Alleen op de wereld/Hoofdstuk XXVIII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk XXVIII) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie


EEN MUZIEKLES[bewerken]

AodW28a.jpg

Ik had mij in de mijn vrienden gemaakt: zulk een leed tezamen gedragen brengt de harten nader tot elkaar; men lijdt tezamen, men koestert dezelfde hoop, men maakt een geheel uit.

Zowel oom Gaspard als de magister waren mij bijzonder genegen geworden; en hoewel de ingenieur onze gevangenschap niet gedeeld had, had hij zich aan mij gehecht, zoals men onwillekeurig doet aan een kind, dat men aan de dood heeft ontrukt; hij had mij bij zich uitgenodigd en ik moest toen aan zijn dochter een uitvoerig verhaal geven van alles wat er in de zijgang was gebeurd.

Iedereen in Varses wilde mij zien.

--Ik zal een plaats als bikker voor je zoeken, zei oom Gaspard, en dan blijf je bij ons.

--Als je op het kantoor wilt werken, zei de ingenieur, dan zal ik daarvoor zorgen.

Oom Gaspard vond het zeer natuurlijk, dat ik naar de mijn terugkeerde, waarin hij zelf ook spoedig weer zou nederdalen, met die onbezorgdheid van hen, die gewend zijn iedere dag het gevaar te trotseren; maar ik, die zijn zorgeloosheid noch zijn moed bezat, ik was volstrekt niet geneigd om het vak van opperman weer te aanvaarden. Een mijn was heel mooi en bijzonder en ik was blij, dat ik er een gezien had, maar ik had er genoeg van gezien en ik had niet de minste lust om naar de zijgang terug te keren.

Die gedachte alleen joeg mij reeds schrik aan. Ik was bepaald niet geschikt voor onderaardse arbeid; het leven in de open lucht, zelfs met een bewolkte lucht, stond mij meer aan. Dit trachtte ik oom Gaspard en de magister aan het verstand te brengen, waarover de een zeer verbaasd scheen terwijl de ander zich beklaagde, dat ik zo weinig lust voelde om mijnwerker te worden. Carrory, die ik ontmoette, noemde mij een domkop.

De ingenieur kon ik natuurlijk niet antwoorden, dat ik niet onder de grond wilde werken, daar hij mij een plaats op het kantoor aanbood en mij, indien ik goed oplette, onderwijs wilde doen geven; ik deelde hem dus liever de hele waarheid mee.

--Jij stelt dus meer prijs op het leven in de open lucht, zei hij. Het avontuur en de vrijheid; ik heb het recht niet je dit te beletten, mijn jongen, volg je eigen zin.

Het was waar, ik hield van het leven in de open lucht; ik had dit nooit zo gevoeld als gedurende mijn gevangenschap in de zijgang: niet voor niets went men eraan om te gaan waarheen en te doen wat men wil.

Zolang men alles in het werk stelde om mij te Varses te houden, was Mattia al die tijd treurig en zorgelijk geweest. Ik vroeg waarom; hij antwoordde mij steeds, dat hij was zoals altijd; pas toen ik hem vertelde, dat wij binnen drie dagen zouden vertrekken, bekende hij mij de reden van zijn zwaarmoedigheid, terwijl hij mij met tranen in de ogen de hand drukte.

--Je gaat mij dus niet aan mijn lot overlaten! riep hij uit.

Toen hij dit zei, gaf ik hem een flinke duw om hem te leren, dat hij niet aan mij twijfelen mocht en ook om voor hem de aandoening te verbergen, die bij mij opwelde, toen ik deze vriendenkreet hoorde.

Die kreet had hij geslaakt uit vriendschap en niet uit eigenbelang. Mattia had mij niet nodig om aan de kost te komen; hij was zeer goed in staat dien alleen te verdienen.

