Alleen op de wereld/Hoofdstuk VIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk VIII) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie


OVER BERG EN DAL[bewerken]

AodW08a.jpg

Wij hebben het zuidelijk gedeelte van Frankrijk doorkruist: Auvergne, Velay, Vivarais, Quercy, Rouergue, Cévennes en Languedoc.

Onze manier van reizen behoorde tot de eenvoudigste: wij liepen steeds recht toe recht aan; en als wij bij een dorp kwamen, dat ons niet al te armoedig scheen, dan maakten wij de nodige toebereidselen tot een feestelijke intocht. Ik kleedde de honden aan, maakte het kapsel van Dolce in orde en doste Zerbino zo fraai mogelijk uit, terwijl ik op Capi's oog een pleister plakte om hem zijn rol van een ouden knorrepot te laten spelen, en eindelijk dwong ik Joli-Coeur om zijn generaalsrok aan te trekken. Dat was nog het moeilijkste gedeelte van mijn taak, want de aap, die zeer goed wist, dat dit kostuum voorafging aan hetgeen hij te verrichten zou hebben, verdedigde zich zolang mogelijk en bedacht de zonderlingste streken om mij het aankleden te beletten. Ik riep dan Capi te hulp en door diens handigheid, instinct en slimheid gelukte het mij meestal hem machtig te worden.

Wanneer wij allen in groot tenue waren, haalde Vitalis zijn fluit te voorschijn en wij trokken dan in geregelde orde het dorp binnen.

Zodra het aantal nieuwsgierigen voldoende was, gaven wij een voorstelling, maar wanneer dit niet talrijk genoeg was om een goede ontvangst te kunnen verwachten, vervolgden wij onze weg.

In de steden echter vertoefden wij enige dagen en 's morgens mocht ik dan gaan wandelen, als ik daar zin in had. Ik nam Capi dan met mij mee -- Capi als gewonehond, zonder zijn comediepakje, drentelde met mij door de straten.

Vitalis die mij gewoonlijk niet van zich weg liet gaan, stond mij echter deze vrijheid gaarne toe.

--Daar het toeval je door Frankrijk voert op een leeftijd, die andere kinderen gewoonlijk op de schoolbanken doorbrengen, moet je trachten alles te zien en te horen. Als je in moeilijkheden bent, iets ziet dat je niet begrijpt, of mij het een of ander te vragen hebt, kom dan gerust bij mij. Misschien kan ik er niet altijd een antwoord op geven, want ik beweer volstrekt niet, dat ik alles weet, maar het is zeer wel mogelijk, dat ik dikwijls aan je nieuwsgierigheid voldoen kan. Ik ben niet altijd directeur van een troep gedresseerde dieren geweest en ik heb wel wat anders geleerd, dat mij nu van pas komt, om Capi en de heer Joli-Coeur aan het geëerde gezelschap voor te stellen.

--Wat dan?

--Dat zal ik je later wel eens vertellen. Voor het ogenblik hoeft je slechts te weten, dat een man met geleerde honden wel eens een heel andere plaats in de wereld kan bekleed hebben. En weet dan ook, dat, al behoor je thans tot een van de laagste standen in de maatschappij, je tot een hogere kunt geraken, wanneer je wilt. Dit hangt een beetje van het toeval af, maar veel van jezelf. Als je naar mijn lessen luistert en mijn raad opvolgt, dan zul je later, als je ouder bent, met een gevoel van genegenheid en dankbaarheid terugdenken aan de arme muzikant, die u zoveel schrik aanjoeg, toen hij je van uw pleegmoeder scheidde; ik verbeeld mij, dat onze ontmoeting uiteindelijk tot jouw geluk leiden moet.

