Alleen op de wereld/Hoofdstuk XLII

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk XLII) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie

LE CYGNE[bewerken]

AodW42a.jpg

Toen Bobs broer vertrokken was, bleef het scheepje nog enige tijd rustig liggen en wij hoorden slechts het loeien van de wind, door het tuig en het klotsen van de golven tegen de kiel; maar langzamerhand kwam er meer beweging; wij onderscheidden voetstappen op het dek; men liet trossen vallen; spillen knarsten; kettingen werden op- en afgewonden; men wentelde de kaapstander; er werd een zeil gehesen; het roer kraakte en eensklaps wierp het schip zich op de linkerzijde, het schommelen begon--wij waren in zee. Ik was gered.

Eerst langzaam en zacht, werd het slingeren al sneller en sterker, het schip daalde en rees en weldra sloegen de golven nu eens tegen de een dan tegen de andere zijde.

--Arme Mattia! zei ik tegen mijn vriend terwijl ik zijn hand greep.

--Dat doet er niets toe, zei hij; jij bent gered; bovendien, ik wist wel, dat het zo zijn zou; toen wij in het rijtuig zaten, zag ik hoe de wind de bomen deed heen-en-weer gaan en ik zei bij mezelf, dat wij op zee ook zo dansen zouden.

Op dat ogenblik werd de deur van de kajuit geopend.

--Als jullie op het dek willen komen, zei de broer van Bob, er is geen gevaar meer.

--Wanneer voelt men 't minst van de zeeziekte? vroeg Mattia.

--Liggend.

--Dank u; dan blijf ik liggen.

En hij strekte zich in zijn volle lengte op de grond uit.

--De scheepsjongen zal u geven wat ge nodig hebt, zei de kapitein.

--Dank u; als hij maar niet te lang weg blijft, zal 't mij aangenaam zijn, antwoordde Mattia.

--Nu al?

--'t Is al lang geleden begonnen.

Ik wilde bij hem blijven, maar hij zond mij naar het dek en herhaalde nog:

--’t Geeft niks; jij bent gered; het komt er niets op aan; ik heb mij nooit voorgesteld, dat het prettig zou zijn zeeziek te wezen.

Op het dek gekomen, kon ik mij slechts staande houden door mij aan de touwen vast te grijpen. Zo ver mijn oog kon doordringen in de duisternis van de nacht, zag ik niets dan een witte schuimende vlakte, waarover ons scheepje zich bewoog, zich telkens opzij werpend alsof het in de golven zou duiken. Maar het dook niet onder; integendeel, het lichtte zich weer veerkrachtig op, danste op de golven en schoot voorwaarts, door de westenwind gedreven.

Ik keek om naar de kust; reeds waren de lichten van de haven niet meer dan punten in den nevelige hemel en toen ik ze flauwer zag worden en verdwijnen, was het of een gevoel van verlichting zich van mij meester maakte bij mijn afscheid van Engeland.

--Als de wind zo aanhoudt, zei de kapitein, zullen wij vanavond niet laat te Isigny aankomen. De ‘‘Eclips’‘ is een flinke boot.

Een hele dag op zee en zelfs meer dan een dag! Arme Mattia! En het deed hem plezier zeeziek te zijn!

Maar de dag ging toch om en ik bracht mijn tijd door met van de kajuit naar de brug en van de brug naar de kajuit te gaan. Terwijl ik met de kapitein stond te praten, wees hij met de hand naar het zuidwesten. Ik zag een hoge witte kolom, die zich op een blauwige achtergrond aftekende.

-Barfleur, zei hij

Ik liep zo snel ik kon de trappen af om aan Mattia die goede tijding te brengen. Wij waren in het gezicht van Frankrijk. Maar het is nog een gehele afstand, die Barfleur van Isigny scheidt en men moet het hele schiereiland Cotentin rondzeilen, vóór men in de Vire en de Aure komt.