Inderdaad had hij aangeboren talenten, die ik in de verste verte niet bezat. Hij was in de eerste plaats veel bekwamer in het bespelen van verscheidene muziekinstrumenten, in het zingen en dansen en om allerlei rollen te vervullen. Bovendien was hij veel beter geschikt dan ik om het "geëerde gezelschap", zoals Vitalis altijd zei, de hand in de zak te doen steken. Zijn glimlach alleen, zijn vriendelijke blik, zijn witte tanden en gul gelaat trof zelfs hen, die niet mild van aard waren en zonder te vragen, deed hij bij het publiek de neiging ontwaken om iets te geven; men schepte er behagen in hem genoegen te doen. Dit was zo waar, dat, gedurende zijn korte uitstapjes met Capi, terwijl ik in de mijn werkte, hij in de gelegenheid was geweest achttien francs bij elkaar te verzamelen, wat voor ons een belangrijke som was.

Honderd achtentwintig francs hadden wij in kas en de achttien die Mattia erbij verdiend had, maakten een totaal van 146 francs; er ontbraken nog maar vier francs om de koe van de prins te kopen.

Hoewel ik niet in de mijnen wilde werken, speet het mij toch, dat ik Varses verlaten moest, want ik moest dan ook van Alexis, oom Gaspard en de magister scheiden; maar het was nu eenmaal mijn lot te moeten scheiden van hen, die ik liefhad en die mij vriendschap bewezen.

Voorwaarts!

Met de harp over de schouder en de ransel op de rug, betraden wij weer de grote weg, terwijl Capi vrolijk door het stof rolde.

Ik moet eerlijk bekennen, dat het niet zonder gevoelens van tevredenheid was dat wij Varses verlieten, toen ik met mijn voet op de harde weg stapte, wat heel anders klonk dan de modderige grond van de mijn. De goede zon, de mooie bomen.

Vóór ons vertrek hadden Mattia en ik ons reisplan vastgesteld, want ik had hem leren kaartlezen en hij verbeeldde zich niet meer, dat de afstanden voor een paar benen die ze moesten afleggen even lang waren als voor een vinger, die van de ene stad naar de andere wijst. Na geruime tijd het vóór en tegen overwogen te hebben, hadden wij besloten, dat in plaats van ons regelrecht naar Ussel te begeven en van daar naar Chavanon, wij over Clermont zouden gaan, daar dit een niet al te grote omweg was en wij daarbij de gelegenheid hadden om de badplaatsen te bezoeken, waar zich in deze tijd veel zieken ophielden: Saint Nectaire, Mont-Dore, Royat, Bourboule. Terwijl ik in de mijn werkte, had Mattia op zijn tochten met een berenleider kennis gemaakt, die eveneens de badplaatsen ging bezoeken, waar men, zo had hij gezegd, veel geld kon verdienen. En Mattia wilde veel geld verdienen, daar hij 150 francs niet genoeg vond om een koe te kopen. Hoe meer geld wij hadden, hoe mooier koe wij kopen konden en hoe blijer moeder Barberin wezen zou, en dat zou ons ook gelukkiger maken.

Wij moesten de richting van Clermont volgen.

Op onze reis van Parijs naar Varses, was ik begonnen Mattia onderwijs te geven; ik had hem lezen geleerd en ook de beginselen van de muziek, en op onze wandeling tussen Varses en Clermont zette ik mijn lessen voort.

Misschien was ik niet zo’n goede -- wat zeer wel mogelijk was – en misschien was Mattia geen goede leerling -- wat ook mogelijk was -- in het lezen maakte hij weinig vorderingen, zoals ik reeds gezegd heb.

Hoe Mattia ook in zijn boek staarde en op de letters tuurde, hij las altijd iets anders dan er werkelijk stond, wat meer eer was voor zijn fantasie dan voor zijn oplettendheid.

Dikwijls werd ik dan ongeduldig, en terwijl ik driftig op het boek sloeg, riep ik in mijn boosheid, dat zijn kop te hard was.

Zonder zich hierover gekrenkt te gevoelen, zag hij mij met zijn vriendelijke ogen lachend aan.

--Het is waar, antwoordde hij, eerst als men mij slaat, gaan mijn hersens open; Garofoli was zo dom niet, want hij merkte dit meteen.

Hoe zou ik lang boos kunnen blijven na zulk een antwoord? Ik begon te lachen en onze les werd weer voortgezet.

Maar bij de muziek hadden zich niet dezelfde moeilijkheden voorgedaan en sedert zijn eerste optreden had Mattia geduchte vorderingen gemaakt, zo zelfs, dat hij al spoedig mij door zijn vragen verbaasde. Mijn verwondering veranderde in verlegenheid en eindelijk was het zo ver gekomen, dat ik hem mijn onwetendheid had moeten bekennen.

