Alleen op de wereld/Hoofdstuk XIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk XIII) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie


EEN VONDELING[bewerken]

AodW13a.jpg

Gedurende deze reis was de tijd zeer snel gegaan en de dag was bijna aangebroken, waarop mijn meester de gevangenis zou verlaten.

Naarmate wij ons meer en meer van Toulouse verwijderden, werd de gedachte daaraan voor mij kwellender.

Het was zo heerlijk op een schip te zijn, zo geheel zonder zorg of kommer; maar ik moest terugkeren en de weg, die ik op het water had afgelegd, moest ik lopend teruggaan.

Dat zou minder prettig wezen; ik zou dan geen zacht bed meer hebben, geen melk drinken of taartjes eten en ‘s avonds nooit meer in zulk een gezellige kring doorbrengen.

Maar het meest speet mij toch, dat ik Arthur en mevrouw Milligan zou moeten verlaten; ik zou hun liefde niet langer ondervinden en ook hen verliezen, zoals ik moeder Barberin reeds verloren had. Zou ik dan altijd, wanneer ik van iemand hield, op zulk een wrede wijze gescheiden worden van hen, met wie ik mijn ganse leven zou willen doorbrengen?

Ik moet bekennen, dat dit de enige sombere gedachte was, die in deze gelukkige dagen bij mij opwelde.

Eindelijk op een morgen, besloot ik mijn verdriet aan mevrouw Milligan te vertellen en haar te vragen in hoeveel tijd ik naar Toulouse zou kunnen terugkeren, want ik wilde graag voor de deur van de gevangenis staan, als mijn meester die zou verlaten.

Toen ik van vertrekken sprak, begon Arthur te protesteren.

--Remi mag niet vertrekken! riep hij.

Ik antwoordde, dat ik mijn eigen baas niet was, dat ik aan mijn meester behoorde, aan wie mijn ouders mij verhuurd hadden en dat ik weer bij hem in dienst moest gaan, zodra hij mij nodig had.

Ik sprak van mijn ouders, zonder te zeggen, dat zij mijn vader en mijn moeder niet waren, want dan zou ik ook hebben moeten bekennen, dat ik slechts een vondeling was; en die schande te vertellen, kon ik niet over mij verkrijgen, daar ik altijd onnoemelijk veel geleden had, als ik zag, hoe de kinderen uit het gesticht in ons dorp behandeld werden. Een vondeling! Het scheen mij toe, dat er geen ellendiger wezens op deze wereld waren. Mijn meester wist, dat ik een vondeling was, maar hij was mijn meester, en toch zou ik liever op de plaats zelf dood zijn neergevallen, dan aan mevrouw Milligan en Arthur, die mij in hun kring hadden opgenomen, bekend te hebben, dat ik een vondeling was; zouden zij mij dan niet met afkeer verstoten hebben?

--Mama, gij moet Remi hier houden, vervolgde Arthur, die, als het niet zijn werk betrof, het meest te zeggen had en alles van haar verkreeg, wat hij verlangde.

--Ik zou Remi graag bij ons willen houden, antwoordde mevrouw Milligan, gij houdt veel van hem en ook ik ben hem zeer genegen; maar om hem bij ons te houden, moeten wij het eerst omtrent twee voorwaarden eens zijn, die van u noch van mij afhankelijk zijn. In de eerste plaats: wil Remi bij ons blijven....

--O, Remi wil wel, viel Arthur haar in de rede; niet waar Remi, gij wilt liever niet naar Toulouse terugkeren?

--Ten tweede, vervolgde mevrouw Milligan, zonder mijn antwoord af te wachten, moet zijn meester eerst van de rechten, die hij op hem heeft, afstand doen.

--Remi, Remi in de eerste plaats, viel Arthur haar in de rede.

Vitalis was ontegenzeglijk een goed meester voor mij geweest en ik was hem ook oprecht dankbaar voor zijn lessen, maar er was geen vergelijking te maken tussen het leven dat ik bij hem leidde en het leven dat mevrouw Milligan mij aanbood; ook zou ik moeilijk een vergelijking kunnen maken tussen de genegenheid die ik voor Vitalis voelde en die, welke mevrouw Milligan en Arthur mij inboezemden. Als ik daaraan dacht, dan zei ik wel tot mezelf, dat het slecht van mij was om die vreemde mensen boven mijn meester te stellen, maar het was de waarheid; ik hield innig veel van mevrouw Milligan en Arthur.

--Voordat Remi hierop antwoordt, vervolgde zij, moet hij goed bedenken, dat het geen leven van louter plezier is, dat ik hem aanbied, maar dat hij wel degelijk moet werken; hij moet studeren en Arthur in al zijn lessen volgen; hij moet dit wel in overweging nemen en vergelijken met de vrijheid can het leven op de weg.