Daar het vrij laat was, toen ‘‘de Eclips’‘ de kade van Isigny aandeed, vond de kapitein goed dat we aan boord bleven slapen en pas de volgende dag scheidden wij van hem, na hem hartelijk bedankt te hebben.

--Als gij naar Engeland mocht willen terugkeren, zei hij, terwijl hij ons een stevige handdruk gaf; elke dinsdag gaat de ‘‘Eclips’‘ vanaf hier. Zij is tot uw beschikking.

Dat was een vriendelijk aanbod, maar wij hadden volstrekt geen lust om het aan te nemen, want beiden, Mattia zowel als ik, hadden een bepaalde reden om niet meer naar Engeland te gaan.

Toen wij in Frankrijk aan wal stapten, bezaten wij niets anders dan onze kleren en onze instrumenten, want Mattia had gezorgd, dat hij mijn harp had medegenomen, die ik in de tent van Bob achtergelaten had in den nacht, dat ik naar de herberg De Dikke Eiken ging. Wat onze reiszakken betrof, die waren met al wat zij bevatten in de wagen van de familie Driscoll gebleven. Dit bracht ons wel in enige ongelegenheid, want wij konden ons zwervend leven niet hervatten zonder hemd en zonder kousen en vooral zonder kaart. Gelukkig had Mattia twaalf franc opgespaard en wij hadden bovendien ons aandeel in de opbrengst die Bob en zijn makkers hadden gemaakt op de avond, dat wij met hen speelden, en dit was 22 shilling, of 27,50 franc. Wij hadden dus een fortuin van bijna veertig franc, en voor ons was dit heel veel. Mattia had dit geld aan Bob willen geven als vergoeding voor de kosten die mijn vlucht had veroorzaakt, maar Bob had geantwoord, dat vriendschapsdiensten niet werden betaald en hij wilde niets aannemen.

Ons eerste werk nadat wij de ‘‘Eclips’‘ verlaten hadden, was een oude soldatenransel en een paar hemden te kopen; voorts twee paar kousen, een stuk zeep, een kam, garen, knopen, naalden en vooral iets wat ons nog onmisbaarder was dan al die dingen, hoe nuttig ze voor ons ook waren: een kaart van Frankrijk.

Waar moesten wij dan ook heen nu wij eenmaal in Frankrijk waren? welke weg moesten wij inslaan? welke richting volgen?

Dat was de vraag die wij overwogen, terwijl wij van Isigny den weg naar Bayeux aflegden.

--Wat mij betreft, zei Mattia, ik heb geen keus, ik ben even bereid om rechts als om links te gaan. Ik verlang maar één ding.

--En dat is?

--Dat wij de loop van een rivier volgen of van een kanaal, want ik heb een idee.

Daar ik aan Mattia niet vroeg welk idee hij had, ging hij voort.

--Ik zie wel dat ik het je moet vertellen. Toen Arthur ziek was, heeft mevrouw Milligan met hem op een boot door Frankrijk gereisd en daardoor heb jij hem op Le Cygne ontmoet.

--Hij is niet ziek meer.

--Dat is te zeggen: hij wordt beter; hij is erg ziek geweest en hij is slechts gered door de zorg van zijn moeder. Nu is mijn vaste overtuiging, dat om hem helemaal te doen genezen, mevrouw Milligan hem weer op een boot de stromen, rivieren en kanalen laat volgen, die Le Cygne bevaren kan. Wanneer wij ons dus aan de loop van een rivier houden, dan hebben wij kans dat wij Le Cygne ontmoeten.

--Wie zegt dat Le Cygne in Frankrijk is?

--Niemand; maar Le Cygne kan niet op zee varen, dus is het waarschijnlijk, dat zij in Frankrijk is, en wij hebben alle kans haar aan te treffen. Maar al bestond er slechts één kans, ben jij het dan niet met mij eens, dat wij die moeten wagen? Ik wil mevrouw Milligan vinden en ik meen, dat wij alles moeten doen, om daarin te slagen.

