Naar inhoud springen

Alleen op de wereld/Hoofdstuk XX

Uit Wikisource
LIZE Alleen op de wereld (1880) door Hector Malot, vertaald door Gerard Keller

DE TUINMAN

HET HUISGEZIN WORDT OPGEBROKEN
Uitgegeven in 's-Gravenhage door Henri J. Stemberg.
Van dit artikel bestaat een wikisource HERTALING in modern Nederlands.

[ 174 ]

XX.
DE TUINMAN.


Den anderen dag zou mijn meester begraven worden en Acquin had mij beloofd, dat ik daarbij tegenwoordig mocht wezen.

Maar den anderen morgen was ik niet instaat mij op te richten, want dien nacht had ik hevig de koorts gekregen, die met een rilling begon en in een bad van zweet eindigde; het was mij, alsof een stuk vuur op mijn borst brandde en ik gevoelde mij zeker even ziek als Joli-Coeur, toen hij een nacht in een boom en in de sneeuw had geslapen.

Ik had een heftige longontsteking, veroorzaakt door de koude, welke ik den nacht, waarin mijn meester gestorven was, doorstaan had.

Deze ziekte deed mij nog meer de goedheid van de familie Acquin op prijs stellen, en vooral bleek toen welk een zorgvolle huishoudster Martha was.

Hoewel men bij minder gegoede huisgezinnen niet spoedig de hulp van den dokter inroept, deden zich bij deze ziekte zulke onrustbarende verschijnselen voor, dat men voor mij een uitzondering maken moest op dezen regel, die zoowel natuurlijk als tevens een gewoonte is. De geneesheer behoefde mij niet lang te onderzoeken om een volledig verslag van mijn ongesteldheid te geven; hij verklaarde terstond, dat men mij naar het gasthuis brengen moest. [ 175 ]

Dit was inderdaad het eenvoudigste en gemakkelijkste wat men doen kon. Toch weigerde de tuinman dezen raad op te volgen.

Daar hij voor onze deur is gevallen en niet voor die van het gasthuis, zoo moeten wij hem ook bij ons houden.

De geneesheer trachtte op allerlei wijzen hem van dit denkbeeld af te brengen, maar niets mocht baten. Men moest mij houden en men hield mij bij zich.

En bij al haar drukke bezigheden nam Martha nog de rol van ziekenverpleegster op zich; zij verzorgde mij liefderijk, geheel volgens het voorschrift, evenals de zusters dat in het gasthuis doen, zonder ooit eenig ongeduld daarbij aan den dag te leggen. Als zij mij een oogenblik verlaten moest om haar huishouden te besturen, dan nam Lize haar plaats in en dikwijls zag ik deze, in mijn koorts, aan het voeteinde van mijn bed, terwijl zij haar groote oogen aanhoudend op mij gevestigd hield. In mijn verward brein meende ik, dat zij mijn beschermengel was en ik sprak haar toe zooals men tot een engel spreekt, aan wien men zijn wenschen en verlangen vertelt.

Sedert dien tijd gewende ik mij, haar als een ideaal wezen te beschouwen, dat door een soort van stralenkrans omgeven was en ik kon nooit mijn verbazing meester blijven, wanneer ik haar zag deelnemen aan het gewone huiselijke leven, juist wanneer ik meende, dat zij haar groote witte vleugels zou uitspreiden.

Ik leed veel gedurende mijn lange ziekte; telkens stortte ik weder in, zoodat bloedverwanten misschien den moed zouden hebben opgegeven, maar Martha verloor haar geduld niet en bleef mij trouw oppassen. Nachten achtereen moest er bij mij gewaakt worden, want ik had dikwijls zulke benauwdheden, dat men bevreesd was, dat ik er in stikken zou. Alexis en Benjamin waakten beurtelings bij mij.

Eindelijk vertoonde zich eenige beterschap; maar daar ik nu eens erger, dan weder beter was, moest ik wachten tot het voorjaar aanbrak en dit de velden bij de Glacière met een groen waas overtoog.

Lize, die niet werkte, nam weder de plaats van Martha in. Met haar wandelde ik langs de oevers van de Bièvre. Tegen den middag, als de zon hoog aan den hemel stond, begaven we ons samen hand aan hand op weg, door Capi gevolgd. Het was een mooi en zacht voorjaar, tenminste ik heb dien lieflijken indruk ervan behouden, hetgeen toch eigenlijk op hetzelfde neerkomt. Dagelijks bezochten wij het dal, dat niet ver van onze woning verwijderd lag.

Natuurlijk sprak Lize onderweg nooit, maar, zonderling genoeg, wij hadden ook geen woorden noodig, want als wij elkander aan[ 176 ]zagen, lazen wij in elkaars blik hetgeen we wilden zeggen, zoodat ik zelf meestal ook zweeg.

Langzamerhand kreeg ik mijn krachten terug en zou ik in den tuin kunnen arbeiden; ik zag dien tijd met ongeduld tegemoet, want ik verlangde er naar om voor de anderen te doen, hetgeen zij voor mij gedaan hadden: voor hen te werken en naarmate mijn krachten vergunden, terug te geven, hetgeen ze mij gegeven hadden. Ik had nooit gewerkt, want hoe vermoeiend verre tochten ook zijn mochten, zoo staan zij niet in vergelijking met een bestendigen arbeid, die veel goeden wil en ijver eischt; maar het scheen, dat ik goed werkte, tenminste dat ik met moed het voorbeeld van hen, die mij omringden, volgde.

Het was de tijd, waarop de viooltjes naar de markt te Parijs gebracht werden en vader Acquin had aan deze bloemen al zijn zorg gewijd; in onzen tuin stonden van allerlei soort en kleur en 's avonds, vóór dat de ramen gesloten werden, was de lucht met de geur van deze bloemen vervuld.

