Alleen op de wereld/Hoofdstuk X

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk X) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie


VOOR DE RECHTER[bewerken]

AodW10a.jpg

Van Pau heb ik een zeer aangename indruk ontvangen: in deze stad waait het bijna nooit.

En daar wij de stad in de winter bezochten, overdag op straat waren of op openbare pleinen onze voorstellingen gaven, kan men begrijpen, dat het verblijf daar voor mij een genot was.

Toch was dit niet de oorzaak, dat wij, in strijd met onze gewoonte, zolang op dezelfde plaats bleven; het was een andere, zeer overwegende reden, namelijk: de overvloedige opbrengst van onze voorstellingen.

Wij hadden gedurende de winter steeds een talrijk kinderpubliek dat nooit genoeg leek te krijgen van ons repertoire en nooit riep: "Is het alweer hetzelfde."

Voor het grootste gedeelte waren het Engelse kinderen: opgeschoten knapen met rode wangen en kleine meisjes met grote ogen, die bijna even mooi waren als die van Dolce. Bij die gelegenheid leerde ik de ‘‘Alberts’‘, de ‘‘Huntleys’‘ en andere lekkernijen kennen, waarmee zij, vóórdat ze naar de voorstelling gingen, altijd hun zakken vulden om ze dan met milde hand tussen Joli-Coeur, de honden en mij te verdelen.

Toen de lente zich door enige warme dagen aankondigde, werd ons publiek minder talrijk en na de voorstelling kwamen de kinderen meer dan eens een hand geven aan Joli-Coeur en Capi. Zij kwamen nu afscheid nemen, want de volgende dag zouden wij ze niet meer zien.

Weldra stonden wij weer geheel alleen op de pleinen en moesten wij er ook weer aan gaan denken andere plaatsen op te zoeken.

Op een morgen begaven we ons op weg en weldra hadden wij de torens van Gaston Phoebus en Montauset geheel uit het gezicht verloren.

Ons zwervend leven had opnieuw een aanvang genomen en wij volgden weer de grote weg.

Geruime tijd, hoeveel dagen en weken weet ik niet, liepen wij steeds recht toe, recht aan, nu weer trokken we door een dal, dan weer beklommen we een heuvel, terwijl aan onze rechterzijde de blauwachtige toppen van de Pyreneeën zich verhieven, die leken op opstapelende wolken.

Eindelijk bereikten wij op een avond een grote stad, die aan de oever van een rivier gelegen was, en door de vruchtbaarste velden was omringd; de huizen waren merendeels zeer lelijk en geheel uit rode steen gebouwd; de straten waren belegd met puntige keien, welke erg veel pijn deden aan de voeten van reizigers, die reeds een tiental mijlen per dag hadden afgelegd.

Vitalis zei mij, dat het Toulouse was en dat wij daar lang zouden vertoeven.

Zoals gewoonlijk, was de volgende dag ons eerste werk om te zorgen, dat wij een geschikte plaats voor onze voorstellingen hadden.

Wij vonden er verscheidene, want Toulouse heeft een aantal pleinen, vooral in het deel van de stad dat in de buurt van de Jardin des Plantes is. Er is daar een mooi grasveld dat door grote bomen beschaduwd wordt en waarop diverse boulevards uitkomen die men alleeën noemt. Wij begonnen op een van die alleeën en vanaf onze eerste voorstelling hadden wij een talrijk publiek.

Helaas zag de agent van politie die de plaats moest bewaken onze vertoning met ongenoegen. Of het nu was omdat hij niet van honden hield, of omdat wij hem zijn dienst er moeilijker maakten, of om welke andere reden ook, hij wilde dat we deze plaats verlieten.

Misschien was het van ons verstandiger geweest om deze plagerij in te willigen, want in een strijd tussen arme zwervers, zoals wij, en een politieagent, staan de partijen niet gelijk; maar mijn meester dacht er anders over.

Hoewel hij slechts honden en apen vertoonde, bezat hij toch een zeker gevoel van trots, of liever zijn gevoel van recht was sterk bij hem ontwikkeld; daarom gaf hij zijn overtuiging te kennen, zoals hij zelf verklaarde, dat hij beschermd moest worden, zolang hij niets deed, wat met de wet of met enige politieverordening in strijd was.

Hij weigerde dus om aan de agent te gehoorzamen, toen deze ons van het plein wilde wegsturen.

