Alleen op de wereld/Hoofdstuk XLIV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk XLIV) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie

IN DE FAMILIE[bewerken]

AodW44a.jpg
AodW44b.jpg

Jaren zijn voorbijgegaan, vele jaren zelfs, maar zij zijn omgevlogen, omdat zij slechts goede en gelukkige dagen hebben opgeleverd.

Thans woon ik in Engeland, in Milligan Park, het kasteel van mijn voorouders.

Het kind zonder ouders, zonder steun, te vondeling gelegd en verlaten, ten prooi aan de wisselvalligheden van het lot, zonder baken om hem de weg te wijzen op die onafzienbare zee, waarop hij rondzwalkte, zonder haven waarheen hij zich kon richten, heeft niet slechts een moeder en een broer, die hij liefheeft en die hem liefhebben, maar ook voorouders, die hem een naam hebben nagelaten, door het hele land geëerd, en een aanzienlijk vermogen.

De kleine ongelukkige knaap, die als kind zo menige nacht in schuren en stallen heeft doorgebracht of in een uithoek van het bos onder den blote hemel, is thans de erfgenaam van een voornaam geslacht, in het bezit van een historisch kasteel dat door de nieuwsgierigen wordt bezocht en in alle reisboeken wordt aanbevolen.

Op een twintig mijl ten westen van de plek waar ik scheep ging, vervolgd door de justitie, ligt dat kasteel op een helling, omringd door een lommerrijk bos, ondanks de nabijheid van de zee. Het is gebouwd op een natuurlijk terras; het heeft de gedaante van een kubus en op elke hoek staat een zware ronde toren. De twee gevels naar het zuiden en westen gekeerd, zijn bedekt met blauwe regens en klimmende rozen; die van het noorden en oosten met klimop, met stammen zo dik als een mens, die getuigen van zijn hoge ouderdom, en alle zorgen van de tuinlieden zijn nodig om te verhoeden dat zijn weelderige groei onder donker loof de arabesken en andere ornamenten bedekt, die zo kunstig gehouwen zijn in de witte steen, die de vensters en deuren omlijst. Het is door een uitgestrekt park omringd. Daarin groeien oude bomen, die nog nooit gesnoeid of geveld zijn en levende beken stromen erdoorheen, die groeikracht schenken aan de altijd groene grasperken. In een bos van hoog opgaand hout nestelen oude kraaien, die elke nacht door haar gekras het begin en het einde van de dag verkondigen.

Op dit oude kasteel van Milligan Park wonen wij als familie: mijn moeder, mijn broer, mijn vrouw en ik.

Wij zijn daar sedert zes maanden gevestigd. Vele uren heb ik reeds doorgebracht in de bibliotheek, waarin de oude archieven, de eigendomstitels, de familiepapieren bewaard worden. Ik zit daar aan een grote eikenhouten tafel, zwart van ouderdom, en schrijf. Maar het zijn niet die archieven of familiepapieren die ik zo nauwkeurig naga, maar het boek van mijn eigen geschiedenis, dat ik doorblader en in orde breng.

Wij zullen ons eerste kind laten dopen, onze kleine Mattia, en bij gelegenheid van die doop, die op het kasteel van mijn vaders allen verenigen zal, die mijn vrienden waren in dagen van tegenspoed, wil ik het verhaal geven van mijn lotgevallen, waarin zij een rol hebben gespeeld, als een bewijs van mijn dankbaarheid voor de hulp, die zij mij hebben verleend of voor de liefde, die zij voor het arme verloren kind hebben getoond. Als ik een hoofdstuk afhad, zond ik het naar Dorchester, naar de lithograaf en dezelfde dag ontvang ik de ondertekende kopieën van mijn handschrift, om aan ieder van de gasten er een te geven.

Die bijeenkomst is een verrassing, die ik hun heb bereid, ook voor mijn vrouw, die dan haar vader zal weerzien en haar zuster, en haar broers en haar tante, die zij niet verwacht; alleen mijn moeder en mijn broer zijn in het geheim. Als er niets tussen beiden komt, zullen allen deze avond onder mijn dak doorbrengen en ik zal de vreugde hebben hen allen aan mijn tafel te zien.

