Alleen op de wereld/Hoofdstuk IX

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk IX) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie


IK ONTMOET EEN REUS MET ZEVENMIJLS LAARZEN[bewerken]

AodW09a.jpg

Toen wij het dorre en onvruchtbare landschap verlaten hadden, daalden wij naar het schone en liefelijke dal van de Dordogne, dat wij bij kleine dagreizen doortrokken, want een rijk land bevat welgestelde burgers en daar onze voorstellingen zeer talrijk waren, stroomde het geld in Capi's bakje.

Een bevallige brug, die in de nevel ons toescheen aan herfstdraden te hangen, strekt zich boven een brede rivier uit, die rustig tussen haar boorden voortkabbelt; het is de brug van Cubzac en de rivier is de Dordogne.

Een oude bouwvallige stad met grachten en wallen, met torens en een klooster, omheind door ingestorte muren, met bosjes waarin de cicaden zich onophoudelijk doen horen--dat is Saint-Emilion.

Maar dat alles staat mij slechts onbestemd voor den geest, terwijl een ander schouwspel mij veel meer getroffen heeft, en zulk een diepe indruk op mij maakte, dat ik het mij nog levendig herinneren kan.

Wij hadden de nacht in een zeer arm dorp doorgebracht, dat wij de volgende dag reeds bij het aanbreken van de dag verlieten. Geruime tijd hadden wij een zandweg gevolgd, toen wij plotseling, in plaats van de wingerden, die de weg omzoomden, een open vlakte voor ons zagen, alsof eensklaps, door een toverstaf, een gordijn was opgetrokken.

Een brede rivier kronkelde zich zachtjes om de heuvel, die wij bestegen, en aan gindse zijde van die rivier verhieven zich de daken en torens van een grote stad, waarvan de grens met de horizon samensmolt. Wat een huizen! Wat een schoorstenen! De een nog hoger en nauwer dan de ander. Zij stonden daar als pilaren, die een zwarte rookkolom deden opstijgen, prijsgegeven aan de luimen van een lichte bries, en boven de stad pakten zij zich tot een donkere wolk samen. Middenop die rivier en aan de kade lagen een aantal schepen, die als bomen van een woud zich verhieven, waarvan tuig en masten, zeilen en vlaggen in elkaar grepen en zich verwarden, wanneer de wind er onder speelde. We hoorden een dof gedreun, het geluid van rammelend ijzer en zware hamerslagen, terwijl daar bovenuit onafgebroken het ratelen van rijtuigen klonk, die men in zijn verbeelding over de kade zag rijden.

--Dat is Bordeaux, sprak Vitalis.

Voor een kind, dat een opvoeding genoten had als ik, en tot nog toe slechts arme dorpen of kleine steden had gezien, was het alsof het plotseling in een toverwereld verplaatst werd.

Onwillekeurig bleef ik stilstaan en staarde ik strak voor mij uit.

Maar weldra werd mijn blik toch door één punt geboeid: de rivier en de schepen, die haar bedekten. Ik had mij nooit een voorstelling daarvan gemaakt en ik begreep er ook niets van.

Schepen in volle zeilen zakten langzaam de rivier af, bevallig overhellend naar de ene zijde, terwijl andere vaartuigen de rivier opvoeren; ook zag ik er sommige die onbeweeglijk bleven liggen, alsof zij een eiland waren, en nog anderen weer, die om zich zelf heendraaiden, zonder dat ik kon zien, waardoor zij deze wendingen maakten; eindelijk waren er ook zonder masten, zelfs zonder zeilen, maar die hadden een schoorsteen, waaruit een dwarrelende kolom van rook ten hemel steeg; deze bewogen zich met grote snelheid in alle richtingen en lieten in het gelige water voren van wit schuim achter.

--Het is thans vloed, zei Vitalis, mij het antwoord gevende, zonder dat ik hem de vraag gedaan had; er zijn daaronder schepen, die uit volle zee komen en een lange reis achter den rug hebben; deze zijn verkleurd en bijna verroest; er zijn anderen die eerst de haven verlaten, in het midden van de rivier liggen, om zich zelf draaien en met behulp van hun ankers steeds den steven bieden aan den opkomenden vloed. Die welke zoveel rook geven zijn sleepboten.

Wat een vreemde woorden waren dit voor mij! Wat een nieuwe ideeën!

Toen wij de brug bereikt hadden, die La Bastide met Bordeaux verbindt, had Vitalis de tijd nog niet gehad om mij zelfs maar op een honderdste gedeelte van mijn vragen, die ik hem wilde stellen, een antwoord te geven.