Of mijn meester zich niet door zijn drift wilde laten beheersen of wel lust gevoelde om een zaak in een bespottelijk daglicht te stellen -- hetgeen hem dikwijls overkwam -- hij overdreef de Italiaanse beleefdheid in de hoogste mate en ook thans zou men bijna menen, als men hem hoorde spreken, dat hij het woord tot een van de aanzienlijkste overheidspersonen richtte.

--Kan de hoogst illustere vertegenwoordiger van de overheid, zei hij, terwijl hij met zijn hoed in de hand den agent antwoordde, mij een verordening tonen, welke van die overheid is uitgegaan en waarbij het aan toneelspelers, zoals wij, verboden is, hun weinig winstgevende zaak op deze publieke plaats te drijven?

De agent gaf hierop ten antwoord, dat hier niet te twisten, maar te gehoorzamen viel.

--Zonder twijfel, sprak Vitalis, en dat begrijp ik ook zeer goed; ik beloof u ook mij geheel volgens uw bevelen te gedragen, zodra u mij de voorschriften daaromtrent hebt getoond.

Die dag keerde de agent ons de rug toe, en mijn meester, met zijn hoed in de hand, de arm in de zijde en in enigszins voorovergebogen houding. vergezelde hem een eind, terwijl hij in stilte lachte.

Maar de volgende dag kwam hij terug, stapte zelfs over het touw heen, waarmee ons terrein was afgesloten en stoorde hij ons midden in onze voorstelling.

--U moet uw honden muilbanden, zei hij op barse toon tot Vitalis.

--Mijn honden muilbanden?

--Er bestaat een politieverordening; dat moest u weten.

We speelden juist ‘’De gezuiverde zieke’’, en omdat we dat spel nog niet eerder in Toulouse hadden opgevoerd, was het publiek een en al aandacht.

De onderbreking van de agent deed onder de toeschouwers een gemompel van afkeuring ontstaan en zij riepen:

--Stoor hem niet!

--Laat eerst de voorstelling eindigen!

Maar met een enkele beweging van de hand beval Vitalis stilte.

Hij zette daarop zijn vilten hoed, die met pluimen versierd was, af, en boog zeer onderdanig voor het publiek, naderde de agent met drie diepe buigingen en zei toen:

--Heeft de illustere vertegenwoordiger van de overheid gezegd dat ik mijn komedianten moet muilbanden?

--Ja, muilband uw honden en zo spoedig mogelijk.

--Capi, Zerbino en Dolce muilbanden, riep Vitalis, meer tot het publiek dan tot de agent, maar Uwe Heerlijkheid kan dat niet menen! Hoe zou de geleerde dokter Capi, die wereldberoemd is, zijn geneesmiddelen kunnen voorschrijven om den knikker uit de maag van den heer Joli-Coeur te verwijderen, wanneer de heer Capi een muilband voor zijn neus droeg? Het zou nog gaan, wanneer het een ander toestel ware, dat meer in overeenstemming was met zijn vak, maar dat volstrekt niet voor een mensenneus geplaatst wordt.

Deze woorden wekten zeer den lachlust van het publiek op. De heldere kreten van de kinderen vermengden zich met de stemmen van de ouders.

Vitalis, aangemoedigd door deze toejuichingen, vervolgde:

--En hoe zou onze bekoorlijke Dolce, onze ziekenoppasseres, aan haar welsprekendheid kunnen voldoen, en op haar bevallige wijze onze zieke kunnen overreden, zijn ingewanden te laten uitbezemen en schoonmaken, indien zij aan de punt van haar neus het toestel droeg, dat de illustere vertegenwoordiger van de overheid haar wil geven? Ik vraag het geëerde publiek om dit te beslissen?

Het geëerde publiek, waarvan de hulp aldus werd ingeroepen, gaf niet terstond antwoord, maar het lachen was reeds voldoende; men gaf Vitalis gelijk en bespotte de agent, en vooral schepte men behagen in Joli-Coeur, die, achter de rug van de ‘illustere vertegenwoordiger van de overheid’, dwaze gezichten trok, met zijn armen voor het lichaam gekruist en zijn vuist stevig op zijn heup en zijn kop naar achteren gooide met een vrolijkmakend gezicht van overdreven beleefdheid.

Geërgerd door de woorden van Vitalis, wanhopend over het lachen van het publiek, keerde de agent, die niet tot de geduldigste mensen scheen te behoren, zich plotseling om.