Ik moet toegeven, dat mij dit hinderde en ergerde; ik nam mijn rol van onderwijzer zeer ernstig op en vond het vernederend voor mezelf, dat mijn leerling mij vragen stelde, waarop ik geen antwoord wist te geven; het scheen mij toe, dat ik hem in zeker opzicht bedroog.

En mijn leerling bespaarde mij geen enkele vraag.

--Waarom zet men voor alle muziek niet dezelfde sleutel?

--Waarom gebruikt men de kruizen als men hoger spelen moet en mollen wanneer het lager is?

--Waarom hebben de eerste en laatste maat van een stuk niet hetzelfde aantal tellen?

--Waarom kan men zijn viool niet op alle noten stemmen?

Op deze laatste vraag kon ik met waardigheid antwoorden, dat een viool mijn instrument niet was en ik nooit de moeite genomen had om te weten hoe zij wèl of hoe zij niet gestemd moest worden, en Mattia had hierop niets weten te antwoorden.

Maar ik had mij niet op dezelfde wijze uit de verlegenheid kunnen redden, toen hij mij vragen deed over de sleutels en de mollen: dat had volledig betrekking op de muziek in 't algemeen, op de theorie van de muziek; ik was muziekonderwijzer en ik moest dus antwoorden, of ik verloor mijn macht en mijn invloed. Dit besefte ik zeer goed en ik was er bijzonder op gesteld beide te behouden.

Als ik dan niet wist wat erop te antwoorden, redde ik mij uit mijn verlegenheid door het voorbeeld van oom Gaspard te volgen, die, toen ik hem vroeg, wat steenkolen waren, mij op overtuigenden toon antwoordde: "Dat zijn kolen, die men onder de grond vindt."

Op niet minder overtuigende toon antwoordde ik aan Mattia, wanneer ik niet wist wat ik moest antwoorden:

--Dat is zo, omdat het zo zijn moet; het is een wet.

Mattia had geen karakter, dat zich tegen de wet verzetten zou; hij zag mij dan slechts aan met grote ogen en halfgeopende mond wat niet zeer geschikt was om voldaan over mezelf te zijn.

Drie dagen was het geleden, sedert wij Varses verlaten hadden, toen hij mij een dergelijke vraag stelde en in plaats van op zijn "waarom" te antwoorden: "Ik weet niet," zei ik toen met zekere waardigheid: "Omdat het zo is."

Hij werd toen zorgelijk en de hele dag kon ik geen woord meer uit hem krijgen, wat ik niet van hem gewoon was, daar hij altijd bereid was om te babbelen en te lachen.

Eindelijk gelukte het mij hem tot spreken te krijgen.

--Je bent ongetwijfeld een goede onderwijzer en ik ben ervan overtuigd, dat niemand mij alles wat ik geleerd heb zo goed zou hebben kunnen doen begrijpen, toch....

Hij zweeg.

--Wat toch?

--Toch zijn er misschien dingen, die jij niet weet; dat overkomt de beste geleerde wel eens, niet waar? Als jij mij dan antwoordt: "dat is, omdat het zo is," dan zijn er misschien wel andere redenen, die jij niet zegt, omdat je ze zelf niet weet. Wanneer je dan zo redeneert, heb ik altijd tot mezelf gezegd, dat, als je wilde, wij misschien wel heel goedkoop ons een boekje konden aanschaffen, waarin de principes van de muziek staan.

--Daar hebt je gelijk in.

--Niet waar? Ik meende ook, dat dit goed zou zijn, want je kunt toch niet alles, wat er in de boeken staat, weten, daar je niet uit boeken geleerd hebt.

--Een goede meester is meer waard dan het beste boek.

--Wat je daar zegt, brengt mij nog iets anders in de gedachte: als je het goedvindt, zou ik aan een echte meester een les vragen, één les ook maar, en dan kon hij alles vertellen, wat ik niet weet.

--Waarom heb je zo'n les bij een echte meester niet genomen, toen je alleen was?

--Omdat echte meesters duur betaald worden en ik wilde die som niet van jouw geld afnemen.

