zonder ons ergens op te houden, voort tot Moisselles, waar wij de nacht doorbrachten op een hoeve, want wij moesten zuinig op ons geld zijn, zodat we de overtocht konden betalen. Mattia had wel gezegd, dat het niet duur was, maar wat noemde hij duur?

Onder het wandelen leerde Mattia mij enige Engelse woorden, want ik was geheel vervuld met een zelfde gedachte, die mij al mijn genot benam; zouden mijn ouders Frans of Italiaans spreken? Hoe zouden wij met elkaar kunnen praten, als zij niets anders dan Engels verstonden? Wat zou dit lastig zijn. Hoe zou ik met mijn broers en zusters omgaan, als ik die had? Zou ik geen vreemdeling voor hen blijven, zolang ik mij niet met hen onderhouden kon? Hoe dikwijls ik mij voorgesteld had bij mij thuis te komen, en zeer dikwijls had ik mij dit, na mijn vertrek uit Chavanon, voorgesteld--nooit had ik kunnen denken dat ik op zulk een bezwaar zou kunnen stuiten. Hoelang toch zou het kunnen duren, voor ik het Engels meester was, dat mij een zeer moeilijke taal toescheen.

Acht dagen hadden wij nodig om van Parijs naar Boulogne te komen, want in de grote steden, die wij doortrokken, Beauvais, Abbeville en Montreuil-sur-Mer, hielden wij ons enige tijd op om voorstellingen te geven, teneinde ons kapitaal aan te vullen.

Toen wij te Boulogne aankwamen, hadden wij nog 32 francs in onze beurs, dus veel meer dan wij nodig hadden om onze overtocht te betalen.

Mattia had nooit de zee gezien en onze eerste wandeling was dus naar de kade. Een tijdlang stond hij met wijd opengesperde ogen en staarde naar de horizon, die in nevelen was gehuld; toen klakte hij met zijn tong en zei, dat het lelijk, somber en vuil was.

Dit gaf aanleiding tot een klein geschil tussen ons, want wij hadden dikwijls over de zee gesproken en ik had hem altijd gezegd, dat dit het mooiste was dat men ooit kon zien. Ik hield dus ook nu mijn mening vol.

--Misschien heb je gelijk, als de zee zo blauw is, zoals te Cette, zoals je me verteld hebt, zei Mattia; maar als zij er uitziet als deze zee, zo geel en groen, met die grijze lucht en die donkere wolken erboven, dan is zij lelijk, heel lelijk, en ik heb volstrekt geen lust in een zeereis.

Meestal waren Mattia en ik het volkomen eens; hij verenigde zich met mijn mening of ik gaf toe aan hem; maar in dit geval hield ik vol, dat ik gelijk had en ik beweerde zelfs, dat die groene zee met haar geheimzinnige diepte en die donkere wolken, die de wind door elkaar joeg, net zo mooi was als een blauwe zee onder een blauwe hemel.

--Dat zeg je maar, omdat je een Engelsman bent, antwoordde Mattia, en je houdt van die lelijke zee, omdat zij aan uw land behoort.

De boot naar Londen vertrok de volgende dag vroeg, om vier uur; tegen halfvier waren wij aan boord en wij zochten een plaats achter enige kisten, waar wij tegen de wind beschermd waren, die uit het noorden woei en koud en vochtig was.

Bij het schijnsel van enige doffe lantaarns zagen wij hoe het schip geladen werd; de katrollen piepten, de kisten, die men in het ruim neerliet, kraakten, en de matrozen, die van tijd tot tijd enige woorden met elkaar wisselden, hadden ruwe stemmen; maar boven al het lawaai hoorden wij het geluid van de stoom, die in kleine witte vlokken door de schoorsteen opsteeg. De bel luidde; de touwen vielen in het water; wij waren op reis, op reis naar mijn land.

Dikwijls had ik aan Mattia verteld, dat er niets zo prettig was als een tocht op een boot; men gleed zachtjes over het water zonder te bemerken, dat men voortging; het was prachtig--het was als een droom.

Als ik dit vertelde, dacht ik aan ‘‘Le Cygne‘, en aan onze reis op het kanaal du Midi, maar de zee had niets van een kanaal. Nauwelijks waren wij van wal gestoken, of de boot scheen in de zee te willen verzinken, dan rees zij weer op om nog dieper in het water door te dringen, en dit vijf- of zesmaal achtereen met geduchte schokken, alsof wij op een reusachtige schommel zaten. Bij die schokken kwamen de rookwolken met een snerpend geluid uit de schoorsteen, en dan ontstond er een ogenblik van stilte en men hoorde slechts het klotsen van het water tegen de raderen, nu eens aan de ene dan aan de andere zijde, naarmate het schip overhelde.

