Naar inhoud springen

Alleen op de wereld/Hoofdstuk XXVIII

Uit Wikisource
DE REDDING Alleen op de wereld (1880) door Hector Malot, vertaald door Gerard Keller

EEN MUZIEKLES

DE KOE VAN DEN PRINS
Uitgegeven in 's-Gravenhage door Henri J. Stemberg.
Van dit artikel bestaat een wikisource HERTALING in modern Nederlands.

[ 79 ]

VII.
EEN MUZIEKLES.


Ik had mij in de mijn vrienden gemaakt: zulk een leed te zamen verdragen, brengt de harten nader tot elkander; men lijdt te zamen, men koestert dezelfde hoop, men maakt een geheel uit. Zoowel oom Gaspard als de meester waren mij bijzonder genegen geworden; en hoewel de ingenieur onze gevangenschap niet gedeeld had, had hij zich aan mij gehecht als men onwillekeurig doet aan een kind, dat men van een wissen dood gered heeft; hij had mij bij zich genoodigd en ik moest toen aan zijn dochter een uitvoerig verhaal doen van alles wat gedurende onze opsluiting had plaats gevonden. Iedereen in Varses wilde mij zien. [ 80 ]

— Ik zal een plaats als werkman voor u zoeken, zeide oom Gaspard, en dan blijft gij bij ons.

— Als gij op een onzer kantoren werkzaam wilt zijn, zeide de ingenieur, dan zal ik daarvoor zorgen.

Oom Gaspard vond het zeer natuurlijk, dat ik weder naar de mijn terugkeerde, waarin hij ook spoedig weder zou nederdalen, met die onbezorgdheid van hen, die gewend zijn iederen dag het gevaar te trotseeren; maar ik, die zijn zorgeloosheid, noch zijn moed bezat, ik was volstrekt niet geneigd om mijn tijdelijk ambacht als mijnwerker weder te aanvaarden. Een mijn was heel mooi en belangrijk en ik was blijde, dat ik er een gezien had, maar ik had er genoeg van gezien en ik gevoelde niet den minsten lust om naar de zijgang terug te keeren.

Die gedachte alleen joeg mij reeds schrik aan. Ik was bepaald niet geschikt voor onderaardschen arbeid; het leven in de open lucht met de zon boven mijn hoofd, of zelfs een bedekte lucht, stonden mij meer aan. Dit trachtte ik ook oom Gaspard en den meester aan het verstand te brengen, waarover de een zeer verbaasd scheen en de ander zich beklaagde, dat ik zoo weinig lust gevoelde om mijnwerker te worden. Carrory, dien ik ontmoette, noemde mij een domkop.

Den ingenieur kon ik natuurlijk niet antwoorden, dat ik niet onder den grond wilde werken, daar hij mij een plaats in zijn bureau aanbood en mij, indien ik goed oplette, onderwijs wilde doen geven; ik deelde hem dus liever de geheele waarheid mede.

— Gij stelt dus meer prijs op een zwervend leven en uw vrijheid; ik heb het recht niet u dit te beletten, mijn jongen, volg uw eigen zin.

Het was waar, ik hield van een zwervend leven; ik had dit nooit zoo gevoeld dan gedurende mijn gevangenschap in de zijgang: niet ongestraft gewent men zich om te gaan en te doen wat men wil en zijn eigen meester te blijven.

Terwijl men alles in het werk stelde om mij te Varses te houden, was Mattia al dien tijd treurig en afgetrokken geweest. Ik vroeg hem naar de oorzaak hiervan; hij had mij steeds ten antwoord gegeven, dat hij was zooals altijd, en eerst toen ik hem vertelde, dat wij binnen drie dagen zouden vertrekken, bekende hij mij de reden van zijn zwaarmoedigheid, terwijl hij mij met tranen in de oogen de hand drukte.

— Gij zult mij dus niet aan mijn lot overlaten! riep hij uit. Toen hij dit zeide, gaf ik hem een flinken duw om hem te leeren, dat hij niet aan mij twijfelen mocht en ook om voor hem de aandoening te verbergen, die bij mij opwelde, toen ik deze ontboezeming hoorde. [ 81 ]

Dien kreet had hij geslaakt uit vriendschap en niet uit eigenbelang. Mattia had mij niet noodig om aan den kost te komen, hij was zeer goed in staat dien alleen te verdienen.