--Maar Lise, Alexis, Benjamin, Étiennette!

--Die zullen wij zien terwijl wij mevrouw Milligan zoeken. Wij moeten dus eerst een rivier of kanaal hebben. Laten wij eens op de kaart zien, welke rivier het meest in de nabijheid ligt.

Wij spreidden de kaart op het gras uit en zochten de rivier het meest in de nabijheid. Wij vonden de Seine.

--Welnu, laten wij dan de Seine opzoeken.

--De Seine loopt door Parijs.

--Wat doet er dat toe?

--Heel veel. Ik heb Vitalis horen zeggen, dat als men iemand vinden wilde, men hem dan te Parijs moest zoeken. Als de Engelse politie mij zocht om die diefstal in de kerk van Saint-George, zou ik niet gaarne door haar gevonden worden: dan zijn we voor niets uit Engeland gevlucht.

--Kan de Engelse politie je dan in Frankrijk vervolgen?

--Dat weet ik niet, maar als dit zo is, moeten wij niet naar Parijs gaan.

--Kan men de Seine niet volgen tot aan de omstreken van Parijs en ze dan verlaten, om ze een eind verder weer op te zoeken? Ik zou ook niet gaarne Garofoli terugzien.

--Ongetwijfeld.

--Goed, dan doen we het zo: alle schippers en bewoners van de oever langs de hele rivier ondervragen; en daar er maar één Cygne is met een veranda en geen ander schip op haar lijkt, zal men haar wel hebben opgemerkt op de Seine. Als wij haar op de Seine niet vinden, zullen wij haar zoeken op de Loire, op de Garonne, op alle rivieren van Frankrijk en eindelijk zullen wij haar wel vinden.

Tegen dat idee van Mattia kon ik niets inbrengen. Wij besloten dus de Seine op te zoeken en de oever ervan te volgen.

Nadat wij voor onszelf hadden gezorgd, was het tijd om ook aan Capi te denken. Zolang hij geel was geverfd, was hij voor mij mijn Capi niet. Wij kochten zachte zeep en in het eerste water, dat wij tegenkwamen, wasten wij hem flink af, elkaar aflossende als wij moe waren.

Maar de verf van onze vriend Bob was van een uitstekende kwaliteit; wij moesten de hond een lange tijd baden en bij herhaling met zeep insmeren. Er zouden nog weken en maanden nodig zijn voor Capi zijn oorspronkelijke kleur terugkreeg. Gelukkig is Normandië het land van het water en elke dag konden wij Capi onderhanden nemen.

Over Bayeux, Caen, Pont-d'Evêque en Pont-d'Audemer kwamen wij aan de Seine bij La Bouille.

Toen wij van de bosrijke hoogten, waarheen een lommerrijke holle weg leidde, na de hele dag gelopen te hebben, opeens de Seine vóór ons zagen, die een brede bocht beschreef, waarvan onze heuvel het middelpunt uitmaakte, en op wier kalme, machtige golven tal van schepen met witte zeilen en stoomboten, wier rook tot ons opsteeg, statig voortdreven, riep Mattia uit, dat dit schouwspel hem geheel met het water verzoende, en dat hij volkomen begreep hoe men er een genot in vinden kon op die kalme rivier te glijden, langs die welige landerijen en bouwlanden en sombere bossen, die haar oever omzoomden.

--Je kunt er zeker van zijn, dat mevrouw Milligan met haar zieke zoon op de Seine vaart, zei hij.

--Dat zullen wij spoedig vernemen, als wij de mensen in de dorpen uithoren.

Ik wist toen niet hoe moeilijk het was de Normandiërs aan het praten te krijgen. Zij antwoorden nooit rechtstreeks en ondervragen integendeel diegenen, die trachten iets van hen te weten te komen.

