Alleen op de wereld/Hoofdstuk XLI
| ← DE ANGST VAN MATTIA | Alleen op de wereld (1880) door Hector Malot, vertaald door Gerard Keller | DE ZWAAN → |
| Uitgegeven in 's-Gravenhage door Henri J. Stemberg. Van dit artikel bestaat een wikisource HERTALING in modern Nederlands. |
[ 207 ]
XX.
вов.
Eerst lang nadat ik weder in mijne gevangenis zat, begon ik de reden te begrijpen, waarom men mij niet in vrijheid had gesteld: de rechter wilde wachten tot de andere personen, welke in de kerk gedrongen waren, in hechtenis waren genomen, om te zien of ik hun medeplichtige was.
Men was hen op het spoor, had het openbaar ministerie gezegd; ik zou dus de smart en de schande hebben om weldra weder op de bank der beschuldigden naast hen te zitten.
Wanneer zou dat gebeuren? Wanneer zou ik overgebracht worden naar de gevangenis van het graafschap? Waar was die? Was die nog akeliger dan de gevangenis waar ik nu opgesloten was?
Die vragen hielden mij zoo bezig, dat de tijd spoediger voorbijging dan den vorigen dag. Ik was niet meer ten prooi aan het ongeduld, waarvan men de koorts krijgt. Ik wist, dat ik moest wachten.
En nu eens heen en weer loopende, dan weder op mijne bank zittende, wachtte ik.
Even voor de nacht viel hoorde ik op den horen blazen en ik herkende terstond het spel van Mattia; de goede jongen wilde mij doen weten, dat hij aan mij dacht en waakte. Het geluid kwam van gindsche zijde van den muur, die over mijn venster was. Mattia moest dus aan de andere zijde van den muur zijn, in de straat en wij waren slechts door een korten afstand gescheiden, eenige ellen ternauwernood; ongelukkig konden mijne oogen niet door de steenen heendringen. Maar zoo het oog niet door de muren heendringt, het geluid gaat er overheen. De tonen van Mattia's horen gingen gepaard met het gedruis van voetstappen en uit het gegons, dat ik daar hoorde, begreep ik dat Mattia en Bob eene voorstelling geven.
Waarom hadden zij die plaats uitgekozen? Was het omdat zij daar op eene goede ontvangst konden rekenen? of wilden zij mij iets mededeelen?
Opeens hoorde ik eene heldere stem, die van Mattia, in het fransch roepen: „Morgen bij het aanbreken van den dag." Terstond daarop begon hij weder met kracht op zijn horen te blazen.
Men behoefde niet veel doorzicht te hebben om te begrijpen, dat Mattia niet tot het engelsche publiek die woorden „morgen bij het aanbreken van den dag" richtte. Zij waren voor mij bestemd. Maar wat zij beteekenden, was volstrekt zoo gemakkelijk niet te [ 208 ]raden, en wederom stelde ik mij een tal van vragen voor, waarop ik onmogelijk een bevredigend antwoord kon vinden.
Eene enkele zaak was duidelijk en klaar: den anderen morgen bij het aanbreken van den dag moest ik wakker zijn en opletten. Tot zoolang behoefde ik maar geduld te hebben, als mij dit mogelijk was.
Zoodra het geheel donker geworden was, ging ik in mijn hangmat liggen en trachtte ik in te slapen; ik hoorde achtervolgens op de omliggende torenklokken de uren slaan; toen overviel mij de slaap en droeg me op zijne vleugelen mede.
Toen ik wakker werd, was het nog stikdonker nacht; de sterren schitterden aan den donkeren hemel; zeker was de morgen nog ver. Toch ging ik op mijn bank zitten, en ik bleef daar zitten, uit vrees, dat ik de aandacht zou wekken van den cipier, zoo deze misschien eene ronde mocht doen. Weldra sloeg het drie uren op de nabijgelegen torenklok. Ik was dus te vroeg opgestaan; maar ik durfde niet meer gaan slapen, en ik geloof zelfs, als ik het had beproefd, dat het toch niet gelukt zou zijn. Ik was te koortsachtig, te angstig.
Mijne eenige bezigheid was nu de uren te tellen die de klokken aangaven, maar wat duurden die vijftien minuten lang tusschen het eene kwartier en het andere; soms zoo lang zelfs, dat ik meende te zijn ingedommeld en een kwartier te hebben overgeslagen of wel, dat de klok van streek was.