Inderdaad zelfs had hij aangeboren hoedanigheden, die ik in de verste verte niet bezat. Hij was in de eerste plaats veel bekwamer in het bespelen van verscheidene muziekinstrumenten, in het zingen en dansen en om allerlei rollen te vervullen. Bovendien was hij veel beter geschikt dan ik om het „geëerde gezelschap", zooals Vitalis altijd zeide, de hand in den zak te doen steken. Zijn glimlach alleen, zijn vriendelijke blik, zijn witte tanden en gul gelaat trof zelfs hen, die niet edelmoedig van aard waren en zonder te vragen, deed hij bij het publiek den lust ontwaken om iets te geven; men schepte er behagen in hem genoegen te doen. Dit was zóó waar, dat, gedurende zijn korte uitstapjes met Capi, hij in de gelegenheid was geweest tien gulden bij elkaar te zamelen, wat voor ons een belangrijke som was.

Vier-en-zestig gulden hadden wij in kas en de tien, welke Mattia erbij verdiend had, maakte een totaal van vier-en-zeventig gulden: dus slechts zes gulden ontbrak ons om de koe te koopen.

Hoewel ik niet in de mijnen wilde werken, speet het mij toch, dat ik Varses verlaten moest, want ik moest dan ook van Alexis, oom Gaspard en den meester scheiden; maar het lag eenmaal in mijn bestemming te moeten scheiden van hen, die ik beminde en die mij vriendschap betoonden.

Voorwaarts!

Met de harp over den schouder en den ransel op den rug, betraden wij weder den grooten weg, met Capi vroolijk voor ons uitspringende.

Ik moet eerlijk bekennen, dat zich een aangenaam gevoel van mij meester maakte, toen ik Varses achter mij had, en toen ik met mijn voet op den harden weg stapte, deze geheel anders klonk dan de slijkerige grond der mijn, terwijl ik de zon en de boomen boven mij zag.

Voor ons vertrek hadden Mattia en ik ons reisplan vastgesteld, want ik had hem op de kaarten leeren zien en hij verbeeldde zich niet meer, dat de afstanden niet langer waren voor een paar beenen, die ze moesten afleggen, dan voor een vinger, die van de eene stad naar de andere wijst. Na geruimen tijd het vóór en tegen overwogen te hebben, hadden wij besloten, dat inplaats van ons regelrecht naar Ussel te begeven en van daar naar Chavanon, wij over Clermont zouden gaan, daar dit een niet al te groote omweg was en wij daarbij de gelegenheid hadden om de badplaatsen te bezoeken, waar zich in dezen tijd veel zieken ophielden: Saint-Nectaire, Mont-Dore, Royat, Bourboule. Terwijl ik in de mijn arbeidde, had Mattia op zijn tochten met een berenleider kennis gemaakt, die eveneens de badplaatsen ging bezoeken, waar men [ 82 ]volgens zijn meening veel geld kon verdienen. En Mattia wilde veel geld verdienen, daar hij acht-en-zestig gulden niet genoeg vond om een koe te koopen. Hoe meer geld wij hadden, hoe mooier koe wij koopen konden en hoe blijder vrouw Barberin wezen zou, en hoe blijder moeder Barberin was, des te gel ukkiger zouden wij zijn.

Wij moesten de richting van Clermont dus volgen.

Op onze reis van Parijs naar Varses, was ik begonnen Mattia te onderwijzen; ik had hem lezen geleerd en ook de beginselen der muziek, en op onze wandeling tusschen Varses en Clermont zette ik mijn lessen voort.

Hetzij mijne manier van onderwijzen niet deugde, — wat zeer wel mogelijk was — of Mattia geen vlugge leerling — wat ook mogelijk was — maar in het lezen maakte hij weinig vorderingen, zooals ik reeds gezegd heb. Hoe hij ook in zijn boek staarde en op de letters tuurde, hij las altijd iets anders dan er werkelijk stond, wat zijn verbeelding meer dan zijn oplettendheid eer aandeed.

Dikwijls werd ik dan ongeduldig, en terwijl ik driftig op het boek sloeg, zeide ik in mijn boosheid, dat zijn hersens gesloten waren.

Zonder zich hierover gekrenkt te gevoelen, zag hij mij met zijn vriendelijke oogen lachend aan.

— Het is waar, gaf hij ten antwoord, eerst als men mij slaat, gaan mijn hersens open; Garofoli was niet dom, want hij bemerkte dit terstond.