--Dit kan niet tegen elkaar opwegen, mevrouw, dat verzeker ik u en ik begrijp volkomen welk een waarde uw voorstel voor mij heeft.

--Ziet gij nu wel, mama! riep Arthur, Remi wil wel.

En hij klapte in zijn handen van genoegen. Blijkbaar had ik hem uit de ongerustheid geholpen, want toen zijn moeder van werken en boeken sprak, had hij angstiger gekeken. Als ik eens weigerde! Deze vrees moet zeer groot bij hem geweest zijn, daar hij een afkeer had van boeken. Gelukkig echter koesterde ik niet dezelfde angst. ik had geen afkeer van boeken, ze trokken mij juist aan. Ik had er weliswaar nog niet veel gelezen, maar de boeken die men mij gegeven had, hadden mij altijd meer genot dan verdriet verschaft. Het aanbod van mevrouw Milligan maakte mij dan ook zeer gelukkig en ik meende het oprecht, toen ik haar bedankte voor haar edelmoedigheid. Ik behoefde dus Le Cygne niet te verlaten en van dit heerlijk leven zou ik geen afscheid nemen; ik behoefde van Arthur en zijn moeder niet te scheiden.

--Wij hebben nu nog slechts de toestemming van zijn meester nodig, ging mevrouw Milligan voort; ik zal hem schrijven en zeggen, dat hij ons te Sète vinden kan, Want wij kunnen niet meer naar Toulouse terugkeren; ik zal hem de reiskosten overmaken en wanneer ik hem uitgelegd heb, waarom wij niet met de trein kunnen gaan, dan hoop ik, dat hij mijn uitnodiging zal aannemen. Als hij mijn voorstel goedkeurt, dan hoef ik het nog maar met Remi's ouders eens te worden, want ook zij moeten hierin geraadpleegd worden.

Tot nog toe was het gesprek voor mij geheel naar wens gelopen; het was alsof een goede fee mij met haar staf had aangeraakt; maar deze laatste woorden brachten mij op een wrede wijze tot de werkelijkheid terug.

Mijn ouders raadplegen!

Ongetwijfeld zouden deze alles vertellen, wat ik verzwijgen wilde. De waarheid zou aan het licht komen. Een vondeling!

Dan zou Arthur noch zijn moeder mij meer willen kennen; dan zou de genegenheid, die zij voor mij hadden opgevat, geheel verdwijnen; de herinnering aan mij zou hun zelfs onaangenaam worden. Arthur zou met geen vondeling gespeeld hebben; deze zou nooit zijn makker, zijn vriend, bijna zijn broer zijn geweest.

Ik stond als vastgenageld aan de grond.

Mevrouw Milligan zag mij uiterst verbaasd aan. Zij wilde, dat ik spreken zou, maar ik durfde haar vragen niet beantwoorden; toen meende zij echter zeker, dat de gedachte aan de naderende komst van mijn meester mij zo aandeed, want zij drong niet langer bij mij aan.

Gelukkig vond dit gesprek 's avonds plaats, een paar uur voordat wij naar bed gingen; ik kon mij dus spoedig aan de nieuwsgierige blikken van Arthur onttrekken en mij in mijn hut met mijn angsten en zorgen opsluiten.

Dat was mijn eerste slapeloze nacht, dien ik op Le Cygne doorbracht.

Wat zou ik zeggen? wat moest ik doen?

Ik vond geen uitkomst.

En nadat ik honderdmaal van gedachten veranderd was, de meest tegenstrijdige denkbeelden elkaar waren opgevolgd, kwam ik eindelijk tot het besluit niets te doen en niets te zeggen. Ik zou alles zijn gewone gang laten gaan en mij aan mijn lot onderwerpen, wat er ook gebeuren mocht.

Misschien wilde Vitalis geen afstand van mij doen en dan zou de waarheid ook nooit bekend worden.

En ik was zo bang dat de waarheid aan het licht zou komen, dat ik zelfs begon te hopen, dat Vitalis het voorstel van mevrouw Milligan niet aannemen zou.

Ik moest van Arthur en zijn moeder scheiden, om ze nooit weer te zien, maar in elk geval mochten zij geen onaangename herinnering aan mij houden.

Drie dagen later ontving mevrouw Milligan een brief van mijn meester. In een paar regels schreef hij dat hij de eer zou hebbende uitnodiging van mevrouw Milligan aan te nemen en dat hij de daaropvolgende zaterdag met de trein van twee uur in Sète zou komen.

Ik vroeg aan mevrouw Milligan verlof om naar het station te gaan, en met de honden en Joli-Coeur wachte ik op de aankomst van onze meester.