Een enkele zal aan dat feest ontbreken, want hoeveel men ook met geld kan doen, het kan 't leven niet teruggeven aan hen, die er niet meer zijn. Arme, dierbare oude meester! wat zou ik gelukkig geweest zijn, als ik u een rustige oude dag had kunnen bezorgen! U zou uw piva, uw schapevacht en uw fluwelen buis hebben neergelegd; u zou niet meer "vooruit kinderen!" geroepen hebben. Een ouderdom, door allen geëerbiedigd, zou u zijn geschonken, u zou uw indrukwekkende grijze hoofd met fierheid kunnen opheffen en uw vroegere naam weer kunnen aannemen. Vitalis, de oude zwerveling, zou weer Carlo Balzani, de beroemde zanger zijn. Maar wat de onverbiddelijke dood u niet vergund heeft, heb ik voor uw nagedachtenis gedaan: te Parijs op de begraafplaats Montparnasse is de naam gebeiteld op het gedenkteken, dat mijn moeder op mijn verzoek voor u heeft opgericht; en uw borstbeeld in brons, naar de portretten uit de tijd van uw roem herinnert uw naam aan hen, die u hebben toegejuicht; een kopie van dat borstbeeld is voor mij gegoten; het staat daar voor mij, en terwijl ik het verhaal schrijf van mijn eerste jaren van beproeving, toen de loop van de gebeurtenissen zich begon te ontwikkelen, hebben mijn ogen vaak de uwe gezocht. Ik heb u niet vergeten; ik zal u nooit vergeten, wees daar zeker van; indien ik in dat gevaarlijke tijdperk van eenzaam kind, nooit gestruikeld heb en nooit ben gevallen, dan ben ik het aan u verschuldigd, aan uw lessen, aan uw voorbeeld, o oude meester! En op elk feest zal uw plaats in ere worden gehouden; ziet u mij niet, ik zal u zien.

Maar daar komt mijn moeder door de gang met de portretten; ze is voor mij nog steeds dezelfde als toen ik haar voor de eerste maal aanschouwde, onder de veranda van Le Cygne, met haar edel gelaat, zo zacht en schoon; maar dat waas van zwaarmoedigheid dat toen over haar gezicht lag, is geheel verdwenen.

Zij leunt op de arm van Arthur, want thans is het de moeder niet meer, die haar zwakke, wankelende zoon ondersteunt, maar de zoon, die een schone en krachtige jongeling is geworden, bedreven in alle lichaamsoefeningen, een bevallige ruiter, flinke roeier, onverschrokken jager, die met innige tederheid zijn arm biedt aan zijn moeder; want in tegenstelling tot de verwachting van mijn oom, de heer James Milligan, is het wonder gebeurd: Arthur heeft overwonnen en hij zal blijven leven.

Op enige afstand achter hen zie ik een oude vrouw komen, gekleed als een Franse boerin. Zij heeft een kindje op de arm met een mantel van wit cachemir: de oude boerin is moeder Barberin en dat kind is het mijne: het is mijn zoon, de kleine Mattia.

Nadat ik mijn moeder teruggevonden had, wilde ik, dat moeder Barberin bij ons zou blijven, maar zij nam dit niet aan.

--Nee, zei zij, mijn beste Remi, mijn plaats is thans niet bij je moeder. Jij moet thans werken om knap te worden en door je kennis een ware heer te worden, zoals je door je geboorte reeds bent. Wat zou ik bij jou doen? Mijn plaats is niet in het huis van je ware moeder. Laat mij naar Chavanon terugkeren. Maar onze scheiding zal misschien niet voor altijd wezen. Jij wordt groter; je zult trouwen en kinderen krijgen. Dan pas, als je wilt en ik nog in leven ben, zal ik bij je komen om je kinderen te verzorgen; ik kan hun min niet zijn, zoals ik jouw min geweest ben, want ik ben dan oud, maar mijn leeftijd zal mij niet beletten om voor een kind te zorgen; ik heb ervaring, ik slaap niet veel. Bovendien, ik zal je kind liefhebben en je kunt er zeker van zijn, dat ik mij de kleine niet zal laten ontstelen, zoals men jou gestolen heeft.

Wat moeder Barberin verlangde is gebeurd; korte tijd na de geboorte van ons kind, is men haar in Chavanon gaan halen en zij heeft alles verlaten, haar dorp, haar gewoonten, haar vrienden, de koe, die uit onze koe was geboren, om in Engeland bij ons te komen; onze kleine Mattia wordt gezoogd door zijn moeder, maar hij wordt verzorgd, gedragen, beziggehouden en geliefkoosd door "moeder" Barberin, die verzekert, dat dit het mooiste kind is, dat zij ooit heeft gezien.