Tegen den muur geleund, had ik de oogen onafgebroken op het venster gericht; het scheen mij eindelijk toe, dat de ster, die ik in het oog had, haar glans verloor en dat de lucht witter werd.
Het was de nadering van den dag; in de verte begonnen de hanen te kraaien.
Ik stond op en op de tonen sloop ik naar het venster om het te openen. Dit was eene moeilijke taak, want ik wilde voorkomen dat men het knarsen of piepen zou hooren, maar door het zeer zacht en vooral zeer langzaam te doen, slaagde ik er toch in.
Hoe gelukkig dat mijne cel zich bevond in eene voormalige lage zaal, die tot gevangenis was ingericht en dat men het op de ijzeren tralien had laten aankomen om de gevangenen te bewaren, want als ik mijn venster niet had kunnen openen, zou ik nooit Mattia hebben kunnen beantwoorden. Maar het raam open te maken was nog niet alles; de ijzeren staven bleven, en ook de dikke muren en de deur met het ijzeren beslag. Het was dus eene dwaasheid aan de vrijheid te denken, en toch hoopte ik.
Də sterren verbleekten al meer en meer en de koude morgenlucht deed mij bibberen; toch verliet ik het raam niet; ik bleef daar staan en luisterde en keek, zonder te weten wat ik doen moest of waarnaar ik luisterde. [ 209 ]
Een groot wit doek scheen naar de lucht te worden opgetrokkeu en op den grond werden meer en meer de voorwerpen in duidelijke trekken kenbaar. Het was thans het aanbreken van den dag waarvan Mattia gesproken had. Ik luisterde met ingehouden adem; maar ik hoorde niets dan het kloppen van mijn eigen hart.
Toen meende ik een licht krabbelen tegen den muur te vernemen, maar daar ik geen voetstappen gehoord had, dacht ik dat ik mij vergissen moest. Ik luisterde nogmaals aandachtig en het krabbelen duurde voort. Eensklaps zag ik een hoofd boven den muur uitkomen en terstond daarop bleek mij, dat het Mattia niet kon zijn; hoewel het nog slechts schemerde, herkende ik Bob.
Hij zag mij tegen mijne tralies gedrukt.
— St! riep hij op gedempten toon.
En met de hand maakte hij een gebaar dat scheen te beteekenen, dat ik mij niet van het venster moest verwijderen. Zonder hem nog te begrijpen, gehoorzaamde ik. In zijne andere hand had hij een langen koker, die mij toescheen van glas te zijn. Hij bracht dien aan den mond. Nu begreep ik dat het een blaaspijp was. Ik hoorde iets suizen en op hetzelfde oogenblik schoot een wit balletje door de lucht en viel voor mijne voeten neer. Onmiddellijk verdween het hoofd van Bob achter den muur en ik hoorde niets meer.
Ik wierp mij op het balletje; het was een dicht ineengefrommeld stuk fijn papier om een hageltje. Het kwam me voor dat er letters op waren geschreven, maar het was nog niet helder genoeg om ze te kunnen lezen. Ik moest dus wachten tot de dag was doorgebroken.
Met even groote behoedzaamheid als ik het raam had geopend, sloot ik het nu weer en kroop dadelijk in mijn hangmat, het balletje in mijne hand geklemd houdende.
Langzaam, zeer langzaam voor mijn ongeduld werd de hemel lichter, en eindelijk viel er een rosachtige gloed op mijn muur. Ik wikkelde nu het papier los en las:
„Morgen wordt gij naar de gevangenis van het graafschap overgebracht: gij reist met den spoortrein in een wagen-tweede klasse onder geleide van een politieagent; ga aan den kant van het portier zitten, waar gij instijgt. Als gij vijf en veertig minuten gespoord hebt (tel ze goed) zal de trein een weinig langzamer beginnen te loopen bij de nadering van een zijtak; doe dan het portier open en spring moedig uit den wagen. Spring vooruit met de handen uitgestrekt en zóó, dat gij op uwe voeten te land komt. Zoodra gij op den grond zijt, klim dan tegen den linkerspoordijk op; wij zullen daar met een rijtuig en een goed paard zijn om u op te nemen. Vrees niets; twee dagen later zijn wij in Frankrijk. Houd moed en hoop; spring vooral flink vooruit en zorg, dat gij op uw beenen te staan komt." [ 210 ]
Gered! Ik zou dus niet voor het gerechtshof verschijnen. Ik zou niet zien wat daar gebeurde!