De honden waren onrustig, alsof zij enig vermoeden hadden van wat er gebeuren zou. Joli-Coeur was onverschillig en ik zelf voelde mij geducht zenuwachtig. Er zou thans een beslissing over mijn leven genomen worden. O, als ik maar gedurfd had, hoe gaarne zou ik Vitalis gesmeekt hebben, niet te vertellen, dat ik een vondeling was.

Maar dat durfde ik niet, en steeds weer kwam dat een woord “vondeling” bij me op, ik kon het niet van me afzetten.

Ik was in een hoekje van het station gaan staan; met mijn drie honden aan een touw naast mij en Joli-Coeur onder mijn jas, wachtte ik hem daar op, zonder acht te slaan op hetgeen om mij heen gebeurde.

De honden waarschuwden mij, dat de trein aangekomen was, en zij onze meester geroken hadden. Plotseling voelde ik mij voorttrekken en daar ik niet op mijn hoede was, ontsnapten de honden mij. Zij renden vrolijk blaffend van me weg en al gauw zag ik ze tegen Vitalis opspringen op toe, die, in zijn bekende kostuum, verschenen was. Capi was reeds in zijn armen gesprongen en Zerbino en Dolce klauterden tegen zijn benen op.

Ik ging thans op mijn beurt naar hem toe, en toen Vitalis Capi op de grond had gezet, drukte hij mij in zijn armen. Dit deed hij voor de eerste maal en hij prevelde herhaaldelijk:

--Buon di, povero caro!

Mijn meester had mij nooit mishandeld, maar hij was toch ook nooit bijzonder zacht tegen mij geweest en ik was dergelijke ontboezemingen niet van hem gewoon; zij troffen mij dus te sterker en de tranen stonden in mijn ogen, want ik was in een toestand, waarin het hart zich spoedig ontsluit.

Ik zag hem aan en ik bespeurde, dat hij in de gevangenis veel verouderd was; hij ging lang zo recht niet meer; zijn houding was gebogen, de blos was van zijn wangen verdwenen en zijn lippen waren kleurloos.

--Nou je vindt mij veranderd, niet waar? De gevangenis is een slecht verblijf en de verveling een kwade ziekte; maar dat zal nu allemaal wel overgaan.

Hij veranderde van onderwerp:

--Hoe heb je die dame leren kennen, die mij geschreven heeft?

Toen vertelde ik hem mijn ontmoeting met Le Cygne en hoe ik sedert die tijd bij mevrouw Milligan en Arthur geleefd had, wat wij gezien en gedaan hadden.

Mijn verhaal duurde zeer lang, daar ik bang was om aan het einde te komen en onderweg te spreken over hetgeen mij zoveel angst aanjoeg; want ik zou nooit aan mijn meester durven zeggen, dat ik hem verlaten wilde, om bij mevrouw en Arthur te blijven.

Maar ik hoefde hem deze bekentenis nooit te doen, want wij waren het hotel genaderd, waar mevrouw Milligan haar intrek genomen had, vóór dat ik mijn verhaal had geëindigd. Vitalis sprak bovendien helemaal niet over de brief, die hij had ontvangen, en ook niet over het voorstel, dat zij hem waarschijnlijk daarin gedaan had.

--En die dame wacht op mij? vroeg hij, toen wij het hotel binnentraden.

--Ja, ik zal u naar haar kamer brengen.

--Dat is niet nodig, zeg mij het nummer maar; dan kunt je hier met Joli-Coeur en de honden op mij wachten.

Als mijn meester iets zei, dan was ik niet gewoon hem tegen te spreken; toch waagde ik een opmerking en verzocht hem opnieuw, hem naar mevrouw Milligan te mogen vergezellen, wat mij niet meer dan billijk en natuurlijk toescheen; maar met een wenk, legde hij mij het zwijgen op en ik moest hem wel gehoorzamen. Ik bleef in de gang, met de honden bij mij, op een bank wachten. Zij wilden hem ook volgen, maar zij durfden evenmin zich verzetten als ik: Vitalis wist gehoorzaamd te worden.

Waarom wilde hij niet, dat ik tegenwoordig zou zijn bij het onderhoud, dat hij met mevrouw Milligan hebben zou? Dit vroeg ik mezelf gedurig af en ik beschouwde deze vraag van alle zijden. Ik had er zelfs nog geen antwoord op gevonden, toen ik hem reeds zag terugkomen.

--Ga van deze dame afscheid nemen, zei hij; ik wacht hier op je, binnen tien minuten zijn wij vertrokken.

Ik was buiten mezelf van schrik.