Maar hij ontdekte toen de aap, die met zijn hand in de zijde als een kampvechter stond; enige seconden lang bleven de man en het dier tegenover elkaar staan en zagen zij elkaar strak aan, in afwachting, wie van beiden het eerst den blik zou neerslaan.

Het uitbundig gelach maakte een einde aan dit toneel.

--Als uw honden niet gemuilband zijn, riep de agent, terwijl hij ons met de vuist dreigde, dan maak ik proces-verbaal op; meer zeg ik niet.

--Tot morgen, signor, zei Vitalis, tot morgen.

En terwijl de agent zich met grote schreden verwijderde, bleef Vitalis als in tweeën gevouwen, zo eerbiedig mogelijk staan; daarop werd de voorstelling vervolgd.

Ik dacht dat mijn meester de muilbanden voor zijn honden zou gaan kopen; maar hij deed het die avond niet en sprak zelfs in het geheel niet over zijn twist met de politieman.

Ik verstoutte mij toen om zelf dat onderwerp ter sprake te brengen.

--Als u wilt, dat Capi morgen gedurende de voorstelling zijn muilband niet stuk zal maken, dan zou u hem van te voren wel eens kunnen passen. Hij zal er dan misschien aan gewend zijn.

--Meen jij dan, dat ik ze zo'n ijzeren masker zal opzetten?

--Mij dunkt, dat die agent zeer veel lust heeft om u in moeilijkheden te brengen.

--Je bent maar een boerenknaap, en evenals alle boeren ben je bang voor de politie en de gendarmes. Maar wees gerust; ik zal morgen wel zorg dragen, dat hij geen proces-verbaal kan opmaken en tevens er voor waken, dat mijn leerlingen zich niet al te ongelukkig gevoelen. Van de andere kant zal ik ook trachten het publiek enig genoegen te verschaffen. Die agent moet ons een goede ontvangst bezorgen en een dwaze rol spelen in het stuk, dat ik gereedmaak; dat zal nog enige afwisseling in ons repertoire brengen en ons zelf enig voordeel kunnen geven. Daarom ga jij morgen alleen naar het terrein met Joli-Coeur; je moet de koorden spannen en een stukje op de harp spelen; wanneer je je omringd ziet door een groot publiek en de agent er is, dan zal ik met mijn honden komen. Dan eerst neemt de voorstelling een aanvang.

Ik vond het niets prettig om alleen deze toebereidselen voor de voorstelling te gaan maken; maar ik begon mijn meester reeds een weinig te leren kennen en wist in welke gevallen ik hem weerstand kon bieden. Het was meer dan waarschijnlijk dat, in de gegeven omstandigheden, er voor mij weinig kans bestond om hem zijn plan te doen opgeven; ik besloot dus hem te gehoorzamen.

De volgende dag begaf ik mij naar het plein en spande daar het touw. Nauwelijks had ik enige akkoorden aangeslagen of van alle kanten snelde men toe.

In de laatste tijd, vooral gedurende ons verblijf te Pau, had mijn meester mij dikwijls op de harp laten spelen en ik kende thans enige stukjes van buiten. Vooral had ik een Napolitaans canzonetta, dat ik met zang begeleidde en dat mij de algemene bijval van het publiek deed verwerven.

Ik was in zeker opzicht reeds een kunstenaar in mijn hart, want ik geloofde, dat als onze troep veel succes had, dit ook aan mijn talent moest worden toegeschreven; toch begreep ik wel dat de talrijke opkomst van het publiek niet kwam door mijn canzonetta.

Zij, die de vorige avond bij den twist tussen de agent en mijn meester tegenwoordig waren geweest, kwamen thans terug en hadden zelfs hun vrienden medegebracht. De agenten van politie waren bij de inwoners van Toulouse, evenals in de meeste andere steden, niet gezien en men was nieuwsgierig hoe de oude Italiaan, zich van deze zaak zou afmaken en met zijn vijand zou omspringen. Hoewel Vitalis niets anders gezegd had, dan: "tot morgen, signor," had toch iedereen begrepen, dat die woorden de aankondiging waren van een grote voorstelling, waarbij men in de gelegenheid zou worden gesteld ten koste van de politie te lachen.