Arthur heeft een nummer van de Times in de hand; hij legt dit op mijn schrijftafel en vraagt me of ik het gelezen heb. Op mijn ontkennende antwoord, wijst hij me op een brief uit Wenen, die ik hier laat volgen.

Weldra zult u te Londen het bezoek krijgen van Mattia; ondanks de ongelooflijke bijval, die zijn reeks concerten alhier verwierven, verlaat hij ons, daar hij naar Engeland moet vertrekken wegens een verbintenis, die hij niet verbreken kan. Ik heb u reeds van die concerten gesproken; zij zijn een grot succes geweest, zowel door de kracht als door de oorspronkelijkheid van de virtuoos en door zijn gave als componist. In één woord, Mattia is de Chopin van de viool.

Ik heb dat artikel niet nodig om te weten, dat de kleine straatmuzikant, mijn makker en leerling, een groot kunstenaar is geworden. Ik heb gezien hoe Mattia zich ontwikkelde en opgroeide; en als het gebeurde dat hij in de tijd, waarin hij met Arthur en mij onder leiding van onze onderwijzer geen grote vorderingen maakte in het Latijn en Grieks, des te meer vorderde hij in de muziek bij de onderwijzers die mijn moeder hem gaf, en het was gemakkelijk te voorzien, dat de voorspelling van Espinassous, de kapper-musicus van Mende, eenmaal bewaarheid zou worden.

Toch vervulde die brief uit Wenen mij met trots en vreugd; het was of ik zelf deelde in de toejuichingen, waarvan hij de weerklank was. Maar was dit ook niet zo? Was Mattia niet mijn tweede ik, mijn makker, mijn vriend, mijn broer? Zijn roem was de mijne, evenals zijn geluk het mijne was.

Op dit ogenblik brengt de bediende een telegram, dat juist was aangekomen.

Het is misschien de kortste weg, maar zeker niet de aangenaamste; maar is er wel één aangename? Hoe dit zij, ik ben zo ziek geweest, dat ik pas in Red Hill de kracht had om je bericht te zenden. In Parijs heb ik Cristina gehaald; wij zijn te Chegford te vier uur tien; zend ons daar een rijtuig. Mattia.

Toen ik de naam van Cristina las, had ik Arthur aangekeken, maar hij had de blik afgewend; eerst bij het slot van het telegram sloeg hij de ogen weer op.

--Ik heb wel zin om zelf naar Chegford te gaan, zei hij; ik zal de landauer laten inspannen.

--Dat is een goed idee; op de terugrit zul je tegenover Cristina zitten.

Zonder antwoord ging hij snel weg; toen wendde ik mij tot mijn moeder.

--Ge ziet dat Arthur het niet verbergt, dat hij naar haar verlangt; dat betekent iets.

--Heel veel.

Het kwam mij voor, dat in de toon van die woorden een zweem van ontevredenheid doorstraalde. Ik stond op en ging naast mijn moeder zitten, en terwijl ik haar beide handen greep, die ik kuste:

--Lieve moeder, zei ik in het Frans, de taal waarvan ik mij altijd bediende als ik met innigheid, als haar kind, tot haar spreken wilde, ge moet u geen zorgen maken als Arthur Cristina bemint. 't Is waar, dat zal hem beletten een goed huwelijk te sluiten, en een goed huwelijk is in het oog van de mensen een huwelijk, dat geboorte en rijkdom verenigt. Maar bewijst mijn voorbeeld niet genoeg, dat men gelukkig, zeer gelukkig kan zijn, zo gelukkig mogelijk, zonder dat de vrouw met wie men trouwt van aanzienlijke afkomst en rijk is? Zoudt gij Arthur niet gaarne even gelukkig willen zien als mij? De zwakheid, die gij gehad hebt voor mij, omdat gij niets weigeren woudt aan het kind, dat gij dertien jaar lang hadt betreurd, zoudt gij die ook niet voor uw andere zoon willen hebben? Zoudt gij toegeeflijker zijn voor de een dan voor de ander?

Zij streek de hand over het voorhoofd en omhelsde mij.

--O, lief kind en lieve broer, zei ze. Welk een schat van liefde bewaar je in je hart!

--Omdat ik die vroeger heb opgespaard; maar 't is niet over mij, dat wij nu spreken, maar over Arthur. Zeg mij eens, waar hij een bekoorlijker vrouwtje zou kunnen vinden dan Cristina. Is dat niet een wonder van schoonheid? En de opvoeding, die zij genoten heeft sedert wij haar te Lucca zijn gaan halen, stelt die haar niet in staat waardig een plaats te bekleden in de meest eisende kringen?

