Alleen op de wereld/Hoofdstuk XXXVIII
| ← DE MOOIE LUIERS WAREN BEDROG | Alleen op de wereld (1880) door Hector Malot, vertaald door Gerard Keller | DE KERSTNACHTEN → |
| Uitgegeven in 's-Gravenhage door Henri J. Stemberg. Van dit artikel bestaat een wikisource HERTALING in modern Nederlands. |
[ 180 ]
XVII.
DE OOM VAN ARTHUR: JAMES MILLIGAN.
Als ik in de plaats van Mattia was geweest, zou ik misschien even groote verbeeldingskracht hebben gehad als hij; maar in den toestand, waarin ik verkeerde, waren mij zulke onderstellingen niet geoorloofd.
Het gold toch mijn vader.
Voor Mattia was deze slechts Driscoll en niets anders.
En als ik met mijn geest Mattia wilde volgen, dan hield ik mij zelven terug, maar toch niet zóó, als ik wel zou verlangen. Mattia kon van Driscoll denken al wat hij goedvond; voor hem was deze een vreemdeling, aan wien hij niets verplicht was.
Ik daarentegen was allen eerbied aan mijn vader verschuldigd.
Zeker waren er zonderlinge dingen in mijn toestand, maar ik was niet vrij om erover na te denken van hetzelfde standpunt als Mattia.
Mattia mocht eraan twijfelen.
Aan mij was dit niet geoorloofd. En toen Mattia mij zijn twijfel wilde mededeelen, was het mijn plicht hem het zwijgen op te leggen.
Dat trachtte ik ook te doen, maar Mattia was koppig en ik kon er niet in slagen om die koppigheid te overwinnen.
— Sla er maar op, als ge lust hebt, zeide hij, boos wordende, maar luister. [ 181 ]
En toen moest ik wel luisteren naar zijn vragen.
— Waarom hadden Allen. Ned. Annie en Kate lichtblond haar, terwijl de mijne niet blond waren?
— Waarom gedroegen al de leden van de familie Driscoll, behalve Kate, die nog niet wist wat zij deed, zich tegenover mij zoo onaangenaam, alsof ik een schurftige hond was?
— Hoe konden menschen, die niet rijk waren, hun kinderen kleeren met kant geven?
Op al die vragen waarom en hoe, had ik maar één antwoord, dat zelf eene vraag was:
— Waarom zou de familie Driscoll mij gezocht hebben, als ik haar kind niet was? Waarom zou zij geld gegeven hebben aan Barberin en aan Greth and Galley?
Mattia verklaarde, dat hij daarop geen antwoord kon geven. Maar toch gaf hij zich niet gewonnen.
— Omdat ik geen antwoord kan geven op uwe vraag, zeide hij, bewijst dit niet, dat ik ongelijk heb; want gij kunt geen antwoord geven op een van mijne vragen. Een ander in mijne plaats zou heel goed kunnen ophelderen, waarom Driscoll u heeft laten zoeken en met welk doel hij zooveel geld heeft besteed. Ik kan dat niet, omdat ik niet slim ben en omdat ik nergens verstand van heb.
— Zeg dat toch niet; ge zijt integendeel heel slim.
— Als ik dat was, zou ik u dadelijk weten uit te leggen wat ik nu niet begrijp, maar ge voelt het: neen, gij zijt geen kind van de familie Driscoll; gij zijt het niet en gij kunt het niet zijn. Dat zal later wel aan 't licht komen, daar ben ik zeker van; maar het oogenblik, dat alles moet ophelderen, vertraagt gij door uw oogen maar niet te willen openen. Ik begrijp wel dat gij u weerhouden laat door eerbied voor uwe ouders; maar dit moet u toch niet stomp maken.
— Maar wat wilt gij dan dat wij doen zullen?
— Naar Frankrijk terugkeeren.
— Onmogelijk.
— Omdat uw plicht u noopt bij uwe familie te blijven; maar als het uwe familie niet is, wat weerhoudt u dan?
Zulke gesprekken konden tot niets leiden dan alleen om mij nog ongelukkiger te maken dan ik reeds was.
Niets toch is erger dan twijfel. En hoewel ik niet wilde twijfelen, twijfelde ik toch.
Was die vader mijn vader? Was die moeder mijne moeder? Waren die kinderen mijn broers en zusters?