Hoe zou ik lang boos kunnen blijven na zulk een antwoord? Ik begon te lachen en onze les nam weder een aanvang.

Maar bij de muziek hadden zich niet dezelfde moeilijkheden voorgedaan en sedert zijn eerste optreden had Mattia geduchte vorderingen gemaakt, zoo zelfs, dat hij al spoedig mij door zijn vragen verbaasde. Mijne verwondering veranderde in verlegenheid en eindelijk was het zoover gekomen, dat ik hem mijne onwetendheid had moeten bekennen.

Ik moet verklaren, dat mij dit hinderde en ergerde; ik nam mijn rol van onderwijzer zeer ernstig op en vond het vernederend voor mezelf, dat mijn leerling vragen aan mij deed, waarop ik geen antwoord wist te geven; het scheen mij toe, dat ik hem in zeker opzicht bedroog.

En mijn leerling bespaarde mij geen enkele vraag.

— Waarom zet men voor alle muziek niet denzelfden sleutel?

— Waarom gebruikt men de kruizen als men hooger spelen moet en mollen wanneer het lager is?

— Waarom heeft de eerste en laatste maat van een stuk niet hetzelfde tempo? [ 83 ]

— Waarom kan men zijn viool niet op alle noten stemmen?

Op deze laatste vraag kon ik met waardigheid antwoorden, dat een viool niet mijn instrument was en ik nooit de moeite genomen had om te weten hoe zij wel of hoe zij niet gestemd moest worden, en Mattia had hierop niets weten te antwoorden.

Maar ik had mij niet op dezelfde wijze uit de verlegenheid kunnen redden, toen hij mij vragen deed over de mollen en de maatverdeeling: dat had geheel-en-al betrekking op de muziek in 'talgemeen, op de theorie van de muziek; ik was muziekonderwijzer en ik moest dus antwoorden, of ik verloor mijn macht en mijn invloed. Dit besefte ik zeer goed en ik was er bijzonder op gesteld beiden te behouden.

Als ik dan niet wist wat erop te antwoorden, dan redde ik mij uit mijn verlegenheid door het voorbeeld van oom Gaspard te volgen toen ik hem vroeg, wat steenkolen waren en hij mij op overtuigenden toon antwoordde: „Dat zijn kolen, die men onder de steenen vindt."

Met niet minder zekerheid antwoordde ik aan Mattia, wanneer ik niet wist wat te zeggen:

— Dat is zoo, omdat het zoo zijn moet; het is een wet.

Mattia had geen karakter, dat zich tegen de wet verzetten zou; hij zag mij dan slechts aan met groote oogen en half-ontsloten mond, wat niet zeer geschikt was om voldaan over mezelf te zijn.

Drie dagen was het geleden, sedert wij Varses verlaten hadden, toen hij mij een dergelijke vraag stelde en inplaats van op zijn waarom te antwoorden: „Ik weet niet," zeide ik toen met zekere waardigheid: „Omdat het zoo is."

Hij werd toen afgetrokken en in zichzelf gekeerd, en den geheelen dag kon ik geen woord meer uit hem krijgen, wat ik niet van hem gewoon was, daar hij altijd bereid was om te babbelen en te lachen.

Eindelijk gelukte het mij hem tot spreken te krijgen.

— Gij zijt ongetwijfeld een goed onderwijzer en ik ben ervan overtuigd, dat niemand mij alles wat ik geleerd heb zoo goed zou hebben kunnen doen begrijpen, toch....

Hij zweeg.

— Wat toch?

— Toch zijn er misschien dingen, die gij niet weet; dat overkomt den wijste misschien wel, nietwaar? Als gij mij dan antwoordt: „dat is, omdat het zoo is," dan zijn er misschien wel andere redenen, die gij niet zegt, omdat gij ze zelf niet weet. Wanneer gij dan zoo redeneert, heb ik altijd tot mezelf gezegd, dat, als gij wildet, wij misschien wel heel goedkoop ons een boekje konden aanschaffen, waarin de regelen voor de muziek staan.

— Daar hebt gij gelijk in. [ 84 ]

— Nietwaar? Ik meende ook, dat dit goed zou zijn, want gij kunt toch niet alles, wat er in de boeken staat, weten, daar gij niet uit boeken geleerd hebt.