Toen zij mij dus alleen met Joli-Coeur zagen, stoorde men mij bij herhaling in mijn spel, om mij te vragen waar de "Italiaan" bleef.

--Hij komt straks.

En ik vervolgde mijn canzonetta.

Niet mijn meester, maar de agent van politie kwam. Joli-Coeur zag hem het eerst en zette terstond de hand weer in de zijde, en, terwijl hij het hoofd in den nek wierp, liep hij statig ons terrein op en neer.

Het publiek barstte los in een schaterlach en juichte hem van alle kanten toe.

De agent raakte enigszins van zijn stuk en wierp mij een woedenden blik toe.

Dit wekte nog meer de lachlust van het publiek op.

Ik zelf had ook wel zin te lachen, maar toch was ik niets op mijn gemak. Wat zou hiervan het gevolg wezen? Als Vitalis er nu maar was, dan zou hij de agent ten minste te woord kunnen staan. Maar ik was geheel alleen en ik moet eerlijk bekennen, dat ik niet weten zou, wat ik de agent antwoorden moest, wanneer hij mij aansprak.

Het voorkomen van de agent stelde mij volstrekt niet gerust; hij zag er kwaad uit en het scheen dat hij zeer driftig was.

Hij liep langs het touw heen en weer en zo vaak hij dicht bij mij kwam, zag hij mij aan met een paar ogen, die niet veel goeds voorspelden.

Joli-Coeur, die volstrekt de ernst van deze toestand niet inzag, amuseerde zich met de houding van de agent. Hij liep ook langs het touw, maar aan de binnenkant, terwijl de agent aan de buitenkant liep. Als hij langs mij kwam, keek hij me over zijn schouder aan met zo’n leuk gezicht dat het publiek twee keer zo hard lachte.

Ik wilde de wanhoop van de agent niet tot het uiterste drijven en riep Joli-Coeur bij mij, maar deze wilde niet gehoorzamen en ontsnapte mij telkens, wanneer ik op het punt was hem machtig te worden.

Ik weet niet hoe het kwam, maar de agent, wiens drift hem scheen te verblinden, dacht juist, dat ik den aap aanhitste en stapte over het touw heen.

In twee sprongen stond hij voor mij en ik werd bijna omver geworpen door een oorveeg.

Toen ik weer opstond en mijn ogen opende, stond, ik weet niet hoe, Vitalis tussen mij en de agent, die hij bij zijn kraag vasthield.

--Ik verbied u het kind te slaan, zei hij; wat u gedaan hebt is een laagheid.

De agent wilde zijn hand losmaken, maar Vitalis hield hem stevig vast.

Gedurende enige seconden zagen de beide mannen elkaar strak aan.

De agent was buiten zich zelf van woede.

Mijn meester had een schoon, voornaam voorkomen, zijn hoofd, omringd door grijze haren, hield hij steeds recht opgeheven en op zijn gelaat stond de hoogste verontwaardiging te lezen.

Het was mij alsof hij de agent met zijn blik in de grond wilde boren, maar dat gebeurde niet; eensklaps rukte deze zijn hand los, greep mijn meester bij de kraag en wierp hem ruw van zich af.

Vitalis viel bijna op de grond, met zoveel kracht stootte de agent hem van zich af; maar hij bleef nog juist staan en gaf met de rechterhand de agent een geduchte slag.

Mijn meester was weliswaar een krachtig gebouwd man, maar hij was een grijsaard; de agent nog een jeugdige man, vol van kracht, de strijd tussen hen kon dus niet van langen duur zijn.

Maar er was geen strijd.

--Wat wilt u? vroeg Vitalis.

--Ik neem u in hechtenis; volg mij naar het bureau.

--Waarom hebt u dit kind geslagen?

--Geen praatjes, volg mij.

Vitalis gaf geen antwoord, maar wendde zich tot mij.

--Keer naar de herberg terug, blijf daar met de honden, ik zal je wel nader bericht zenden.

Hij kon niets meer zeggen; de agent trok hem mee.

Zo eindigde de voorstelling, waarvan mijn meester iets leuks had willen maken, op een treurige manier.