--Jij ziet in Cristina de zuster van uw vriend Mattia.

--Dat is zo, en ik beken rondweg, dat ik van ganser harte een huwelijk verlang, waardoor Mattia in onze familie zou komen.

--Heeft Arthur met jou gesproken van zijn genegenheid en van zijn wensen?

--Ja, lieve moeder, zei ik glimlachend, en hij heeft zich tot mij gewend als hoofd van de familie.

--En het hoofd van de familie?

--Heeft hem zijn steun beloofd.

Maar mijn moeder viel mij in de rede.

--Daar is je vrouw, zei zij; over Arthur zullen wij later spreken.

Mijn vrouw -- gij hebt het reeds geraden en ik behoef het u niet te zeggen, nietwaar? -- mijn vrouw is het meisje met die grote verwonderde ogen en het sprekend gelaat, dat gij reeds kent. Lise, de kleine, tengere, fijngevormde Lise. Zij is niet stom meer, maar zij heeft gelukkig die slankheid en tengerheid behouden, die aan haar schoonheid iets hemels geven. Lise heeft mijn moeder niet verlaten, die haar onder haar leiding heeft laten opvoeden en onderwijzen, en zij is een schoon meisje geworden, het allermooiste meisje, voor mij begaafd met de volmaaktste eigenschappen en de grootste deugden... want ik heb haar lief. Ik heb aan mijn moeder gevraagd mij haar tot vrouw te geven, en na een levendige tegenkanting, die vooral gegrond was op het verschil in maatschappelijke stand, kon mijn moeder toch niet blijven weigeren. Sommgie van onze bloedverwanten waren er zeer boos en geërgerd over; maar van de vier, die het afkeurden, zijn er drie reeds terruggekomen op hun oordeel: zij bezweken voor de lieftalligheid van Lise, en de vierde wacht ook slechts om zich te bekeren, tot wij hem een bezoek zullen gebracht hebben, waarin wij hem onze verontschuldiging maken, dat wij nog gelukkig zijn. En dat bezoek is op morgen bepaald.

--Wel, zei Lise, toen zij binnenkwam, wat is er toch gaande? Men spreekt in het geheim; Arthur is naar het station van Chegford gereden; de brik is naar Ferry gezonden. Wat is er toch voor een geheim? Vertel mij dat eens.

Wij glimlachten, maar gaven haar geen antwoord.

Toen sloeg zij haar arm om de hals van mijn moeder en terwijl zij haar teder omhelsde, sprak zij:

--Nu gij in 't geheim zijt, moederlief, ben ik niet ongerust meer; ik ben van te voren zeker, als altijd, dat gij voor ons geluk werkzaam zijt geweest. Maar dat maakt mij niet minder nieuwsgierig.

De tijd ging voort en de brik, die ik naar Ferry had gezonden om de familie van Lise te halen, kon elk ogenblik aankomen; om haar nieuwsgierigheid niet te lang op de proef te stellen, nam ik mijn verrekijker, die wij gebruikten om de schepen, die voorbijvoeren, te zien; maar inplaats van hem naar de zee te richten, wendde ik hem naar de weg, vanwaar de brik moest komen.

--Zie eens door die kijker, zei ik, en je nieuwsgierigheid zal bevredigd zijn.

Zij keek, maar zag niets anders dan de witte weg, want er was nog geen rijtuig te zien.

Toen bracht ik op mijn beurt mijn oog voor het glas.

--Hoe is 't, heb je niets door die kijker gezien? vroeg ik op de toon van Vitalis, als hij zich tot het geëerde publiek wendde. Het is toch een wonderkijker: met deze glazen ziet men tot over de zee; zelfs in Frankrijk; ik zie er een aardig huisje door, te Sceaux; ik zie daar een man met grijze haren, die de hand drukt aan twee vrouwen, die naast hem zitten. "Haast je toch," zegt hij, "anders missen wij de trein en zal ik niet bijtijds in Engeland zijn voor de doop van mijn kleinzoon. Vrouw Catherine, haast je wat, vraag ik je; sedert tien jaar dat wij samen wonen, ben je altijd te laat geweest. Wat is er? Wat wilt je zeggen, Étiennette? Speel je weer voor gendarme? Wat ik aan Catherine zeg, is in vrede en vriendschap. Ik weet zeer goed, dat Catherine de beste zuster is, zoals jij, Tiennette, de beste dochter bent. Waar vindt men een meisje, zo lief als jij, dat niet trouwt, alleen om op haar oude vader te passen en die de taak van beschermengel blijft vervullen, zoals zij die eenmaal vervulde voor haar broers en haar zusje?” Nu geeft hij, vóór hij heengaat, nog enige bevelen, vooral om te zorgen voor zijn bloemen, zolang hij afwezig is. “Vergeet vooral niet, dat ik tuinman geweest ben, zegt hij tot zijn knecht, en dat ik verstand heb van dat werk."