— Een goed meester is meer waard dan het beste boek.

— Wat gij daar zegt, brengt mij nog iets anders in de gedachte: als gij het goedvindt, zou ik aan een echten meester een les vragen, één les ook maar, en dan kon hij alles.zeggen, wat ik niet weet.

— Waarom hebt ge zoo'n les bij een echten meester niet genomen, toen gij alleen waart?

— Omdat echte meesters duur betaald worden en ik wilde die som niet van uw geld afnemen.

Ik nam het Mattia kwalijk, dat hij zoo over een wezenlijken meester dacht, maar mijn dwaze ijdelheid was tegen zijn laatste woorden niet bestand.

— Gij zijt een veel te goede jongen, gaf ik hem ten antwoord; mijn geld is uw geld, daar gij het, evensals ik, verdient, meer en beter zelfs dan ik; gij kunt zooveel lessen nemen als gij wilt en ik zal het ook doen.

Ik voegde er toen moedig bij, hem mijn onwetendheid bekennende:

— Dan kan ik ook leeren wat ik niet weet.

De meester, de ware meester, die wij voor ons wenschten, was geen ketellapper uit het een of ander dorp, maar een artist, een groot kunstenaar, zooals men die in voorname steden vindt.

Op de kaart zag ik, dat, vóór wij Clermont bereikten, de grootste stad, die op onzen weg lag. Mende heette.

Maar was Mende inderdaad een aanzienlijke stad, dat wist ik niet, maar, daar de letters, waarmede de naam van de stad geschreven was, op de kaart vrij groot waren, moest ik mijn kaart wel gelooven.

Wij besloten daarom in Mende de groote uitgave van een muziekles te bekostigen; want hoewel onze verdiensten zeer weinig beteekenden, zoo wilde ik toch het genoegen, dat Mattia wachtte, niet langer uitstellen.

Nadat wij in zijn gansche uitgestrektheid de vlakte van Méjean doorgetrokken waren, die ongetwijfeld de ellendigste en onvruchtbaarste streek ter wereld is, waar water noch bosch is te zien, en handel noch landbouw wordt uitgeoefend, waar men dorpen noch bewoners vindt, kortom, waar men niet aan het leven wordt herinnerd en voortdurend omringd is door verlaten en eenzame oorden, die slechts bekoorlijkheid bezitten voor hen, welke ze in een rijtuig voorbijsnellen, bereikten wij eindelijk Mende.

Daar de avond reeds eenigen tijd was gevallen, konden wij dien dag aan ons voornemen geen gevolg geven om nog een les te nemen; bovendien waren wij uitgeput van vermoeienis. [ 85 ]

Mattia was echter zoo verlangend om te weten of Mende, dat hem volstrekt niet zulk een belangrijke stad toescheen, als ik hem gezegd had, een muziekonderwijzer bezat, dat, terwijl wij ons avondeten gebruikten, ik aan de waardin vroeg of zij niet een goed onderwijzer kende, die muziekles gaf.

Zij antwoordde, dat onze vraag haar ten hoogste verwonderde; kenden wij dan den heer Espinassous niet?

— Wij komen uit een zeer ver verwijderde stad, zeide ik.

— Heel ver dus?

— Uit Italië, antwoordde Mattia.

Haar verbazing week echter, toen zij dit hoorde en zij begreep, dat, als we van zóóver kwamen, wij den heer Espinassous niet kenden, maar, zoo wij uit Lyon of Marseille afkomstig waren, zou zij ons stellig niet langer geantwoord hebben, daar wij al een zeer slechte opvoeding moesten hebben genoten nu wij nooit van dezen beroemden man hadden gehoord.

— Ik hoop, dat wij in goede handen zijn gevallen, zeide Mattia in het italiaansch.

En de oogen van mijn reisgezel schitterden van blijdschap. Ongetwijfeld zou de heer Espinassous onmiddellijk al onze vragen beantwoorden: hij zou niet verlegen staan om ons alle redenen op te sommen, waarom de mollen de tonen verlagen en de kruizen die verhoogen.

Eén vrees bekroop mij echter: zou zulk een beroemd kunstenaar er ooit in toestemmen om ons, arme drommels, les te geven.

— Heeft mijnheer Espinassous veel lessen? vroeg ik.

— O ja, ik geloof dat hij er heel veel heeft; waarom zou dat niet?

— Denkt gij, dat hij ons morgenochtend zou willen ontvangen?