O, die goede Mattia; die goede Bob! want deze was het, dit wist ik zeker, die zoo belangloos Mattia terzijde stond. „Wij zullen daar zijn met een goed paard." Mattia alleen had nooit zulk een plan kunnen maken.
Ik las het briefje nog eens over: „vijf en veertig minuten na uw vertrek; de linkerspoordijk; op mijn beenen terecht komen!"
Zeker zou ik flink springen, al moest 't mij het leven kosten. Het was beter te sterven dan veroordeeld te worden als dief.
Wat was dat heerlijk verzonnen!
Over twee dagen zouden wij in Frankrijk zijn.
Ondanks mijne blijdschap was er toch één ding, dat mij leed deed: wat zou er van Capi worden? Maar die gedachte liet ik spoedig varen. Het was niet mogelijk, dat Mattia Capi in den steek zou laten. Als hij een middel gevonden had om mij te doen ontsnappen, zou hij er ook wel een gevonden hebben voor Capi.
Ik las het briefje nog twee- of driemaal over. Daarna kauwde ik het fijn en slikte het door. Thans kon ik gerust slapen. Daarop legde ik mij zoo geheel toe, dat ik eerst ontwaakte, toen de cipier mij riep voor het ontbijt.
De tijd ging den anderen dag vrij spoedig om. In den namiddag kwam een politieagent, dien ik niet kende, in mijne cel en gelastte mij hem te volgen: ik zag met genoegen, dat het een man was van vijftig jaar ongeveer en die er niet heel vlug uitzag.
De zaken konden dus gebeuren, zooals Mattia had geschreven en toen de trein op gang was, nam ik plaats bij het portier aan den kant waar ik ingestegen was. Ik reed achteruit; de politieagent zat tegenover mij; wij waren de eenigen in de coupé.
— Spreekt gij engelsch? vroeg hij.
— Een beetje.
— Verstaat gij het?
— Zoowat, als men niet te gauw spreekt.
— Welnu mijn jongen, dan wil ik u een goeden raad geven.
— Wees niet koppig tegenover de rechters; beken. Dan zal iedereen even welwillend voor je worden. Niets ontstemt de menschen meer dan dat ontkennen tegen alle bewijzen in. Tegenover hen die voor hun schuld uitkomen is men altijd welwillend gezind. Ik zelf, bijvoorbeeld, wil u met pleizier een rijksdaalder geven, als gij me zegt hoe de zaak zich toegedragen heeft. Ge zult eens zien wat gij met dat geld in eene gevangenis doen kunt tot veraangenaming van uw lot.
Ik was op het punt om te antwoorden, dat ik niets te bekennen had, maar ik begreep nog bijtijds dat het beter was mij [ 211 ]de welwillendheid te verwerven, zooals hij het noemde, van den politieagent, en ik antwoordde dus niet.
— Gij kunt er over nadenken, ging hij voort, en wanneer gij in de gevangenis inziet, dat ik u een goeden raad gegeven heb, kunt ge mij doen roepen. Want, ziet ge, men moet zijn schuld niet bekennen aan den eerste den beste; men moet zijn man weten te kiezen, die dan met belangstelling u helpen zal, waar hij kan; en gij ziet wel dat ik geneigd ben u van dienst te zijn.
Ik knikte toestemmend.
— Vraag maar naar Dalphen; dien naam zult gij wel onthouden, nietwaar?
— Ja mijnheer.
Ik stond tegen het portier geleund, waarvan het glas was neergelaten. Ik vroeg hem verlof om het land te zien dat wij doorreisden en daar hij zich mijne „genegenheid wilde verwerven", zeide hij, dat ik kon kijken zooveel ik wilde. Wat had hij ook te vreezen: de trein was in volle vaart!
De lucht die door het open raampje binnendrong was ijskoud en hij verwijderde zich van het portier om middenin de coupé plaats te nemen.
Ik voor mij voelde geen tocht; ongemerkt stak ik mijn arm naar buiten en draaide met mijn rechterhand den knop om, maar hield het portier tegen.