De honden wilden eerst hun baas volgen, maar toen ik hun beval bij mij te blijven, kwamen zij, gewoon om te gehoorzamen, terug. Ik zag toen, dat zij gemuilband waren, maar in plaats dat hun neus in een ijzeren toestel of een netwerk besloten was, droegen zij slechts een zijden lapje, dat met een lint om hun snoet gebonden was. Capi, die wit was, had een rode doek; Zerbino, zwart van haar, een witte; de grijze Dolce was met een blauwe lap getooid. Het waren muilbanden die voor het toneel waren bestemd en ongetwijfeld had Vitalis de honden zo uitgedost, om den agent een poets te spelen.

Het publiek was terstond uiteen gegaan; enige toeschouwers waren nog blijven staan om het gebeurde met elkaar te bepraten.

--De oude had gelijk.

--Hij had ongelijk.

--Waarom heeft de agent het kind geslagen, dat hem niets gezegd noch gedaan had?

--Het is een lelijk geval; de oude zal er niet zonder gevangenisstraf afkomen, als de agent hem van oproerige bedoelingen beschuldigt.

Ik keerde zeer bedroefd en in de grootste onrust naar de herberg terug.

Ik was allang niet meer bang voor Vitalis – dat had maar een paar uur geduurd. Al spoedig had ik mij aan hem gehecht en mijn genegenheid voor hem was met de dag sterker geworden. Wij leidden hetzelfde leven, waren van de morgen tot de avond samen en dikwijls deelden wij dezelfde strozak. Een vader zou niet beter voor zijn kind hebben kunnen zorgen dan hij voor mij. Hij had mij lezen, zingen, schrijven en rekenen geleerd. Op onze lange wandelingen had hij mij onderweg altijd iets geleerd, wat betrekking had op hetgeen wij zagen of ondervonden. Bij koud weer had hij zijn deken met mij gedeeld; wanneer het zeer warm was, had hij mij altijd geholpen in het dragen van de vele dingen, waarmede ik beladen was. Aan tafel, of liever, bij het eten, want we aten niet vaak aan tafel, gaf hij mij nooit het slechtste en zich zelf het beste. Nu en dan trok hij mij wel eens bij mijn oren en gaf hij mij soms een tik, die wat harder aankwam, dan die een vader zou gegeven hebben; maar al die kleine bestraffingen deden mij toch nooit zijn zorgen vergeten, noch zijn goede woorden of bewijzen van genegenheid een ogenblik minder waarderen. Hij hield van mij en ik van hem.

Deze scheiding deed mij dus innig leed. Wanneer zouden wij elkaar weerzien?

Ik had over de gevangenis horen spreken. Hoelang zou die straf kunnen duren?

Wat zou ik in dien tijd doen? Hoe en waarvan zou ik moeten leven?

Mijn meester droeg steeds al zijn geld bij zich en voordat hij zich door de agent had laten medevoeren, had hij geen tijd gehad mij geld te geven.

Ik had slechts enige centen in mijn zak; zouden die voldoende wezen om Joli-Coeur, de honden en mij te voeden?

Twee dagen brachten wij in den grootste angst door, zonder dat ik de herberg durfde verlaten, en ik hield mij aanhoudend met Joli-Coeur en de honden bezig, die eveneens in de grootste onrust verkeerden.

Eindelijk, de derde dag, bracht een man mij een brief van Vitalis.

In die brief deelde mijn meester mij mee, dat men hem gevangen hield om den volgenden zaterdag voor de correctionele rechtbank te verschijnen, beschuldigd van weerspannigheid tegen een ambtenaar van de openbare macht en feitelijk verzet tegen deze.

"Ik heb zeer verkeerd gedaan, dat ik mij heb laten meeslepen door mijn drift," voegde hij er bij, "een fout, die mij duur te staan kan komen. Maar het is te laat om deze te herstellen. Kom op de zitting; je kunt er altijd wat leren."

Hij gaf mij toen nog enigen raad, hoe ik mij te gedragen had en eindigde zijn brief met een omhelzing, terwijl hij mij verzocht Capi, Joli-Coeur, Dolce en Zerbino eens voor hem te liefkozen.

Terwijl ik deze brief las, was Capi naderbij gekomen en hield zijn blik op het papier gevestigd; aan zijn kwispelstaarten en zijn snuiven bemerkte ik, dat hij, door de reuk, wist dat dit papier van zijn meester kwam; sedert drie dagen was dit het eerste teken van leven en vrolijkheid, dat hij gaf.