Het was vreeselijk dit te moeten erkennen; ik had nog minder smart en gevoelde mij nog minder ongelukkig, toen ik alleen was.
Wie zou ooit gedacht hebben, toen ik in eenzaamheid weende, [ 182 ]omdat ik geen familie had, dat ik nog rampzaliger wezen zou, als ik er wel eene had?
Hoe zou ik licht vinden? Wie zou mij licht schenken? Hoe zou ik ooit de waarheid vernemen?
Voor die vragen stond ik stil, onder het drukkend besef van mijne onmacht en ik zei tot mijzelven, dat ik vruchteloos mijn leven lang met het hoofd zou bonzen op dien muur, die geen uitgang aanbood.
Toch moest ik zingen, deuntjes spelen, waarop men dansen kon, en aardig zijn, terwijl ik in mijn hart zoo diep bedroefd was.
De Zondagen waren mijne gelukkigste dagen, omdat er des Zondags te Londen geen muziek op straat mag worden gemaakt; dan kon ik mij ongestoord aan mijne droefheid overgeven, als ik wandelde met Mattia en Capi. Hoe weinig was er in mij nog over van den knaap, die ik eenige maanden geleden was!
Op een van die Zondagen, toen ik mij gereedmaakte om met Mattia uit te gaan, hield mijn vader mij thuis en zeide, dat ik hem dien dag behulpzaam moest wezen. Hij liet Mattia alleen uitgaan. Mijn grootvader was nog niet beneden; mijne moeder was uitgegaan met Kate en Annie en mijne broers liepen op straat; mijn vader en ik waren dus alleen thuis.
Een uurlang waren wij alleen geweest, toen men aan de deur klopte; mijn vader ging openen en keerde terug met een heer, die niets geleek op de vrienden, welke hij gewoonlijk ontving: dit was inderdaad een heer, iemand dien men in Engeland een Gentleman noemt. Hij was zeer netjes gekleed en hij had een voornaam voorkomen en een trotsch gelaat, met eenigszins vermoeide trekken. Hij moest ongeveer vijftig jaar zijn. Wat mij het meest in hem trof was zijn glimlach: dan openden zich zijne lippen en vertoonden zich twee rijen witte puntige tanden als van een jongen hond. Dit maakte een eigenaardigen indruk en ik vroeg mij af, of het eigenlijk wel een glimlach was dan wel een beweging om te bijten.
Terwijl hij met mijn vader engelsch sprak, wierp hij telkens een blik naar mij; maar als hij den mijne ontmoette, wendde hij de oogen terstond af.
Nadat hij een pooslang met mijn vader gesproken had, wisselde hij het engelsch met het fransch, dat hij vloeiend sprak, en bijna zuiver.
— Is dat de knaap, waarvan gij me gesproken hebt? zeide hij tot mijn vader, met den vinger naar mij wijzend. Hij schijnt een gezonde jongen te zijn.
— Antwoord mijnheer, zeide mijn vader.
— Ben je gezond? vroeg de voorname heer.
— Ja mijnheer. [ 183 ]
— Ben je nooit ziek geweest?
— Ik heb eens eene bloedspuwing gehad.
— Zoo, zoo; hoe kwam dat?
— Ik had 's nachts in de sneeuw geslapen, toen het vinnig koud was; mijn meester is dien nacht van koude gestorven; ik heb er maar eene bloedspuwing van gekregen.
— Is dat lang geleden?
— Drie jaar.
— En heb je later nooit gevolgen van die ziekte ondervonden?
— Neen.
— Geen vermoeidheid, geen afgemat gevoel? Zweette je 's nachts erg?
— Neen nooit; als ik mij moe gevoelde, was het omdat ik lang geloopen had; maar ziek was ik er niet van.
— En kunt ge goed tegen vermoeienis?
— Dat moet ik wel.
Hij stond op en kwam naar mij toe; hij voelde mijn armen, legde toen zijn hand op mijn hart en vervolgens zijn hoofd tegen mijn rug en vervolgens tegen mijn borst en beval mij diep adem te halen, alsof ik hard had geloopen; toen liet hij mij ook hoesten.
Toen dit afgeloopen was, zag hij mij zeer aandachtig een poos aan en toen vooral kwam de gedachte in mij op, dat hij bijten wilde; zoo dreigend was zijn glimlach.