De tijd ging voorbij, de locomotief floot en verminderde terstond in snelheid; eensklaps duwde ik het portier open en sprong zoover ik kon. Ik werd in de greppel geworpen; gelukkig hield ik de handen voor mij uit en greep ik in het gras van den spoordijk. Toch was de schok zoo hevig, dat ik naar beneden stortte en in zwijm viel.
Toen ik tot mij zelven kwam, meende ik nog in den spoortrein te zitten; want ik voelde, dat ik snel voortbewoog en ik hoorde het rollen van wielen. Ik lag op een bos stroo.
Zonderling! mijn gezicht was nat en op mijne wangen en mijn voorhoofd voelde ik een zachte streeling en een warmen adem.
Ik opende de oogen; een hond, een leelijke gele hond, lag over mij en likte mij.
Mijne oogen ontmoetten die van Mattia, die naast mij op zijne knieën lag.
— Gij zijt gered, zeide hij, terwijl hij den hond opzij duwde en mij omhelsde.
— Waar zijn wij?
— In een rijtuig. Bob ment.
— Hoe gaat het ermee? vroeg Bob, zich omkeerende.
— Ik weet niet, ik geloof goed.
— Beweeg uw armen en beenen eens! riep Bob. [ 212 ]
Ik lag op het stroo uitgestrekt en deed wat hij zeide.
— 't Is in orde, zeide Mattia; er is niets gebroken.
— Maar wat is er dan gebeurd?
— Gij zijt uit den trein gesprongen, zooals wij u geraden hadden. Maar de schok was zoo erg, dat gij gevallen zijt en in de greppel terecht gekomen. Toen wij u niet zagen verschijnen, is Bob langs den spoordijk afgezakt, terwijl ik het paard vasthield en hij heeft u naar boven gedragen. Wij dachten dat gij dood waart. Wat waren wij bang! Wat waren wij bedroefd! Maar nu zijt ge gered.
— En de politieagent?
— Hij reist verder met den trein, die niet stilstond. Nu wist ik het voornaamste. Ik wierp een blik om mij heen, en bespeurde nu een gelen hond, die mij vriendelijk aanzag met oogen, welke op die van Capi geleken. Maar het was Capi niet, want Capi was wit.
— En Capi? vroeg ik, waar is die?
Vóór dat Mattia mij geantwoord had, was de gele hond op mij gesprongen en likte mij, terwijl hij een zacht gejank deed hooren.
— Maar dat is Capi; wij hebben hem laten verven.
Ik beantwoordde de liefkoozingen van Capi, en drukte hem in mijne armen.
— Waarom hebt gij hem laten verven? vroeg ik.
— Dat is eene heele geschiedenis; ik zal ze u vertellen.
Maar Bob wilde niet, dat Mattia dat verhaal thans deed.
— Neem de teugels, zeide hij tot Mattia, en houd ze stevig vast; dan zal ik den wagen zóó in orde brengen, dat men hem niet aan de barrière herkent.
Het was een wagen met eene witte huif overspannen, die op hoepels rustte. Hij legde de hoepels erin, vouwde de huif in vieren en bedekte mij daarmede. Toen moest Mattia de teugels loslaten en zich ook onder de huif verbergen. Hierdoor kreeg de wagen een geheel ander voorkomen. Zij had geen huif meer en inplaats van drie personen, zat er maar één man in. Als men ons nazette, zou de beschrijving, die men van ons rijtuig gaf, geheel anders wezen dan ze voor een halfuur zou zijn geweest, en dit zou dus onze vervolgers op een dwaalspoor brengen.
— Waar gaan wij heen? vroeg ik aan Mattia, toen hij naast mij lag.
— Naar Littlehampton; dat is een kleine zeehaven, waar Bob een broer heeft die schipper is op een bootje, dat op Frankrijk vaart, en te Isigny in Normandie boter en eieren haalt. Als wij gered worden — en wij zullen gered worden — zullen wij het aan Bob te danken hebben. Die heeft alles gedaan. Wat had ik voor u kunnen doen, ik arme domme knaap! Bob is op het denkbeeld [ 213 ]gekomen om u uit den trein te doen springen, en mijn briefje door een blaaspijp toe te werpen, en hij is het, die zijne kameraads bewogen heeft om hem dit paard te leenen. Hij is het ook, die ons een schip zal bezorgen om naar Frankrijk over te steken, want ge begrijpt wel dat, zoo we op een stoomboot plaats namen, ġij weer in hechtenis zoudt worden genomen. Nu ziet ge hoe goed het is vrienden te hebben.