Tot nog toe was ons verblijf in dorpen nooit van lange duur geweest, want door de aard van onze voorstellingen waren wij wel genoodzaakt dagelijks een andere plaats te zoeken, om telkens een nieuw publiek te hebben. Met de acteurs waaruit “de troep van de illustere signor Vitalis” bestond, kon ons repertoire niet erg gevarieerd zijn, en als we ‘’De knecht van mijnheer Joli-Coeur’’, ‘’De dood van de generaal’’, ‘’De triomf van het recht’’, ‘’De gezuiverde zieke’’ en nog drie of vier stukken gespeeld hadden, dan hadden onze acteurs al hun kunnen getoond, en dan moesten we elders opnieuw beginnen met ‘’De gezuiverde zieke’’ of ‘’De triomf’’ voor een publiek dat die stukken nog niet had gezien.

Maar Bordeaux was een grote stad, waar wij dikwijls van publiek konden verwisselen en gerust drie of vier voorstellingen konden geven, zonder dat de toeschouwers ons zouden uitfluiten, zoals ons in Cahors was overkomen.

- Is het dan altijd hetzelfde?

Van Bordeaux zouden wij naar Pau gaan. Ons reisplan voerde ons over dat uitgestrekte moeras, dat van de haven van Bordeaux zich tot aan de Pyreneeën uitstrekt en Les Landes heet.

Hoewel ik niet het muisje uit de fabel ben, dat bij alles wat het ziet verbaasd is of zijn verwondering en schrik daarover te kennen geeft, kreeg ik toch bij het begin van de reis een schrik, die mijn meester dikwijls deed lachen en tot aan Pau mij met zijn spot vervolgen deed.

Het was zeven of acht dagen nadat wij Bordeaux verlaten hadden en nadat wij eerst de oevers van de Garonne gevolgd waren, verlieten wij deze en sloegen den weg naar Mont-de-Marsan in, die door de vlakte voerde. Geen wingerden of weilanden waren het thans, die ons oog bekoorden, maar bossen van pijnbomen en heidevelden. De huizen werden zelfs al spoedig zeldzamer en armer. Daarop bereikten wij een onmetelijke vlakte, die zo ver onze blik reikte, zich zacht-golvend voor ons uitstrekte. Geen bouwland, geen bos, maar een grijsachtige bodem in de verte, en langs den weg, bedekt met een zacht mos, dorre struiken en door de wind geknakt kreupelhout.

--Hier zijn we in Les Landes, zei Vitalis; wij moeten thans nog twintig of vijfentwintig mijl door deze woestijn afleggen. Je mag je benen dus wel wat moed inspreken.

Niet alleen mijn benen, maar ook mijn hoofd en hart hadden daaraan behoefte; want op deze weg, die nooit scheen te eindigen, werd men door een onbestemd gevoel van weemoed, ja van wanhoop aangegrepen.

Sedert die tijd heb ik verscheidene zeereizen gemaakt, en als ik mij middenop de oceaan bevond, zonder een zeil in het gezicht, maakte zich altijd weer diezelfde onbeschrijfelijk zwaarmoedige stemming van mij meester, die ik in deze verlaten streek gevoeld had.

Net als op de oceaan, zochten onze ogen langs de horizon die verdween in de dampen van de herfst, en we zagen alleen een grijze eentonige vlakte voor ons.

Wij liepen steeds voort. EN als we om ons heen keken, leek het wel of wij geen voortgang makten, want het uitzicht was steeds hetzelfde, steeds heide, steeds brem, steeds mos, en dan varens waarvan de bewegelijke bladeren golfden in de wind.

Nu en dan werd onze tocht afgewisseld door een klein groepje bomen, maar deze gaven aan het landschap geen vrolijker karakter. Het waren gewoonlijk pijnbomen, waarvan de takken aan de top waren afgesneden. Over de helen bast waren diepe insnijdingen gemaakt en uit die rode wonden droop het witte gekristalliseerde sap. Als de wind bij vlagen door de takken suisde, veroorzaakte hij een klagend geluid, alsof de arme gepijnigde bomen zelf over hun wonden treurden.

Vitalis had mij gezegd, dat wij die avond een dorp zouden bereiken, waar wij een nachtverblijf konden vinden. Maar toen de avond naderde, bespeurden wij niets, dat ons de nabijheid van een dorp deed vermoeden: geen bouwland, noch grazend vee, noch rook, die uit een huis opsteeg.