Ik veranderde de richting van de kijker, alsof ik naar een andere kant wilde uitzien.

--En nu zie ik een stoomboot, een grote stoomboot, die terugkeert van de Antillen en Le Hâvre nadert. Aan boord is een jongeman, die een botanische onderzoekingstocht heeft gedaan langs de oevers van de Amazone. Men zegt, dat hij planten en bloemen meebrengt, die in Europa nog onbekend zijn en het eerste gedeelte van zijn reis, dat in de dagbladen werd opgenomen, is zeer belangwekkend: de naam van Benjamin Acquin is reeds beroemd; slechts één ding maakt hem bezorgd, dat hij niet tijdig genoeg in Le Hâvre zal komen om de boot te halen naar Southampton, die hem bij zijn familie op Milligan Park zal brengen. Mijn kijker is zo uitstekend, dat ik hem volgen kan; hij heeft de boot van Southampton gehaald; weldra zal hij hier zijn.

Wederom richt ik mijn kijker naar een andere zijde, en ga voort:

--Niet alleen kan ik nu zien, maar zelfs horen: twee mannen zitten in de trein, een oude en een jonge. "Wat zal dit een belangrijke reis voor ons zijn, zegt de oude. Heel belangrijk, magister. Niet alleen, beste Alexis, zul jij je familie omhelzen en zul jij de hand drukken van Remi, die ons niet vergeten heeft, maar wij zullen ook een bezoek kunnen brengen aan de mijnen van Wales; daar zul je merkwaardige dingen zien, en als je teruggekeerd bent, zul je te Truyères verbeteringen kunnen invoeren, wat meer gezag zal bijzetten aan de betrekking, die je door je arbeid wist te verwerven. Ik voor mij zal enige stukken steenkool vandaar kunnen meebrengen en die bij mijn verzameling voegen, die de stad Varses wel heeft willen aannemen. Hoe ongelukkig dat Gaspard niet mee kon gaan!"

Ik wilde voortgaan, maar Lise was bij me gekomen; zij nam mijn hoofd tussen haar beide handen en door deze liefkozing belette zij me te spreken.

--O, wat een verrassing! zei zij, met een stem, die trilde van ontroering.

--Daar moet je mij niet voor bedanken, maar mijn moeder, die allen om zich wilde verenigen, die goed geweest waren voor haar verlaten kind; als jij mijn mond niet gesloten had, zou je gehoord hebben, dat wij ook die brave Bob hier wachten, die nu een van de voornaamste ondernemers van publieke vermakelijkheden van heel Engeland is geworden, en ook zijn broer, die het bevel voert over de ‘‘Eclipse’‘.

Op dat ogenblik dringt het geratel van een rijtuig tot ons door, en bijna terstond daarop dat van een tweede. Wij snellen naar het venster en zien de brik, waarin Lise haar vader herkent, haar tante Catherine, haar zuster Étiennette en haar broeders Alexis en Benjamin; naast Alexis zit een grijsaard met witte haren en gebogen gestalte: het is de magister. Van de andere kant komt tegelijk de open landauer, waarin Mattia en Cristina zitten, die ons toewuiven met de hand. En achter de landauer volgt een cabriolet, waarvan Bob zelf het paard ment. Bob ziet er uit als een voorname gentleman en zijn broer is nog altijd de ruwe zeeman, die ons naar Isigny bracht.

Wij snellen ijlings de trap af, om onze gasten beneden aan het bordes te ontvangen.

Het diner verenigde ons allen aan dezelfde tafel en natuurlijk spraken wij over het verleden.

--Onlangs, zei Mattia, heb ik in de speelzaal te Baden een Engelse heer ontmoet met witte puntige tanden, die bijna altijd glimlachte, ondanks zijn tegenspoed in het spel; hij heeft mij niet herkend, en mij de eer bewezen een florijn van mij te lenen om die zo in te zetten, dat hij zeker winnen moest; het was een zeer vernuftige berekening, maar die avond lukte het niet: de heer James Milligan verloor.