— En wie is op de gedachte gekomen om Capi mede te nemen?
— Ik, maar Bob heeft hem geel doen verven om hem niet kenbaar te maken, toen wij hem aan den agent Jerry hadden ontstolen — dien slimmen Jerry, zooals de rechter hem noemde, die nu toch volstrekt niet slim is geweest, want hij heeft zich den hond afhandig laten maken zonder er iets van te bemerken.
— Trouwens, toen Capi mij geroken had, heeft hij het eigenlijk alleen gedaan en bovendien kent Bob al de kunstjes van de hondendieven.
— En uw voet?
— Die is genezen, of tenminste zoogoed als genezen; ik heb geen tijd gehad om eraan te denken.
Op de wegen in Engeland zijn tollen, die bovendien strekken om toezicht te houden op hen, die er doorrijden. Als wij bij zulk een tol kwamen, waarschuwde Bob ons, dat wij niet moesten spreken en ons niet moesten verroeren; hij betaalde en de tolgaarder zag slechts één man. Bob zeide de eene of andere aardigheid; men lachte en het rijtuig reed door.
Hij had als clown een groot talent gekregen om zijn gezicht een ander voorkomen te geven en nu geleek hij precies een boer en zelfs zij, die hem kenden, zouden nooit gedacht hebben, dat die boer Bob was.
Wij reden zeer snel, want het was een flink paard en Bob een goed koetsier. Nu en dan moesten wij echter halt houden, om het dier te laten uitblazen en het wat eten te geven. Maar daarvoor legden wij niet bij eene herberg aan; Bob hield stil in het midden van een bosch, maakte dan de teugels los en hing het paard een zak met haver om den kop, dien hij uit den wagen haalde. Het was een donkere nacht en wij liepen niet veel gevaar om betrapt te worden.
Ik kon niet nalaten om mij tot Bob te wenden en in eenige gevoelige woorden hem mijn dank te betuigen; maar hij liet mij geen tijd om alles te zeggen wat ik op het hart had.
— Gij hebt mij een dienst gedaan, zeide hij, terwijl hij mij een hartelijken handdruk gaf, en nu doe ik u een dienst; elk op zijn beurt. Bovendien, ge zijt een broer voor Mattia en voor zoo'n goeden jongen als hij, wil men wel wat doen.
Ik vroeg hem, of wij nog ver van Littlehampton waren. Hij [ 214 ]antwoordde me, dat wij nog ruim een paar uren hadden te rijden en dat wij ons haasten moesten, omdat de boot van zijn broer elken Zaterdag naar Isigny vertrok en dat, naar hij meende, de vloed zeer vroeg inviel. Het was Vrijdagnacht.
Wij namen onze plaats weder in op het stroo onder de opgevouwen huif, en het paard, dat uitgerust had, rende in gestrekten draf voort.
— Ben-je bang? vroeg Mattia.
— Ja en neen; ik ben bang, dat men mij weder vatten zal. Als men vlucht, is dit geen bewijs, dat men schuld heeft? Dat vooral hindert me; wat zou ik tot mijne verdediging kunnen aanvoeren?
— Daar hebben wij ook wel aan gedacht; maar Bob was van oordeel, dat wij alles moesten wagen om te voorkomen, dat gij voor het gerecht moest verschijnen. Het is zoo treurig daar geweest te zijn, zelfs al wordt men vrijgesproken. Ik zelf heb niets durven zeggen, omdat ik zoo vast besloten had u naar Frankrijk mede te nemen en dit voornemen mij misschien een slechten raad zou hebben gegeven.
— Gij hebt wel gedaan; wat er ook gebeuren moge, ik zal u altijd dankbaar zijn.
— Er zal niets gebeuren, wees daar gerust op. Als de trein stilstaat, zal uw agent zijn rapport hebben gemaakt, maar vóór men de maatregelen nog genomen heeft om u op te sporen, zal er een heele tijd zijn verstreken en wij hebben in vliegenden draf gereden. Bovendien kan men onmogelijk weten, dat wij naar Littlehampton zijn gereden om daar ons in te schepen.