Wij hadden een hele dag gelopen; ik was doodmoe en een gevoel van uitputting had zich van mij meester gemaakt. Zou dat vurig gewenste dorp dan nooit op dezen oneindig lange weg verschijnen?

Hoe ik ook rondstaarde, ik zag niets anders om mij heen dan de vlakte, waarvan het lage kreupelhout al meer en meer verdween in de toenemende duisternis.

Het verlangen naar rust had ons de pas doen versnellen en mijn meester zelf, hoewel hij gewend was verre tochten te maken, scheen vermoeid te zijn. Hij wilde zelf een ogenblik aan de kant van de weg gaan rusten.

Maar in plaats dat ik mij naast hem zette, beklom ik een kleine heuvel, die met bremstruiken begroeid was en zich op geringe afstand van ons verhief, om te zien of ik niet enig licht kon ontdekken.

Ik riep Capi om met mij mee te gaan; maar Capi was ook moe en hij deed alsof hij niet hoorde, wat zijn gewoonte was tegenover mij, als hij geen lust gevoelde om mij te gehoorzamen.

--Ben je bang? vroeg Vitalis.

Deze woorden deden mij besluiten om niet langer aan te dringen en ik ging alleen op mijn ontdekkingstocht uit: ik wilde me ook niet langer de spot van mijn meester laten welgevallen, daar ik in het minst geen angst gevoelde.

Het was echter geheel donker geworden; de maan scheen niet, maar enige sterren flikkerden aan het uitspansel en verspreidden een flauw schijnsel, waardoor de lichte nevelen zichtbaar waren.

Terwijl ik voortliep en nu eens rechts dan links blikte, bemerkte ik, dat deze nevelachtige schemering een zonderlingn vorm aan alle dingen gaf; ik moest er goed over nadenken, eer ik het kreupelhout, de bremstruiken en vooral de lage bomen kon onderscheiden; zij leken van verre allen op levende wezens, die deel uitmaakten van een toverwereld.

Dat was vreemd en het scheen, dat in de schemering de vlakte een verandering ondergaan had en zij met geheimzinnige wezens bevolkt was.

De gedachte kwam in mij op, waarom weet ik zelf niet, dat een ander in mijn plaats misschien bang zou geworden zijn; dat was zeer wel mogelijk, daar Vitalis mij gevraagd had of ik vrees koesterde; toch voelde ik voor mezelf in het minst geen vrees.

Naarmate ik hoger klom, werden de bremstruiken ook groter en het hout krachtiger; de toppen van de bomen reikten zelfs dikwijls boven mijn hoofd en ik was vaak genoodzaakt mij te bukken.

Toch had ik spoedig de top bereikt. Maar hoe ik ook om mij heen staarde en zocht, ik bespeurde nergens enig licht. Mijn blik verloor zich in de duisternis: slechts onbestemde vormen, zonderlinge gedaanten, bremstruiken, die hun takken naar mij schenen uit te strekken alsof het lange beweegbare armen waren, soms dansende struiken schenen.

Toen ik niets kon ontdekken dat mij de nabijheid van een of ander dorp deed vermoeden, luisterde ik met ingehouden adem of soms enig geluid, het loeien van een koe of het blaffen van een hond, een boerenwoning mocht verraden.

Nadat ik geruime tijd met gespannen aandacht alles had waargenomen, voer plotseling een rilling mij door de leden; de stilte, welke in Les Landes heerste, deed mij huiveren, maakte mij angstig. Waarom? Dat wist ik zelf niet. Zeker was het mijn eenzaamheid en het nachtelijk uur. In ieder geval, ik gevoelde dat ik in gevaar verkeerde.

Op hetzelfde ogenblik, dat ik in de grootste angst om mij heen staarde, bemerkte ik dat een lange gedaante, die boven de struiken uitstak, zich snel voortbewoog en tegelijkertijd hoorde ik iets in het kreupelhout ritselen.

Ik trachtte mezelf wijs te maken, dat dit het gevolg was van mijn vrees en dat hetgeen ik voor een schim hield niets anders dan een struik was, die mijn aandacht in het eerst was ontgaan.

Het was volkomen windstil. Zelfs de kleinste takken bewegen zich niet vanzelf; het moest, zo niet de wind, dan een mens zijn, die ze heen-en-weer deed gaan.

Een mens?