Ik nam het Mattia kwalijk, dat hij zo over een wezenlijke meester dacht, maar mijn dwaze ijdelheid was tegen zijn laatste woorden niet bestand.

--Je bent een veel te goede jongen, gaf ik hem ten antwoord; mijn geld is jouw geld, daar jij het, evenals ik, verdient, meer en beter zelfs dan ik; je kunt zoveel lessen nemen als je wilt en ik zal het ook doen.

Ik voegde er toen bij, hem moedig mijn onwetendheid bekennende:

--Dan kan ik ook leren wat ik niet weet.

De meester, de ware meester, die wij voor ons wensten, was geen ketellapper uit het een of ander dorp, maar een artiest, een groot kunstenaar, zoals men die in voorname steden vindt. Op de kaart zag ik, dat, vóór wij Clermont bereikten, de grootste stad, die op onze weg lag, Mende heette. Maar was dat inderdaad een aanzienlijke stad? Dat wist ik niet, maar, daar de letters, waarmede de naam van de stad geschreven was, op de kaart vrij groot waren, moest ik mijn kaart wel geloven.

Wij besloten daarom in Mende de grote uitgave van een muziekles te bekostigen, want hoewel onze verdiensten allerslechtst waren, in die trieste bergen van de Lozère, waar de dorpen gering en arm zijn, wilde ik toch het genoegen, dat Mattia wachtte, niet langer uitstellen.

Nadat wij in zijn hele uitgestrektheid de vlakte van Méjean doorgetrokken waren, die ongetwijfeld de ellendigste en onvruchtbaarste streek ter wereld is, waar water noch bos is te zien, en handel noch landbouw wordt uitgeoefend, waar men dorpen noch bewoners vindt, kortom, waar men niet aan het leven wordt herinnerd en voortdurend omringd is door verlaten en eenzame oorden, die slechts bekoorlijkheid bezitten voor hen, die ze in een rijtuig voorbijsnellen, bereikten wij eindelijk Mende.

Daar de avond reeds enige tijd was gevallen, konden wij die dag aan ons voornemen geen gevolg geven om nog een les te nemen; bovendien waren wij uitgeput van vermoeienis.

Mattia was echter zo verlangend om te weten of Mende, dat hem volstrekt niet zulk een belangrijke stad toescheen als ik hem gezegd had, een muziekonderwijzer bezat, dat ik onder ons avondeten aan onze waardin vroeg of zij niet een goed onderwijzer kende, die muziekles gaf.

Zij antwoordde, dat onze vraag haar ten hoogste verwonderde; kenden wij dan mijnheer Espinassous niet.

--Wij komen van ver, zei ik.

--Heel ver dus?

--Uit Italië, antwoordde Mattia.

Haar verbazing week, toen zij dit hoorde en zij begreep, dat, als we van zover kwamen, wij mijnheer Espinassous niet konden kennen, maar, als wij uit Lyon of Marseille afkomstig waren, zou zij ons stellig niet langer geantwoord hebben, daar wij toch wel een zeer slechte opvoeding moesten hebben genoten om nooit van deze beroemde man te hebben gehoord.

--Ik hoop, dat wij het zeer getroffen hebben, zei Mattia in het Italiaans.

En de ogen van mijn reisgezel schitterden van blijdschap. Ongetwijfeld zou de heer Espinassous onmiddellijk al onze vragen beantwoorden: hij zou niet verlegen staan om ons alle redenen op te sommen, waarom de mollen de tonen verlagen en de kruisen ze verhogen.

Één vrees bekroop mij echter: zou zulk een beroemd kunstenaar er ooit in toestemmen om ons, arme drommels, les te geven.

--Heeft mijnheer Espinassous veel lessen? vroeg ik.

--O ja, ik geloof dat hij er heel veel heeft; waarom zou hij niet?

--Denkt u, dat hij ons morgenochtend zou willen ontvangen?

--Zeker; hij ontvangt iedereen, als men maar geld op zak heeft; dat spreekt vanzelf.

Daar wij dit ook begrepen, waren wij gerustgesteld en vóór dat wij insliepen, bespraken wij nog lang en breed, ondanks onze vermoeienis, alle vragen, die wij de volgende dag aan die grote meester zouden stellen.