Het was zeker, dat, zoo men ons niet op het spoor was, er heel veel kans bestond, dat wij ons zouden kunnen inschepen zonder dat wij ontdekt waren. Maar ik was zoo zeker niet als Mattia, dat de politieagent bij zijne aankomst aan het station zooveel tijd zou hebben verloren laten gaan, om ons na te zetten. Dát was het gevaar en dit kon zeer groot zijn.
Ons paard, dat flink gemend werd door Bob, legde intusschen in vliegenden rit den eenzamen weg af. Van tijd tot tijd slechts reden wij eenige rijtuigen voorbij, maar geen een haalde ons in. In de dorpen, die wij doorreden, heerschte diepe rust en slechts zeer enkele vensters waren verlicht. Alleen gaven de honden nu en dan, door aan te slaan, blijk, dat zij onzen snellen rit hoorden en zij vervolgden ons nog lang met hun geblaf. Als na eene steile helling Bob zijn paard een oogenblik inhield om het te laten uitblazen, klommen wij uit den wagen en legden wij het oor op den grond om te luisteren, maar zelfs Mattia, die fijner hoorde dan wij, vernam geenerlei verdacht geluid. Wij reisden in de duisternis, in de stilte van den nacht. [ 215 ]
Het was ook niet meer om ons te verbergen dat wij onder de huif lagen; maar om ons te beschermen tegen de koude, want er woei een snerpende wind. Als wij met onze tong over de lippen streken, proefden wij zout: een bewijs, dat wij de zee naderden. Weldra zagen wij een licht, dat met regelmatige tusschenpoozen verdween, om dan weder helder te voorschijn te komen: het was de baak; dus moesten wij nabij de kust zijn.
Bob hield zijn paard in en liet het stappen, nadat hij een zijweg was ingeslagen. Hier deed hij ons uit den wagen klimmen en zeide, dat wij op het paard moesten passen. Hij zelf ging zien of zijn broeder nog niet vertrokken was en of wij zonder gevaar ons op zijne boot konden inschepen.
Ik moest bekennen, dat de tijd, dien Bob wegbleef, mij lang, ontzaglijk lang viel. Wij spraken niet; wij hoorden op korten afstand de golven breken op de kust met eene eentonigheid, die onze ontroering nog verhoogde. Mattia beefde even erg als ik.
— 't Is van de kou, zeide hij op fluisterenden toon.
Was dat waar? Zeker was het, dat als eene koe of een schaap in de weide, waarlangs onze weg liep, een steen aanraakte of langs de heg schoof, wij nog meer ontroerden en erger beefden.
Eindelijk hoorden wij voetstappen aan de zijde van den weg, dien Bob was gevolgd. Hij moest het wezen; mijn lot zou worden beslist.
Bob was niet alleen. Toen hij naderbij kwam, zagen wij dateriemand met hem was. Een man met een geoliede overjas en een wollen muts.
— Dat is mijn broer, zeide Bob. Hij wil u wel aan boord nemen; hij zal u verder geleiden en wij moeten scheiden, want men behoeft niet te weten, dat ik hier geweest ben.
Ik wilde Bob bedanken, maar hij viel mij in de rede en, terwijl hij mij een hand gaf, zeide hij.
— Laten wij daarover niet praten; men moet elkander helpen; wij zullen elkaar nog wel eens weerzien. Het doet me plezier, dat ik Mattia van dienst heb kunnen zijn.
Wij volgden den broer van Bob en weldra waren wij in de eenzame straten van het stadje. Na eenige omwegen, hadden wij de kade bereikt en de zeewind woei ons in het gelaat.
Zonder een woord te spreken wees ons Bobs broer naar een vaartuig, dat gereed lag om te vertrekkon. Wij begrepen dat dit het zijne was, en in weinige minuten waren wij aan boord; toen zond hij ons naar eene kleine kajuit.
— Ik vertrek pas over een paar uur, zeide hij; blijf daar en maak geen gedruis.
Toen hij de deur van de kajuit op slot had gedaan, sloop Mattia onhoorbaar naar mij toe en drukte mij in zijne armen. Thans beefde hij niet meer.