--Is 't een schip uit Le Havre of een schip uit Rouen, waarnaar gij vraagt? Is het een boot? een zeilvaartuig? een aak? een praam?

Toen we op al die vragen, die men ons deed, geantwoord hadden, waren wij zo goed als zeker, dat Le Cygne nooit in La Bouille was geweest, en als zij er al geweest was, zij ‘s nachts moest gepasseerd zijn, zodat niemand haar had kunnen zien.

Van La Bouille kwamen wij te Rouen, waar wij opnieuw nasporingen deden, maar met niet veel beter gevolg. Te Elbeuf kon men ons ook niets van Le Cygne vertellen. Te Poses, waar er sluizen waren en men dus alle schepen, die voorbijvoeren, wel moest zien, kregen wij hetzelfde antwoord.

Wij gaven de moed nochtans niet op, maar bleven altijd maar vragen, zonder veel hoop evenwel, want Le Cygne kon niet van de een of andere plaats in het midden van de rivier vertrekken. Dat mevrouw Milligan en Arthur te Quillebeuf of Caudebec waren ingescheept, was te begrijpen, maar te Rouen nog waarschijnlijker; maar daar wij geen spoor van hen ontdekten, moesten wij doorgaan naar Parijs, of liever voorbij Parijs.

Daar wij niet alleen wandelden om verder te komen, maar bovendien elke dag ons brood moesten verdienen, hadden wij vijf weken nodig om van Isigny naar Charenton te komen.

Daar deed zich de vraag voor, of wij de Seine of de Marne moesten volgen. Die had ik mezelf al dikwijls afgevraagd terwijl ik mijn kaart bestudeerde, maar zonder een enkele reden te vinden, waarom wij aan de een rivier de voorkeur zouden geven boven de andere.

Gelukkig behoefden wij, te Charenton gekomen, niet te aarzelen, want op onze vraag antwoordde men daar voor de eerste maal, dat men een vaartuig gezien had, dat op Le Cygne leek: het was een plezierboot en had een veranda.

Mattia was zo blij, dat hij begon te dansen op de kade. Eensklaps hield hij met dansen op; hij greep zijn viool en speelde zijn triomfmars zo hartstochtelijk, als ik ooit van hem gehoord had.

Intussen ging ik voort met aan de schipper, die zo goed was geweest om ons te antwoorden, nieuwe vragen te stellen. Twijfelen was niet langer mogelijk: het was Le Cygne, die ongeveer twee maanden geleden Charenton was gepasseerd, de Seine opvarende.

Twee maanden! Dus was zij ons een ontzaglijk eind vooruit. Maar wat deed dat ertoe! Altijd voortgaande, zouden wij haar toch eenmaal moeten inhalen, al waren wij maar te voet, terwijl het vaartuig door twee flinke paarden werd gejaagd.

Of er wat korter of langer tijd voor nodig was, deed niets ter zake; de voornaamste, buitengewoonste, merkwaardigste zaak was, dat Le Cygne was gevonden.

--Wie heeft er gelijk gehad? riep Mattia.

Als ik gedurfd had, zou ik hebben bekend, dat ik evenveel hoop gehad had als hij, maar niet durfde zeggen, zelfs voor mijzelf niet, welke gedachten en dwaasheden die in mijn verbeelding had doen oprijzen.

Wij hoefden ons niet op te houden om de mensen te ondervragen: Le Cygne voer voor ons uit; wij hoefden de Seine maar te volgen.

Maar te Moret komt de Loing in de Seine uit, en nu moesten wij opnieuw inlichtingen inwinnen.

Le Cygne was de Seine opgevaren.

Te Montereau moesten wij weer gaan vragen.

Hier vernamen wij, dat Le Cygne de Seine verlaten had en de Yonne had gekozen. Meer dan twee maanden geleden was zij Montereau gepasseerd. Aan boord was een Engelse dame met een jongen, die op een bed lag uitgestrekt.