Nadat wij ons met de uiterste zorg gekleed hadden, of liever schoon goed hadden aangetrokken, de enige weelde, die wij ons konden veroorloven, daar wij geen andere klederen bezaten dan die, welke wij op onze rug droegen, namen wij onze muziekinstrumenten, Mattia zijn viool en ik mijn harp, en we begaven ons op weg naar mijnheer Espinassous.

Capi had, zoals gewoonlijk, met ons mee willen gaan, maar wij hadden hem in de stal van de herberg vastgelegd, daar wij het niet passend achtten om met een hond die beroemde musicus uit Mende op te zoeken.

Toen wij de woning bereikt hadden, die men ons als die van de onderwijzer had aangewezen, meenden wij, dat men zich vergist had, want aan de deur van dit huis bengelden twee koperen scheerbekkens, wat nooit het uithangbord van een muziekonderwijzer zijn kon.

Terwijl wij dit uithangbord gadesloegen, dat gewoonlijk door een barbier gebruikt wordt, trad ons juist een man voorbij, aan wie wij vroegen waar mijnheer Espinassous woonde.

--Daar, antwoordde hij, op de barbierswinkel wijzend.

Waarom zou een muziekonderwijzer ook niet in dezelfde woning als een barbier gehuisvest zijn?

Wij gingen naar binnen; de winkel was in twee gelijke delen verdeeld; aan de rechterzijde lagen op enige planken borstels, kammen, potjes pommade en zeep; aan de linkerzijde hingen tegen den muur verscheidene muziekinstrumenten, violen, pistons en trombones.

--Mijnheer Espinassous? vroeg Mattia.

Een klein levendig mannetje, dat als een vogeltje heen-en-weer zweefde, was bezig een boer, die in een leunstoel zat, te scheren en antwoordde met een zware basstem:

--Die ben ik.

Ik wierp Mattia een blik toe om hem aan het verstand te brengen, dat deze muzikant-barbier niet de man was om les te geven en dat het geld in 't water gegooid zou zijn, om ons tot hem te richten; maar in plaats van mij te begrijpen en te gehoorzamen, ging Mattia op een stoel zitten en zei hij op vastbesloten toon:

--Wilt u mijn haar knippen als u deze heer geschoren hebt?

--Zeker, jongeman, en ik zal u ook scheren, indien u dat verlangt.

--Dank u, zei Mattia, vandaag niet; als ik terugkom.

Ik was verbaasd over deze kalme vastberadenheid, die Mattia aan de dag legde; hij gaf mij in het voorbijgaan een knipoogje, om mij te zeggen dat ik moest wachten en dat ik mij nog niet boos moest maken.

Espinassous was spoedig gereed met het scheren van de boer en met het servet in de hand, maakte hij zich gereed om Mattia's haar te knippen.

--Mijnheer, zei Mattia, terwijl het servet hem om de hals gebonden werd, mijn vriend en ik waren het daareven niet met elkaar eens en daar wij weten, dat u een beroemde musicus bent, meenden wij, dat u ons wel met uw raad zou willen bijstaan.

--Vertel mij maar, waarover gij het niet eens kon worden, jongelui.

Ik begreep nu wat Mattia van plan was: in de eerste plaats wilde hij weten of deze barbier-musicus wel instaat was onze vragen te beantwoorden en dan, als zijn antwoorden ons voldeden, of hij ons een muziekles wilde geven voor de prijs van het haarknippen; Mattia was een slimmerik.

--Waarom, vroeg Mattia, stemt men de viool altijd op dezelfde noten?

Ik dacht dat de kapper, die juist op het punt stond om de kam door het lange haar van Mattia te halen, een soortgelijk antwoord als ik wilde geven en ik lachte reeds in mijn vuistje, toen hij eensklaps het woord nam:

--De tweede snaar aan den linkerkant van het instrument moet de A van de normale stemming aangeven; de andere snaren moeten zo gestemd worden, dat zij van kwint tot kwint de noten aangeven, dat is te zeggen, de G, vierde snaar; D, derde snaar; A tweede snaar; E, eerste snaar of diskant.

Ik begon niet te lachen, maar Mattia barstte in een schaterlach los; dreef hij de spot met mijn verbaasd gelaat? Of was het slechts blijdschap dat hij vernam, wat hij te weten wilde komen? In elk geval, dit is zeker, dat hij schaterend lachte.