--Leuk, dat glijden, zei Mattia.

Ik kon hem niet veel daarop antwoorden, want ik wist niet wat golven waren.

Maar niet alleen door de golven stampte en slingerde het schip, ook de volle zee, bleek zeer onstuimig te zijn.

Mattia, die een geruime tijd niets had gezegd stond plotseling op.

--Wat deert je? vroeg ik.

--Alles danst in me, en ik voel mij heel onplezierig.

--Dat zal de zeeziekte zijn.

--Nu, dat voel ik ook wel.

Een ogenblik later leunde Mattia over de verschansing.

Wat was de arme jongen ziek! Of ik hem al in mijn armen nam en zijn hoofd op mijn schouders liet rusten, hij werd niet beter; hij zuchtte en nu en dan snelde hij weer naar de verschansing, en eerst na enige minuten kwam hij weer bij mij, om opnieuw tegen mij aan te leunen.

Zo dikwijls hij bij mij kwam, balde hij zijn vuist tegen me en half lachend, half boos, zei hij:

--O, die Engelsen! ze hebben geen hart.

--Gelukkig!

Toen de dag doorbrak, een sombere dag zonder zon, waren wij in het gezicht van de hoge krijtrotsen en hier en daar zag men onbeweeglijke schepen zonder zeilen. Langzamerhand werd het schommelen minder en ons schip gleed over het rustige water even zacht als in het kanaal. Wij waren niet meer in zee en aan beide zijden, geheel in de verte, zag men de begroeide kusten, of liever gezegd begreep men, dat zij daar wezen moesten, want de ochtendnevel belette ze te zien. Wij waren op de Theems.

--Wij zijn in Engeland, zei ik tot Mattia.

Maar die goede tijding maakte geen aangename indruk op hem. Hij strekte zich in zijn volle lengte op het dek uit en zei:

--Laat mij slapen.

Daar ik op reis geen last van zeeziekte gehad had, voelde ik geen behoefte aan slaap. Ik legde Mattia zo gemakkelijk mogelijk, en op een paar kisten klimmende, plaatste ik mij zo hoog als ik kon met Capi tussen mijn benen.

Ik overzag nu de gehele rivier en volgde aan beide zijden en voor en achter mij haar hele loop. Rechts strekte zich een grote zandbank uit, waaraan het schuim een brede franje van kantwerk scheen te vlechten; links scheen het, dat men weer in volle zee kwam.

Maar dit was slechts in schijn; de blauwe oevers naderden elkaar weldra weer en bleken toen geel en moerassig te zijn.

In het midden van de stroom lag een hele vloot van schepen voor anker, in wier midden zich sleepboten bewogen, die een lange zwarte rookwolk achter zich lieten.

Wat een menigte schepen; wat een tal van zeilen! Ik had mij nooit kunnen voorstellen, dat een rivier zo bevolkt kon wezen, en de Garonne had mij al verbaasd, maar de Theems maakte een overweldigenden indruk op me. Verscheidene schepen maakten zich gereed om te vertrekken en in het tuig zag men de matrozen op en afklimmen langs de touwladders, die op een afstand zo dun leken als draden van een spinnenweb.

Ons schip liet een schuimende voor achter zich in het gele water, waarop allerlei stukken van vaartuigen dreven; planken, blokken hout, dik gezwollen lijken van dieren, kurken en planten; van tijd tot tijd schoot een vogel met brede vleugels op die krengen neder en vloog dan met een schelle kreet weer op, zijn prooi in de bek houdend.

Waarom wilde Mattia liever slapen? Hij zou beter doen met wakker te worden en ook te komen kijken; want het was een schouwspel, dat wel verdiende gezien te worden.

Naarmate onze boot verder de rivier opstoomde, werd dit schouwspel merkwaardiger en mooier. Het waren geen zeilschepen en stoomboten meer, die men met de ogen kon volgen: de grote driemasters, de reusachtige stoomschepen, die van ver verwijderde landen kwamen, pikzwarte kolenschepen, vaartuigen hoog beladen met hooi of stro en die op hooischelven leken, die door de stroom waren meegesleept, grote rode, witte of zwarte tonnen, die de stroom deed ronddraaien; maar ook op de beide oevers kon men duidelijk allerlei dingen zien, ook huizen met levendige kleuren beschilderd, groene weilanden, bomen, die nog nooit waren gesnoeid en hier en daar landingsplaatsen, die in het donkere water uitstaken, meetpalen voor de waterstand en groenachtige, slibberige balken.