--Welnu, hervatte hij na een ogenblik, begrijp je me niet? Je blijft daar staan, alsof je stom bent: schiet op!

Het was zijn gewoonte niet om mij op zo'n harde toon toe te spreken, en zolang ik bij hem was, had hij nog nooit zo iets tegen mij gezegd.

Ik stond op om werktuiglijk, zonder hem te begrijpen, hem te gehoorzamen.

Maar toen ik enige schreden gedaan had, vroeg ik hem:

--U hebt dus gezegd....

--Ik heb gezegd, dat jij mij van dienst bent en dat ik jou van het hoogste nut ben; dus, dat ik niet van plan was, om van mijn rechten afstand te doen; ga en kom spoedig terug.

Dat gaf mij weer enige moed, want ik Was mij sterk bewust van het feit dat ik een vondeling was en ik vreesde, dat wij binnen tien minuten vertrokken moesten zijn, omdat mijn meester mijn geboorte had verteld.

Toen ik binnentrad, vond ik Arthur in tranen, terwijl mevrouw Milligan zich over hem heenboog, om hem te troosten.

--Gij gaat immers niet vertrekken, Remi! riep Arthur uit.

Mevrouw Milligan antwoordde hem in mijn plaats en vertelde hem, dat ik gehoorzamen moest.

--Ik heb uw meester verzocht u bij ons te mogen houden, zei zij, op een toon, die mij de tranen in de ogen deed komen, maar hij wilde er niet in toestemmen en niets heeft hem van zijn besluit kunnen afbrengen.

--Het is een slechte man! riep Arthur.

--Neen, het is beslist geen slechte man, sprak zijn moeder; gij zijt hem van dienst en ik geloof bovendien, dat hij veel van u houdt. Uit zijn spreken kan men opmaken, dat hij een fatsoenlijk man is en dat hij het vroeger stellig beter gehad heeft. Om mij zijn weigering te verklaren, zei hij: “ik houd van dat kind en hij van mij; het leven dat hij bij mij leidt is hem van meer nut dan de dienstbaarheid waarin hij, ondanks uzelf, bij u verkeert. U zou hem laten leren en een rijke opvoeding geven, dat is waar; u zou zijn geest vormen, maar niet zijn karakter. Hij kan uw zoon niet zijn; hij zal de mijne zijn; dat is beter voor hem, dan dat hij de speelbal van uw zieke kind is, en hoe goed en braaf deze knaap mij ook schijnt, ik zal hem ook een opvoeding geven."

--Maar hij is toch de vader niet van Remi! riep Arthur.

--Hij is zijn vader niet, daar hebt gij gelijk in, maar hij is zijn meester en Remi behoort hem toe, daar zijn ouders hem verhuurd hebben. Voor het ogenblik moet Remi hem gehoorzamen.

--Remi mag niet vertrekken.

--Hij moet zijn meester volgen, maar ik hoop slechts voor korte tijd. Wij zullen aan zijn ouders schrijven en ik zal het met hen wel in orde maken.

--O, nee! riep ik uit.

--Wat, niet?

--O, nee, als ‘t u blieft, niet!

--Dat is toch het enige middel, mijn jongen.

--Och, doe dat niet!

Als mevrouw Milligan niet van mijn ouders gesproken had, zou mijn afscheid langer geduurd hebben dan de tien minuten die mijn meester me had toegestaan.

--Zij wonen te Chavanon, niet waar? vervolgde zij.

Zonder haar te antwoorden, ging ik naar Arthur. Ik nam hem in mijn armen, kuste hem herhaaldelijk en in mijn kus lag al de broederlijke genegenheid, die ik voor hem gevoelde. Ik rukte mij toen uit zijn omhelzing los en ging naar zijn moeder. Ik knielde voor haar neer en drukte een kus op haar hand.

--Arme jongen! stamelde zij, terwijl zij zich over mij heenboog.

Ze gaf mij een kus op het voorhoofd.

Ik richtte mij toen plotseling op en snelde naar de deur.

--Arthur, ik zal altijd van u blijven houden, zei ik snikkend, en u mevrouw, nooit zal ik u vergeten.

--Remi! Remi! riep Arthur.

Maar ik hoorde niets meer; ik was verdwenen en had de deur achter mij gesloten.

Een ogenblik later stond ik naast mijn meester.

--En nu vooruit! zei hij.

Wij verlieten Sète en sloegen de weg naar Frontignan in.

Zo verliet ik mijn eerste vriend en tal van lotgevallen werden mijn deel, waarvoor ik anders bespaard zou zijn gebleven, indien ik niet het slachtoffer van een afschuwelijk vooroordeel was geweest en mij niet door een dwaze vrees had laten beheersen.

AodW13b.jpg