--Waarom vertelt gij dat, nu Remi er bij is, mijn beste Mattia? vroeg mijn moeder; hij is in staat om zijn oom bijstand te zenden.

--Zeker, lieve mama.

--Waaruit zou dan zijn boete bestaan? vroeg mijn moeder.

--Hierin, dat mijn oom, die alles heeft opgeofferd om fortuin te krijgen, zijn brood verschuldigd zal zijn aan hem, die hij vervolgd heeft en dood gewenst heeft.

--Ik heb nog 't een en ander vernomen omtrent zijn medeplichtigen, zei Bob.

--Omtrent die afschuwelijke Driscoll? vroeg Mattia.

--Niet van Driscoll zelf, die nog altijd aan de overzijde van de oceaan is, maar van de familie Driscoll. Vrouw Driscoll is levend verbrand, doordat zij op de haard is gaan liggen, inplaats van op tafel, en Allen en Ned zijn veroordeeld om hun hele leven in een strafkolonie door te brengen; zij vinden daar hun vader.

--En Kate?

--De kleine Kate past op haar grootvader, die nog altijd leeft; zij wonen in De Rode Leeuw; de oude heeft geld; zij zijn niet ongelukkig.

--Als ze kouwelijk is, zei Mattia lachend, dan beklaag ik haar, want de ouwe heeft niet graag, dat men te dicht bij de haard komt.

Bij die herinneringen aan het verleden had ieder wat te vertellen; hadden wij niet allen gebeurtenissen te herdenken, waarbij ieder van ons van meer of minder nabij betrokken was en waarover wij allen gaarne spraken, want zij vormden de band, die ons samen verenigde.

Toen het diner afgelopen was, trok Mattia mij terzijde bij een van de ramen.

--Ik heb een idee, zei hij; wij hebben zo dikwijls muziek gemaakt voor onverschilligen; thans kunnen wij wel wat muziek maken voor hen, die ons dierbaar zijn.

--Is er dan voor jullie geen genot zonder muziek? Altijd, overal en in alle omstandigheden muziek; denk eens aan de koe, die er zo bang voor was.

--Wilt je het Napolitaanse lied eens spelen?

--Met genoegen; want dat heeft ook Lise haar spraak teruggegeven.

Wij namen onze instrumenten. In een fraaie, met fluweel beklede kist had Mattia een oude viool, die misschien wel twee francs zou opbrengen als wij haar wilden verkopen, en ik haalde de oude harp, waarvan het hout onder de talloze regenbuien zijn oorspronkelijke kleur had teruggekregen.

Men vormde een kring om ons, maar op dat ogenblik kwam er een hond, een poedel, binnen. Hij is erg oud geworden, de goede Capi; hij is doof, maar zijn gezicht is nog goed. Op het kussen liggende, waarop hij zijn dagen doorbrengt, heeft hij de harp herkend en hij komt hinkend naderbij, om de "voorstelling". Hij heeft een bakje in zijn bek; hij wil de ronde doen bij het "geëerde publiek", op zijn achterpoten lopende; maar de krachten ontbreken hem; hij zet zich neder en groet het gezelschap deftig met een poot op zijn hart.

Toen ons lied uit was stond Capi op, zo goed en zo kwaad als het ging. Ieder legde zijn gift in het bakje en Capi, getroffen door de milde giften, bracht het bij mij. Het was de mooiste inzameling, die hij ooit gedaan had; er lag slechts zilver en goud op: 170 francs.

Ik kuste hem op zijn snuit, zoals voorheen, toen hij mij troostte en die herinnering aan de armoede van mijn jeugd deed een denkbeeld bij mij oprijzen, dat ik terstond uitte:

--Die som zal de eerste bijdrage zijn voor een verplegings- en toevluchtsoord voor kleine straatmuzikanten; mijn moeder en ik zullen het overige geven.

--Lieve vrouw, zei Mattia, terwijl hij de hand kuste van mijn moeder, mag ik een klein aandeel in dat goede werk dragen? Als gij het toestaat zal de opbrengst van mijn eerste concert te Londen gevoegd worden bij hetgeen Capi ontvangen heeft.

Er ontbreekt nog een pagina aan mijn manuscript. Het is de pagina met het Napolitaanse lied. Mattia, een betere musicus dan ik, heeft het opgeschreven, en hier is het:

Klik hier voor midi

Canzonetta1.png Canzonetta2.png Canzonetta3.png