Lange tijd bleef ik dit tafereel gadeslaan met wijd geopende ogen en dacht aan niets dan om rond te zien en te bewonderen.

Maar daar begonnen de huizen op beide oevers van de Theems zich al meer en meer samen te pakken in lange rode rijen en de lucht werd al somberder en somberder. Rook en mist vermengden zich, zonder dat men zeggen kon wie de bovenhand had in dikte, de mist of de rook; in plaats van bomen of vee in de weide, zag ik opeens een bos van masten vóór mij verrijzen; de schepen vulden het land.

Ik kon het niet langer meer uithouden; ik klauterde naar beneden om Mattia te halen; hij werd wakker en daar zijn zeeziekte voorbij was, was ook zijn knorrig humeur geweken, zodat hij er niets tegen had om met mij op mijn kisten te klimmen. Ook hij was verbijsterd door het schouwspel en wreef zijn ogen uit; hier en daar doorsneden de kanalen de weilanden en stortten zich dan in de rivier uit, en ook daar was het vol van schepen.

Ongelukkig werden de rook en de mist nog dikker; men zag slechts nu en dan iets om zich heen en hoe verder men kwam, zoveel te donkerder werd het.

Eindelijk verminderde onze boot haar vaart; de machine stond stil; de touwen werden naar de oever geworpen; wij waren te Londen en stapten aan wal temidden van mensen, die ons aanstaarden, maar zonder een woord tot ons te spreken.

--Nu is het ogenblik gekomen, dat je Engels kunt spreken, mijn beste Mattia.

En Mattia, die het volste vertrouwen had in zijn kennis van de taal, gaat recht op een grote man met een rode baard af en vraagt hem heel beleefd, met de hoed in de hand, de weg naar Green Square.

Het kwam me voor, dat het zeer lang duurde voor Mattia de man aan het verstand had gebracht wat hij bedoelde: bij herhaling moest hij hetzelfde vragen, maar ik wilde niet de indruk wekken dat ik twijfelde aan de kennis van mijn vriend.

Eindelijk kwam hij terug.

--'t Is heel gemakkelijk te vinden, zei hij; wij behoeven maar de loop van de Theems te volgen en de kaden te houden.

Maar er zijn geen kaden te Londen, of liever zij waren er niet in die tijd; de huizen, staken vooruit tot in de rivier. Wij waren dus genoodzaakt de straten te volgen, die, naar wij meenden, evenwijdig met de rivier liepen.

Het waren donkere straten, slijkerig, onophoudelijk versperd door wagens en kisten en balen en pakken van allerlei aard, en slechts met moeite baanden wij ons een weg door de hinderpalen, die telkens zich vernieuwden. Ik had Capi aan een touw gebonden en hij volgde mij op de hielen; het was pas één uur in de middag en toch was in alle winkels het gaslicht aangestoken; het regende roet.

Onder deze omstandigheden gezien, maakte Londen op ons niet dezelfde indruk als de Theems.

Wij gingen maar altijd verder en van tijd tot tijd vroeg Mattia of wij nog ver van Lincoln's Inn waren. Hij vertelde mij toen, dat wij onder een grote poort moesten doorgaan, die de weg, die we volgden, versperde. Dit scheen mij zeer vreemd toe, maar ik durfde niet zeggen dat ik vreesde, dat hij zich vergiste.

Hij vergiste zich dan ook niet en wij kwamen aan een geverfde poort, die zich met twee zijpoortjes over een straat uitstrekte: dat was Temple Bar. Opnieuw vroegen wij de weg en men zei ons, dat wij rechts moesten afslaan.

Toen bevonden wij ons niet langer in die brede straten vol beweging en lawaai: integendeel, wij volgden smalle, stille straten, die zich in elkaar kronkelden en het scheen ons toe, dat wij zelf in een kring rondliepen en in deze doolhof niet verder kwamen.

Opeens, toen wij al dachten dat we verdwaald waren, stonden wij voor een klein kerkhof vol graftekens, waarvan de stenen zo zwart zagen of men ze met roet of schoensmeer had gepoetst: dit was Green Square.

Terwijl Mattia de weg vroeg aan een schim, die wij ontmoetten, stond ik stil om het kloppen van mijn hart te bedwingen; ik haalde bijna geen adem meer, zo beefde ik.

Daarop volgde ik Mattia weer en wij stonden stil voor een koperen plaat, waarop men las Greth and Gallay.

Mattia deed een paar schreden voorwaarts om aan de bel te trekken, maar ik hield zijn arm terug.

--Wat heb je? vroeg hij. Je ziet zo bleek.