Ik bleef met open mond de kapper gadeslaan, die, terwijl hij zich om Mattia keerde en wendde en met zijn schaar klapte, zoveel wijsheid uitkraamde.

--Welnu, zei hij, plotseling voor mij stilstaande, ik geloof dat mijn kleine klant geen ongelijk had.

Gedurende het knippen van zijn haar, raakte Mattia niet uitgeput in vragen en overal gaf de barbier een antwoord op met dezelfde gemakkelijkheid en zekerheid.

Maar toen hij zijn antwoord gegeven had, begon hij zelf te vragen en spoedig wist hij met welk doel wij hem hadden opgezocht.

Hij barstte toen zelf in een schaterlach los.

--Gij zijt een paar flinke jongens, zei hij, maar hoe amusant!

Daarop wilde hij, dat Mattia, die nog veel amusanter was dan ik, hem een stukje zou voorspelen: Mattia nam dapper zijn viool en begon te spelen.

--En je kent geen noot muziek! riep de kapper, in de handen klappende. Hij begon Mattia al te tutoyeren alsof hij hem allang kende.

Ik heb reeds verteld, dat er verscheidene instrumenten tegen de muur hingen. Toen Mattia zijn vioolstukje gespeeld had, pakte hij een klarinet.

--Ik speel ook op de klarinet en de trompet, zei hij.

--Speel dan maar voort! riep Espinassous.

En Mattia speelde op elk instrument een stukje.

--Die jongen een wonderkind! riep Espinassous; als je bij mij blijven wilt, dan zal ik een groot muzikant van je maken, hoor je me, een groot muzikant! 's Morgens help je mij in het scheren en de verdere dag mag je met mij werken. Meen niet, dat ik je geen goed onderwijs zou geven, omdat ik barbier ben; men moet leven, eten, drinken, slapen en daarvoor zorgt mijn scheermes. Om de mensen te kunnen scheren is Jasmin nog niet de minste dichter van Frankrijk. Agen heeft Jasmin, Mende heeft Espinassous.

Toen ik dit hoorde, zag ik Mattia bezorgd aan. Wat zou hij antwoorden? Zou ik mijn vriend, mijn makker, mijn broeder verliezen, zoals ik achtereenvolgens allen die ik liefhad, verloren had? Mijn hart kromp ineen. Toch wilde ik aan mijn gevoel niet toegeven. De toestand waarin wij ons bevonden, leek zeer veel op dien, waarin ik met Vitalis verkeerd had, toen mevrouw Milligan mij bij zich wilde houden: ik wilde mij niet dezelfde verwijten doen, die Vitalis zich gedaan had.

--Denk alleen aan jezelf, Mattia, zei ik op ontroerde toon.

Maar hij wendde zich direct tot mij, terwijl hij mijn hand nam.

--Mijn vriend verlaten! dat zou mij niet mogelijk zijn. Ik dank u zeer voor uw aanbod, mijnheer.

Espinassous bleef echter aandringen en beweerde, dat, als Mattia zijn eerste opvoeding bij hem genoten had, men wel een middel zou vinden, om hem naar Toulouse te zenden en vandaar naar het conservatorium te Parijs; maar Mattia antwoordde onveranderlijk:

--Nooit zal ik Remi verlaten.

--Welnu, jongen, ik wil toch iets voor je doen, zei Espinassous; ik zal je een boek geven, waaruit je alles kunt leren, wat je niet weet.

Hij begon toen in zijn laden te zoeken: na geruime tijd vond hij een boek, dat den titel droeg: ‘‘Theorie van de muziek’‘; het was een oud versleten boek, veel gebruikt, verfomfaaid, maar dat deed er niets toe.

Daarop nam hij een pen en schreef op de eerste bladzijde: "Een geschenk aan het kind, dat, als het eenmaal een kunstenaar geworden is, zich de kapper van Mende herinneren zal."

Ik weet niet of zich in die tijd andere muziekonderwijzers in Mende bevonden dan de barbier Espinassous, maar deze hebben wij gekend en Mattia en ik hebben hem nooit vergeten.

AodW28b.jpg