— Zeker; hij ontvangt iedereen, als men maar geld op zak heeft; dat spreekt vanzelf.

Daar wij dit ook begrepen, waren wij gerustgesteld en vóór dat wij insliepen, bespraken wij nog lang en breed, ondanks onze vermoeienis, alle vragen, die door ons den anderen dag onderworpen konden worden aan dezen beroemden onderwijzer.

Nadat wij ons met de uiterste zorg gekleed hadden, of liever schoon goed hadden aangetrokken, de eenige weelde, die wij ons konden veroorloven, daar wij geen andere kleederen bezaten dan welke wij op onzen rug droegen, namen wij ons muziekinstrument. Mattia zijn viool en ik mijn harp, en we begaven ons op weg naar den heer Espinassous.

Capi had, zooals gewoonlijk, met ons mede willen gaan, maar wij hadden hem in den stal van de herberg vastgelegd, daar wij het niet passend achtten om met een hond dien beroemden misicus uit Mende op te zoeken. [ 86 ]

Toen wij de woning bereikt hadden, welke men ons als die van den onderwijzer had aangewezen, meenden wij, dat men zich vergist had, want aan de deur van dit huis bengelden, twee koperen bekkens, wat nooit het uithangbord van een muziekonderwijzer zijn kon.

Toen wij dit uithangteeken gadesloegen, dat gewoonlijk door een barbier gebruikt wordt, trad ons juist een man voorbij, aan wien wij de woning van den heer Espinassous vroegen.

— Daar ginds, gaf hij ten antwoord, op den barbierswinkel wijzende.

Waarom zou een muziekonderwijzer ook niet in dezelfde woning als een barbier gehuisvest zijn?

Wij traden binnen; de winkel was in twee gelijke deelen verdeeld; aan de rechterzijde lagen op eenige planken borstels, kannen, potjes pommade en zeep; aan de linkerzijde waren tegen den muur verscheidene muziekinstrumenten bevestigd.

— Is mijnheer Espinassous tehuis? vroeg Mattia.

Een klein levendig mannetje, die luchtig heen-en-weer zweefde, was bezig een boer te scheren en antwoordde met een zware basstem:

— Die ben ik.

Ik wierp Mattia een blik toe, om hem aan het verstand te brengen, dat deze muzikant-barbier niet de geschiktste persoon was, om ons les te geven en dat het geld in 't water gegooid zou zijn, om ons tot hem te richten; maar inplaats van mij te begrijpen en te gehoorzamen, ging Mattia op een stoel zitten en zeide hij op vastbesloten toon:

— Wilt gij mijn haar knippen als gij dezen heer geschoren hebt?

— Zeker, jongmensch, en ik zal u ook scheren, indien gij dat verlangt.

— Dank u, zeide Mattia, vandaag niet, als ik terugkom. Ik was verbaasd over deze kalme vastberadenheid, welke Mattia aan den dag legde; hij gaf mij in het voorbijgaan een knipoogje, om mij te waarschuwen, dat ik mij nog niet boos moest maken.

Espinassous was spoedig gereed met het scheren van den boer en met het servet in de hand, maakte hij zich gereed om Mattia's haar te knippen.

— Mijnheer, zeide Mattia, terwijl het servet hem om den hals gebonden werd, mijn vriend en ik waren het daareven niet met ' elkander eens en daar wij weten, dat gij een beroemd musicus zijt, meenden wij, dat gij ons wel met uw raad zoudt willen bijstaan.

— Vertel mij maar, waarover gij het niet eens worden kondt, jongelui. Ik begreep nu welk doel Mattia had: in de eerste plaats wilde hij weten of deze musicus wel instaat was onze vragen te be[ 87 ]antwoorden en dan, zoo zijn antwoorden ons voldeden, of hij ons een muziekles wilde geven voor denzelfden prijs als men haarsnijdt; Mattia was slim.

Waarom, vroeg Mattia, stemt men de viool altijd op dezelfde noten?

Ik dacht dat de kapper, die juist op het punt stond om de kam door het lange haar van Mattia te halen, een soortgelijk antwoord als ik wilde geven en ik lachte reeds in mijn vuistje, toen hij eensklaps het woord nam:

De tweede snaar aan den linkerkant van het instrument moet de la van den normalen toon aangeven; de andere snaren moeten zóó gestemd worden, dat zij van quint tot quint de noten aangeven, dat is te zeggen, de sol, de vierde snaar; , derde snaar; la, tweede snaar; mi, eerste snaar.