Zonder verder iets te zeggen, zette hij in het engelsch het gesprek met mijn vader voort; daarop gingen zij samen heen, niet naar de straatdeur, maar naar den stal.
Toen ik alleen was, vroeg ik mijzelven af, wat al die vragen van den voornamen heer beteekenden? Wilde hij mij in zijn dienst nemen? Maar dan moest ik scheiden van Mattia en Capi! Bovendien had ik het vaste besluit genomen om nooit meer bij iemand in dienst te zijn, zoomin van dien gentleman, aan wien ik nu al een hekel had, als van een ander, wien ik misschien genegen zou zijn.
Na verloop van eenigen tijd kwam mijn vader terug. Hij zei, dat hij uit moest, en dat hij mij dus niet noodig had, zooals hij eerst gedacht had; ik kon dus ook uitgaan als ik wilde, zeide hij.
Ik had er volstrekt geen lust in; maar wat moest ik in dit treurige huis beginnen? Ik kon evengoed gaan wandelen als hier blijven en mij vervelen.
Daar het regende, ging ik naar onzen wagen om mijn schapevacht te halen: hoe verwonderd was ik daar Mattia te vinden; ik wilde iets tegen hem zeggen, maar hij legde de hand op mijn mond en sprak op fluisterenden toon:
— Maak de staldeur open, ik zal stil achter u komen; men mag niet weten, dat ik in den wagen was. [ 184 ]
Eerst toen wij op straat waren, besloot Mattia te spreken.
— Weet gij wie die heer is, die straks bij uw vader was? vroeg hij. De heer James Milligan, de oom van uw vriend Arthur. Daar ik onbeweeglijk middenop straat bleef staan, nam hij mij bij den arm en voortloopende, vervolgde hij:
— Daar het mij verveelde alleen door die sombere straten'tø loopen, op zoo'n triestigen Zondag, ben ik maar naar huis gegaan om te gaan slapen en ben toen maar in mijn bed gaan liggen; maar ik heb niet geslapen. Uw vader kwam met een heer in den stal en ik hoorde wat zij zeiden, zonder bepaald te luisteren. „Zoo stevig als ijzer en staal", zeide de heer; „tien anderen zouden dood zijn gegaan; hij heeft er maar een bloedspuwing van gekregen.." Toen begreep ik, dat men over u sprak en luisterde ik, maar het gesprek nam een andere wending. — „Hoe gaat het met uw neef?" vroeg uw vader. — „Beter; hij zal er nog wel van opkomen; drie maanden geleden hadden alle dokters hem opgegeven; zijne goede moeder heeft hem nog gered door hare oppassing; o, 't is een goede moeder, die mevrouw Milligan."
Gij kunt denken hoe ik mijn ooren spitste, toen ik dien naam hoorde. „Dus als uw neefje beter wordt," ging uw vader voort, „zijn al uwe voorzorgen overbodig?" — „Voor het oogenblik misschien," antwoordde de heer, maar ik kan niet aannemen, dat Arthur in het leven blijft; dat zou een wonder zijn en wonderen zijn er niet meer; maar als hij sterft, moet ik zeker zijn, dat er geen ander opdaagt en moet ik. James Milligan, de eenige erfgenaam zijn." „Wees gerust," zeide uw vader, „dat zal gebeuren; daar sta ik u voor in." — „Ik reken op u," zeide de gentleman. — En hij voegde er nog iets bij, dat ik niet juist begreep, maar dat mij scheen te beteekenen: „Voor 't oogenblik zullen wij zien wat ons te doen staat." Toen ging hij heen.
Mijn eerste gedachte was naar huis te gaan om aan mijn vader het adres van den heer Milligan te vragen, teneinde iets te vernemen omtrent Arthur en zijne moeder, maar ik zag terstond in, dat dit eene dwaasheid zou zijn: een man, die met ongeduld op den dood van zijn neef wachtte, was waarlijk de geschikte persoon niet, om hem narichten omtrent dien neef te vragen. Van den anderen kant ware het ook zeer onvoorzichtig, om aan den heer Milligan te zeggen, dat men had gehoord wat hij zeide.
Arthur leefde; bij was weer beter. Voor het oogenblik gaf die goede tijding mij al genot genoeg.