Wij kwamen dichter bij Lise, en terwijl wij Le Cygne volgden klopte mijn hart sneller, terwijl ik, mijn kaart bestudeerde en mij afvroeg of na Joigny mevrouw Milligan het kanaal van Bourgogne of dat van Nivernais had gevolgd.

Wij kwamen aan het punt, waar de Yonne en de Armençon samenvloeien. Le Cygne was de Yonne blijven volgen; wij gingen dus door Dreuzy en zouden Lise kunnen zien. Zijzelf zou ons kunnen vertellen van mevrouw Milligan en Arthur.

Sedert wij Le Cygne volgden, hadden wij ons niet veel tijd gegund voor onze concerten en voorstellingen en Capi, die een nauwgezet kunstenaar was, begreep onze haast niet; waarom stonden wij hem niet meer toe met het bakje in zijn bek te gaan zitten voor het "geëerde publiek", dat niet vlug was om met de hand in de zak te tasten? Men moet kunnen wachten.

Maar wij gaven ons de tijd niet meer; de ontvangsten werden dan ook geringer; terwijl tevens het overschot van onze veertig franc met de dag kleiner werd. In plaats van geld over te houden, teerden wij van ons kapitaal.

--Laten wij ons haasten, om bij Le Cygne te komen, zei Mattia.

En ik zei met hem: laten wij ons haasten.

‘s Avonds klaagden wij nooit over moeheid, hoe ver de tocht ook was geweest; integendeel, wij waren het altijd volkomen eens, om de volgende dag maar weer zeer vroeg op weg te gaan.

--Roep me bijtijds, zei Mattia, die veel van slapen hield.

En als ik hem geroepen had, duurde het nooit lang, of hij was op en reisvaardig.

Om geld te besparen, hadden wij onze uitgaven verminderd, en daar het zeer warm was, had Mattia verklaard, geen vlees meer te willen eten, want “‘s zomers was vlees ongezond”. Wij stelden ons tevreden met een stuk brood en een hard ei, dat wij samen deelden of met een stukje boter; en ofschoon wij in het wijnland waren, dronken wij niets dan water.

Wat kwam het er ook op aan!

Soms echter had Mattia grote trek in iets lekkers.

--Ik zou wel willen, dat mevrouw Milligan nog die keukenmeid had, die zulke lekkere confituurtaarten kon klaarmaken, zei hij. Dat zou heerlijk zijn; vooral abrikozentaarten! Ik heb appelkoeken gegeten, maar nooit abrikozentaarten. Ik heb ze alleen maar gezien. Wat zijn dat voor kleine witte dingen, die op de gele confituren zijn geplakt?

--Amandelen.

--O, zo.

En Mattia zette zijn mond zo wijd open, of hij een gehele taart ineens zou doorslikken.

Daar de Yonne veel bochten maakt tussen Joigny en Auxerre, haalden wij door de grote weg te volgen Le Cygne een beetje in; maar van Auxerre af verloren wij weer, want zij had het kanaal van Nivernais gevolgd en ging snel vooruit op het kalme water.

Bij elke sluis kregen wij nieuwe inlichtingen, want op dit kanaal, waar geen druk verkeer bestaat, had iedereen het vaartuig opgemerkt, dat volstrekt niet op de vaartuigen geleek, die men gewoonlijk zag.

Niet slechts sprak men ons van Le Cygne, maar ook van mevrouw Milligan, "een lieve Engelse dame" en van Arthur, “een jongen die bijna altijd op een bedje lag, dat op het dek voor hem was gespreid onder een glazen dak met groen en bloemen, maar die nu en dan toch opstond.”

Arthur werd dus beter.

Wij naderden Dreuzy; nog twee dagen; nog een; nog maar enige uren.

Eindelijk zagen wij de bossen, waarin ik den vorige herfst met Lise had gespeeld en wij zagen ook de sluis met het huisje van vrouw Catherine.