Ik begon niet te lachen, maar Mattia barstte in een schaterlach los; dreef hij den spot met mijn verbaasd gelaat? of was het slechts blijdschap dat hij vernam, wat hij te weten wilde komen? In elk geval, dit is zeker, dat hij schaterend lachte.

Ik bleef met open mond dien haarsnijder gadeslaan, die, terwijl hij zich om Mattia keerde en wendde en met zijn schaar klapte, zooveel wijsheid uitbracht.

— Welnu, zeide hij, plotseling voor mij stilstaande, ik geloof dat mijn kleine klant geen ongelijk had.

Gedurende het knippen van zijn haar, raakte Mattia niet uitgeput in vragen en overal gaf de barbier een antwoord op met dezelfde gemakkelijkheid en zekerheid.

Maar toen hij zijn antwoord gegeven had, begon hij zelf te vragen en spoedig wist hij met welk doel wij hem hadden opgezocht.

Hij barstte toen zelf in een schaterlach los.

— Dat zijn een paar flinke jongens, zeide hij, maar hoe dwaas van jelui!

Daarop wilde hij, dat Mattia, die nog wel zoo dwaas was als ik, hem een stukje zou voorspelen; Mattia nam dapper zijn viool en begon te spelen.

— En gij kent geen noot muziek! riep de kapper, in de handen klappende.

Ik heb reeds verteld, dat er verscheidene instrumenten tegen den muur hingen, waaronder zich ook een klarinet bevond, die Mattia loshaakte en waarop hij toen begon te spelen.

— Ik speel ook op de klarinet en trompet, zeide hij.

— Speel dan maar voort! riep Espinassous.

En Mattia speelde op elk instrument een stukje.

— Dat is een wonderkind! riep de barbier; als gij bij mij blijven wilt, dan zal ik een groot muzikant van u maken! 's Morgens helpt gij mij in het scheren en den verderen dag moogt gij met [ 88 ]mij werken. Meen niet, dat ik u geen goed onderwijs zou geven, omdat ik barbier ben; men moet leven, eten, drinken, slapen en daarvoor zorgt mijn scheermes; al zorg ik voor een ieders baard, daarom ben ik nog geen slecht musicus.

Toen ik dit hoorde, zag ik Mattia bezorgd aan. Wat zou hij antwoorden? Zou ik mijn vriend, mijn makker, mijn broeder verliezen, zooals ik achtervolgens allen die ik beminde, verloren had? Mijn hart kromp ineen. Toch wilde ik aan mijn gevoel niet toegeven. De toestand waarin wij ons bevonden, geleek zeer veel op dien, waarin ik met Vitalis verkeerd had, toen mevrouw Milligan mij bij zich wilde houden: ik wilde mezelf niet dezelfde verwijten doen, die Vitalis zich gedaan had.

— Denk slechts aan u zelf. Mattia, zeide ik op ontroerden toon.

Maar hij wendde zich eensklaps tot mij, terwijl hij mijn hand vatte.

— Mijn vriend verlaten! dat zou mij niet mogelijk zijn. Ik dank u zeer voor uw aanbod, mijnheer.

Espinassous bleef echter bij hem aandringen en beweerde, dat, als Mattia zijn eerste opvoeding bij hem genoten had, men wel een middel zou vinden, om hem naar Toulouse te zenden en vandaar naar het conservatoire te Parijs; maar Mattia antwoordde onveranderlijk:

— Nooit zal ik Rémi verlaten.

Welnu, mijn jongen, ik wil iets voor u doen, zeide Espinassous; ik zal u een boek geven, waaruit gij alles kunt leeren, wat gij niet weet.

Hij begon toen in zijn laden te zoeken: na geruimen tijd, vond hij een boek, dat den titel droeg: Theorie der muziek; het was een oud versleten boek, maar dat deed er niets toe.

Daarop nam hij een pen en schreef op de eerste bladzijde: „Een geschenk aan het kind, dat, als het eenmaal een kunstenaar geworden is, zich den kapper van Mende herinneren zal."

Ik weet niet of zich in dien tijd andere muziekonderwijzers in Mende bevonden dan de barbier Espinassous, maar dezen hebben wij gekend en wij hebben hem nooit vergeten.