Wat kon die stand wezen, waarover mijn meester dikwijls met zekere geheimzinnigheid sprak? Deze vraag wekte telkens mijn nieuwsgierigheid op en hield mijn geest aanhoudend bezig. Indien hij zulk een hoge betrekking in de maatschappij bekleed had, waarom was hij dan tot zulk een lage afgedaald? Hij beweerde, dat ik mijzelf tot een betere positie kon opwerken, als ik dat wilde; ik, die niets was, niets wist, zonder een bloedverwant of iemand om mij te helpen. Waarom was hij dan zelf zo gedaald?

Nadat wij Auvergne verlaten hadden, hadden wij ons naar de golvende vlakte van Quercy begeven. Geen land is armer en treuriger dan dit. En wat bovendien de indruk, die de reiziger in deze streek ontvangt, nog sterker maakt, is, dat er bijna nergens enig water te bespeuren is. Geen rivier, noch beekje, noch vijver. Hier en daar een steenachtige bedding van een stroom, die thans geheel verlaten was. Het water was in de diepte verdwenen en had zich verborgen onder den grond, om elders op te borrelen en rivieren of fonteinen te vormen.

Midden in deze vlakte, die op het tijdstip, dat wij haar bezochten geheel verzengd was door de droogte, ligt het aanzienlijke dorp La Bastide-Murat; wij brachten daar de nacht door in de schuur van een herberg.

--Hier, zei Vitalis, toen wij 's avonds, vóór we ons naar bed, begaven, nog een ogenblik bleven praten, hier in dit land, wellicht in deze herberg, is een man geboren die duizenden soldaten heeft doen sneuvelen, die zijn loopbaan als staljongen begonnen is, en als vorst en koning haar heeft geëindigd; hij heette Murat; men heeft een held van hem gemaakt en zijn naam aan dit dorp gegeven; ik heb hem gekend en zelfs dikwijls gesproken.

Ik kan niet verhinderen dat ik er een vraag uitflapte.

--Toen hij staljongen was?

--Neen, zei Vitalis lachend, toen hij koning was. Het is voor de eerste maal, dat ik te La Bastide kom en ik heb hem te Napels, te midden van zijn hofhouding, gekend.

--Hebt u een koning gekend?

Ik vermoed, dat de toon waarop ik dit uitriep, zeer dwaas was, want mijn meester barstte in lachen uit.

Wij zaten op een bank voor de stal, met onzen rug tegen de muur geleund, waarop de warmte van de dag afstraalde. In een bosje esdoorns, in de nabijheid, zongen de cicaden een eentonige lied. Vóór ons, hoog boven de daken, steeg de volle maan zachtjes ten hemel. Deze avond was voor ons des te aangenamer, daar de dag brandend heet was geweest.

--Wil je gaan slapen, vroeg Vitalis mij, of zal ik je de geschiedenis van koning Murat vertellen?

--O, de geschiedenis van de koning, graag.

Hij verhaalde mij toen diens levensloop en uren lang bleven wij op die bank zitten; hij vertelde steeds voort, terwijl ik als aan zijn lippen hing en zijn gelaat door het bleke maanlicht beschenen werd.

Was dat alles mogelijk, niet alleen mogelijk, maar waar!

Tot op dat ogenblik had ik in het minst geen begrip gehad wat de geschiedenis eigenlijk was. Wie zou ze mij ooit verteld hebben? Moeder Barberin zeker niet; zij wist het zelf niet. Zij was te Chavanon geboren en zij hoopte daar te sterven. Haar gedachten waren nooit verder gegaan dan haar ogen. En voor haar ogen lag het heelal besloten in het landschap, waar zij de zon zag ondergaan achter de berg Audouze.

Mijn meester had een koning gezien; die koning had tot hem gesproken.

Wat was mijn meester dan toch in zijn jeugd geweest?

En door welke oorzaak was hij op zijn oude dag geworden wat hij thans was?

Men zal mij moeten toegeven, dat dit meer dan voldoende was om een kindergeest bezig te houden, zo vatbaar voor al wat wonderlijk is.