Nee, dat grote zwarte lichaam, dat mij naderde, kon geen mens zijn; eerder een dier dat ik nog niet kende, een reusachtige nachtvogel, of een grote spin op vier poten, waarvan de tengere ledematen zich boven het hout en de struiken verhieven en tegen den bleken hemel afstaken.

Deze gedachte deed mij mijn krachten herwinnen. Ik keerde mij om en snelde de berg af om mij weer bij Vitalis te voegen.

Maar, zonderling, ik daalde minder snel, dan ik gestegen was; ik verwarde mij telkens tussen het hakhout en wondde mij gedurig aan de takken, hetgeen mij noodzaakte bij elke schrede stil te staan.

Terwijl ik mij in een bosje verschool, wierp ik een blik achter mij: het dier naderde nog altijd; het kwam op mij af.

Gelukkig was het kreupelhout aanmerkelijk verminderd en kon ik dus over het gras harder lopen.

Maar hoe ik mij ook haastte, het dier liep nog sneller, ik behoefde niet eens meer om te zien, ik voelde het reeds in mijn rug.

Ik haalde geen adem meer, ik stikte bijna van angst en van het harde lopen; ik waagde toch nog een laatste poging en viel voor de voeten van mijn meester neder, terwijl de drie honden, die zich plotseling hadden opgericht, hardop blaften.

Ik herhaalde werktuigelijk slechts twee woorden:

--Het beest! het beest!

Onder het blaffen van de honden hoorde ik plotseling een luid gelach. Op hetzelfde ogenblik voelde ik de hand van mijn meester op mijn schouder rusten en dwong hij mij om mij om te keren.

--Je bent zelf een sufferd (een woordspeling met beest); kijk eens om, als je durft.

Zijn lach meer nog dan zijn woorden, hadden mij weer tot mezelf gebracht; ik opende mijn ogen en volgde de richting van zijn hand.

De verschijning, die mij zoveel angst had aangejaagd, was stil blijven staan; zij stond onbeweeglijk op den weg.

Toch voelde ik nog enige vrees en schrik, dat moet ik bekennen, maar ik was niet meer alleen op de vlakte; Vitalis was bij mij; de honden stonden naast mij; de stilte en de eenzaamheid hadden nu haar invloed op mij verloren.

Ik vatte moed en staarde flink in het rond.

Was het een dier?

Was het een mens?

Het had een menselijk lichaam en ook een hoofd en armen.

Het had echter de harige huid van een dier en twee lange, magere poten waarop het stond.

Hoewel het stikdonker was, kon ik die bijzonderheden toch onderscheiden, want deze grote gedaante tekende zich zwart af gelijk een silhouet tegen de hemel, waar talloze sterren een zacht schijnsel verspreidden.

Waarschijnlijk zou het lang geduurd hebben eer ik mezelf op mijn vraag enig antwoord had kunnen geven, zo mijn meester niet het woord tot de gedaante gericht had.

--Kunt u mij ook zeggen of wij nog ver van een dorp verwijderd zijn? vroeg hij.

Het was dus een mens, daar men tot hem spreken kon?

Maar tot antwoord hoorde ik niets dan een scherpe lach gelijk aan het geschreeuw van een vogel.

Het was dus een dier?

Mijn meester ging echter voort met vragen, hetgeen ik als zeer onverstandig van hem beschouwde, want ieder weet, dat al mogen dieren soms hetgeen men zegt begrijpen, zij toch nooit kunnen antwoorden.

Hoe groot was dus mijn verbazing toen het dier zei, dat er geen enkel huis in onze omgeving was, maar slechts een schaapskooi, waarheen hij ons wilde geleiden.

Hij sprak, maar hoe kwam het dan dat hij poten had?

Indien ik gedurfd had, zou ik hem zijn genaderd, om te zien hoe zijn poten gemaakt waren, en hoewel hij in het geheel niet boosaardig scheen, had ik toch daartoe de moed niet. Ik pakte de zak op en volgde mijn meester zonder iets te zeggen.

--Heb je nu gezien, wat je zoveel schrik heeft aangejaagd? vroeg hij me onderweg.

--Ja, maar ik weet niet wat het is; zijn er dan reuzen in dit land?

--Ja, wanneer zij op stelten lopen.

Hij vertelde mij toen dat de bewoners van Les Landes, om de moerassige en zandige streken te doorkruisen zonder tot aan de heupen toe door het slijk te baggeren, gebruikmaken van lange stokken die van een beugel voorzien zijn en waarop zij hun voeten bevestigen.

--Op deze wijze worden zij voor bange kinderen reuzen met zevenmijlslaarzen.

AodW09b.jpg