Zonder enige afspraak te maken, maar elk uit eigen beweging, hadden Mattia en ik onze pas versneld en wij wandelden niet meer: wij renden. Capi werd weer helemaal wat hij vroeger geweest was en rende in galop vooruit.

Hij gaat Lise zeggen, dat wij in aantocht zijn; zij zal ons tegemoet komen.

Maar het was Lise niet, die wij uit het huisje te voorschijn zagen komen, maar Capi, die er uitholde, of hij weggejaagd was.

Onmiddellijk bleven wij beiden stilstaan en wij vroegen ons af wat dit te betekenen had. Maar die vraag spraken wij niet uit, en wij vervolgden zwijgend onze weg.

Capi was bij ons gekomen en liep nu druipstaartend achter ons.

Een man was bezig een van de deuren van de sluis te openen. Het was de oom van Lise niet.

Wij gingen tot aan het huis; een vrouw, die wij niet kenden, ging op en neer in de keuken.

--Mevrouw Suriot? vroegen wij.

Zij zag ons een ogenblik aan, zonder antwoord te geven, alsof wij haar de onzinnigste vraag hadden gedaan.

--Zij is niet meer hier, zei zij eindelijk.

--Waar is zij?

--In Egypte.

Mattia en ik zagen elkaar onthutst aan. In Egypte! Wij wisten niet juist wat Egypte was en waar dat land lag; maar een onbestemd gevoel zei ons dat het ver, zeer ver af was; zowat aan de overzijde van de zee.

--En Lise? Kent u Lise?

--Of ik die ken! Lise is met een Engelse dame op een schip vertrokken.

Lise op Le Cygne! Droomden we?

De vrouw verzekerde ons dat wij niet droomden.

--Zijt gij Remi? vroeg zij.

--Ja.

--Nou, toen Suriot verdronken is...

--Verdronken!

--Ja, verdronken in de sluis. O, ge wist niet, dat Suriot in het water is gevallen en dat hij onder een van de sluisdeuren aan een spijker is blijven hangen. Dat gebeurt meer in zijn vak. Toen hij verdronken was, zat Catherine erg in de verlegenheid, ofschoon ze een kranige vrouw is. Maar wat wilt ge; als er geen geld is, valt het heel moeilijk om te leven. En geld was er niet. Men deed aan Catherine het voorstel om naar Egypte te gaan en daar de kinderen groot te brengen van een dame, bij wie ze min was geweest; maar haar nichtje zat haar in de weg, de kleine Lise. Toen zij nog met zichzelf overlegde wat haar te doen stond, hield op een avond een schip voor de sluis stil, waarop zich een Engelse dame bevond, die met haar zieke zoontje reisde. Men kwam in gesprek. De Engelse dame, die een kind zocht om met haar zoontje te spelen, dat zich verveelde op zijn schip, verzocht, dat men haar Lise zou afstaan. Ze beloofde voor haar te zullen zorgen, haar te doen genezen en haar een goede toekomst te geven. Zij was een lieve vrouw, heel minzaam en zacht voor arme mensen. Catherine nam het voorstel aan, en terwijl Lise aan boord ging van het schip van de Engelse dame, ging Catherine op weg naar Egypte. Thans is mijn man in de plaats van Suriot aangesteld. Voordat zij vertrok, beduidde Lize -- die niet spreken kon, maar de dokters zeggen dat ze eenmaal wel haar spraak zal terugkrijgen -- aan haar tante dat zij mij alles zou vertellen wat ik u moest mededelen als gij op een dag zoudt komen. En dat heb ik nu gedaan.

Ik was zo verwonderd en verbaasd, dat ik geen woorden kon vinden om te antwoorden; maar Mattia bleef zichzelf beter meester.

--En waar is de Engelse dame heengegaan? vroeg hij.

--Naar het zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland; Lise zou mij schrijven om u haar adres te geven, maar ik heb nog geen brief van haar ontvangen.

AodW42b.jpg