--Wacht een ogenblik, tot ik al mijn moed bijeengezameld heb.

Hij belde en wij traden binnen.

Ik was zozeer onder de indruk, dat ik niets onderscheiden kon van wat ik om me zag; het scheen me toe, dat wij in een kantoor waren en dat twee of drie personen, over schrijftafels gebogen, schreven bij het schijnsel van verscheidene gaspitten, die een krassend geluid maakten.

Tot een van die heren richtte Mattia zich, want natuurlijk had ik het aan hem overgelaten het woord te voeren. In hetgeen hij zei kwamen herhaaldelijk de woorden boy, family en Barberin voor; ik begreep dat hij vertelde dat ik de knaap was, die men door Barberin had laten zoeken. De naam van Barberin maakte indruk: men zag ons aan en de persoon, tot wie Mattia zich had gericht, stond op en opende ons een deur.

Wij kwamen in een kamer vol boeken en papieren; een heer, voor een schrijftafel gezeten, en een ander in een zwarten toga en met een pruik op, die verscheidene blauwe zakken in zijn hand had, was met hem in gesprek.

Met een paar woorden vertelde hij, die ons was voorgegaan, wie wij waren en de beide heren beschouwden ons toen van het hoofd tot de voeten.

--Wie van u beiden is het kind dat door Barberin is opgevoed? vroeg de heer, die voor de schrijftafel gezeten was, in het Frans.

Toen ik Frans hoorde spreken, voelde ik mij weer geruster en ik deed een stap voorwaarts.

--Dat ben ik, mijnheer.

--Waar is Barberin?

--Die is dood.

De beide heren zagen elkaar een ogenblik aan; toen ging hij, die de pruik op had, heen. Hij nam de zakken mee.

--Hoe zijt ge dan hier gekomen? vervolgde de heer, die begonnen was met ons te ondervragen.

--Te voet tot Boulogne en van Boulogne naar Londen met een stoomboot; wij zijn pas aangekomen.

--Heeft Barberin u geld gegeven?

--Wij hebben Barberin niet gezien.

--Maar hoe wist gij dan, dat gij hier moest wezen?

Ik vertelde hem zo kort mogelijk wat hij verlangde te weten.

Ik verlangde op mijn beurt enige vragen te stellen, die mij op de lippen brandden, maar ik kreeg er de tijd niet toe.

Ik moest vertellen hoe ik grootgebracht was door Barberin, hoe ik door deze aan Vitalis was verkocht, hoe ik, na de dood van mijn meester, door de familie Acquin was opgevangen, hoe de vader in de gevangenis was gebracht wegens schuld en hoe ik daarop mijn bedrijf als rondreizend muzikant weer had voortgezet.

Terwijl ik vertelde, maakte de heer enige aantekeningen en zag hij mij aan op een wijze, die mij hinderde; hij had dan ook een stug voorkomen en iets schurkachtigs in zijn glimlach.

--En wie is die jongen? vroeg hij, naar Mattia wijzend met de punt van zijn stalen pen, alsof hij hem die als een spies naar het hoofd wilde werpen.

--Een vriend, een makker, een broeder.

--Heel goed; dus maar een kennis, onderweg opgedaan, niet waar.

--Neen, de beste, de innigste broederlijke vriend.

--O, daar twijfel ik niet aan.

Het ogenblik scheen mij nu gekomen om eindelijk ook de vraag te stellen, die mij van het begin van ons gesprek af op de lippen had gelegen.

--Woont mijn familie in Engeland, mijnheer?

--Zeker; ze woont in Londen, tenminste voor het ogenblik.

--Dus zal ik haar zien?

--Over enige ogenblikken zult gij bij hen zijn. Ik zal er u heen laten brengen.

Hij belde.

--Nog een enkel woord, als ik mag: heb ik een vader?

Slechts met moeite kon ik dit woord uitspreken.

--Niet alleen een vader, maar een moeder, broers en zusters.

--O, mijnheer....

--Maar de deur ging open en dit maakte dat ik mijn gevoel moest bedwingen; ik kon slechts met betraande ogen Mattia aanzien.

De heer zei in het Engels iets tot de man die binnenkwam en ik meende eruit te begrijpen, dat hij hem vroeg ons te begeleiden.

Ik was opgestaan.

--O, ik vergat het u nog te zeggen, sprak de heer; uw naam is Driscoll; zo heet uw vader.

Ondanks zijn stug voorkomen had ik hem wel om de hals kunnen vallen, als hij mij er de gelegenheid toe gelaten had, maar hij wees met de hand naar de deur en wij gingen heen.

AodW33b.jpg