Ik vroeg enige inlichtingen en vernam dat de zitting van de correctionele rechtbank om tien uur 's morgens begon. Om negen uur stond ik die zaterdagochtend reeds tegen de post van de deur geleund en ik was de eerste, die het lokaal binnentrad. Langzamerhand vulde zich de zaal en ik herkende veel personen, die bij de voorstelling met de agent tegenwoordig geweest waren.

Ik wist niet wat een rechtbank was, maar uit instinct boezemde zij mij vrees in; het kwam mij voor, dat, al betrof het hier mijn meester en niet mij, ik zelf toch ook in gevaar verkeerde; ik verschool mij achter een grote kachel en, terwijl ik mij tegen de muur drukte, maakte ik mij hoe langer hoe kleiner.

Mijn meester stond niet het eerst terecht; hem vooraf gingen dieven, twistzoekers, die allen zich voor onschuldig verklaarden, doch allen veroordeeld werden.

Eindelijk kwam Vitalis op de bank zitten waar al zijn voorgangers hadden gezeten, tussen twee gendarmen in.

Wat er in het begin gesproken werd, wat men hem vroeg en wat hij antwoordde, daar hoorde ik allemaal niets van; ik was te aangedaan om dat te horen of liever om het te begrijpen. Trouwens, ik dacht er niet aan om te luisteren; ik keek alleen.

Ik keek naar mijn meester, die recht overeind stond met zijn grijze haren naar achteren geworpen, in de houding van een man die beschaamd en vernederd was; ik zag naar den rechter, die hem ondervroeg.

--Alzo, zei deze, erkent u dat u slagen hebt toegebracht aan de agent die u in hechtenis heeft genomen?

--Geen slagen, mijnheer de voorzitter, maar één slag; toen ik op de plaats kwam, waar onze voorstelling zou plaats hebben, zag ik de agent het kind, dat mij vergezelde, een oorveeg geven.

--Het is niet uw kind?

--Neen, mijnheer de voorzitter, maar ik ken hem, alsof het mijn eigen zoon is. Toen ik hem een klap zag geven, liet ik mij door mijn drift meeslepen. Ik vatte de hand van de agent om hem te verhinderen, het kind een tweede slag toe te brengen.

--Hebt u zelf ook de agent geslagen?

--Dat is te zeggen, toen deze mij bij mijn kraag vatte, vergat ik, wie de man was, die mij aangreep; ik zag in hem slechts de aanvaller en niet de agent en ik kon mezelf niet beheersen.

--Op uw leeftijd moet men zich zelf weten meester te blijven.

--Men moest zichzelf beheersen; maar men doet helaas niet altijd wat men moet; dat voel ik thans ook.

--Wij zullen nu de agent horen.

Deze vertelde de feiten zoals zij gebeurd waren, maar trachtte meer de aandacht te laten vallen op de spot, die men gedreven had met zijn persoon, zijn stem, zijn gebaren, dan op de slag, die hij ontvangen had.

Bij deze verklaring zag Vitalis, in plaats van aandachtig te luisteren, de zaal rond. Ik begreep, dat hij mij zocht. Ik besloot toen mijn schuilplaats te verlaten en terwijl ik tussen de menigte doorschoof, gelukte het mij een plaats vooraan te krijgen.

Hij ontdekte mij en op zijn zwaarmoedig gelaat kwam een blijde trek te voorschijn; ik voelde, dat hij gelukkig was mij te zien en ik kon niet verhinderen dat mijn ogen zich met tranen vulden.

--Is dat alles wat u tot uw verdediging hebt in te brengen? vroeg de voorzitter.

--Ik voor mij heb er niets bij te voegen, maar voor het kind, waarvan ik houd en dat nu alleen overblijft, voor hem roep ik de toegevendheid van de rechters in en smeek hen ons zo kort mogelijk van elkaar te scheiden.

Ik dacht dat men mijn meester in vrijheid zou stellen. Maar daar gebeurde niets van.

Een andere rechter sprak nog enige minuten, daarop zei de president met een ernstige stem, dat Vitalis verdacht werd van belediging van een agent van de openbare macht en veroordeeld was tot twee maanden gevangenisstraf en een boete van honderd francs.

Twee maanden gevangenisstraf!

Door mijn tranen heen zag ik Vitalis door dezelfde deur, waardoor hij was binnengetreden, de zaal verlaten; een gendarme volgde hem en de deur werd weer gesloten.

Twee maanden zouden wij van elkaar gescheiden zijn. Waar moest ik heen?

AodW10b.jpg