De taak, die men mij had opgedragen, was in evenredigheid van mijn krachten; zij bestond voornamelijk om 's morgens de ramen van de broeikasten af te lichten, wanneer de vorst voorbij was en ze 's avonds daarmede weder te bedekken, vóór dat deze inviel; overdag moest ik zorgen, dat zij met rietmatten overdekt werden, wanneer de zon soms al te fel scheen. Dat was moeilijk noch zwaar, maar het duurde toch lang, daar ik wel een paar honderd pannen tweemaal daags verleggen en aanhoudend moest zorgen, dat het te warm noch te koud werd.

Gedurende dien tijd bleef Lize altijd bij het toestel, dat diende om het water voor de besproeiing op te pompen, en als de oude Coco, wiens oogen met een lederen klep waren geblinddoekt, vermoeid van het rondloopen, wilde stilstaan, dan klapte zij met haar kleine zweep; een van haar broeders stortte de emmers uit, die gevuld opgehaald werden en de ander hielp zijn vader; zoo had iedereen zijn werk en niemand liet tijd verloren gaan.

In mijn dorp had ik de boeren menigmaal aan het werk gezien, maar ik had in het minst geen denkbeeld van den moed en de inspanning, welke de arbeid van de tuinlieden in den omtrek van Parijs vereischt, die 's morgens nog vóór het opkomen der zon reeds moeten opstaan, en eerst laat in den avond zich ter rust kunnen begeven, zich geheel aan hun werk wijden en daarvoor hun beste krachten inspannen; ik had ook het land zien bebouwen, maar ik wist niet hoeveel schatten dit kon voortbrengen, indien men het voortdurend bewerkte: ik was in een goede leer bij vader Acquin.

Ook werd ik niet altijd in de broeikasten gebruikt; toen ik weder geheel hersteld was, mocht ik ook planten en smaakte ik [ 177 ]het genot , dit te zien groeien ; dat was mijn werk , mijn eigendom , mijn schepping en dat maakte mij trotsch ; ik was dus tot iets geschikt en ik gaf hiervan de bewijzen. Maar wat mij nog gelukkiger maakte was , dat ik zelf gevoelde , dat ik het goed deed , hetgeen de moeite dubbel loont; dit verzeker ik u.

Ondanks de vermoeienissen , die dit nieuwe leven voor mij medebracht , gewende ik mij toch spoedig aan al die werkzaamheden , die zoo weinig geleken op mijn vorig zwervend leven. Inplaats van vrij rond te loopen , zooals vroeger , steeds den grooten weg te volgen , moest ik mij thans tusschen vier muren van een tuin opsluiten en van den morgen tot den avond hard werken , terwijl het hemd mij aan het lijf kleefde , met de gieters aan mijn arm en mijn voeten in beslijkte schoenen ; maar iedereen werkte zoo hard ; de gieters van den vader waren nog zwaarder dan de mijne en zijn schoenen niet minder vuil. Het doet ons goed , als wij , wanneer ons iets moeite kost , zien , dat anderen hetzelfde lot met ons deelen. Bovendien had ik hier wat ik niet dacht dat ik ooit genieten zou : het leven in een huiselijken kring. Ik was niet langer alleen , ik was niet meer het verlaten kind ; ik had een eigen bed; ik had een plaats aan de tafel , waaraan wij ons altijd vereenigden. Wanneer Alexis of Benjamin nu en dan eens met mij vochten , zoo hadden wij altijd onze twisten weder spoedig vergeten en 's avonds , als we de soep aten , waren wij weer de beste vrienden.

Om de waarheid te zeggen , moet ik bekennen , dat we niet altijd werkten en ons vermoeiden; wij hadden ook onze uren van rust en uitspanning; zij waren wel kort , maar daarom juist des te prettiger.

Des Zondagsmiddags kwamen wij allen in een met wingerden begroeid priëel bij elkander; ik nam dan mijn harp van den muur , die de gansche week daaraan hangen bleef , en liet de kinderen dansen. Geen van allen had dansen geleerd , maar de jongens hadden eens een bal bijgewoond en hun geheugen kwam hen bij die gelegenheid te hulp.

Wanneer zij het dansen moe waren , verzochten zij mij om iets voor hen te zingen en wanneer ik mijn napolitaansch lied zong , dan kwamen altijd , evenals de eerste maal , de tranen in Lize's oog.

Teneinde haar dan eenige afleiding te geven , liet ik terstond een vroolijk stukje volgen , waarbij Capi kon optreden. Voor hem waren die Zondagen ook feestdagen ; zij herinnerden hem aan het verleden en wanneer hij zijn rol afgespeeld had , dan zou hij die gaarne weer van voren af aan begonnen zijn.

Twee jaren gingen er op deze wijs voorbij , en daar de tuinman mij dikwijls naar de markt medenam of soms ook wel naar andere tuinlieden , bij wie wij onze planten brachten , begon ik lang[ 178 ]zamerhand Parijs te leeren kennen en te begrijpen, dat het geen stad van marmer en goud was, gelijk ik mij vroeger verbeeldde, maar dat het evenmin slechts vuil en slijk was, wat men er zag, zooals op den avond, toen wij voor de eerste maal hare straten doorkruisten.

Ik zag praalgraven en monumenten, ik wandelde langs de kaden en over de boulevards, in het Luxemburg, de Tuileriën en de Champs Elysées.

Ik zag beelden. Ik bleef de menigte vol bewondering gadeslaan. Ik begon mij een denkbeeld te maken van het leven dat men in een hoofdstad leidt.

Gelukkig bestond mijn opvoeding niet alleen in hetgeen ik toevallig op mijn wandelingen of mijn tochten door Parijs zag. Voordat de vader" zich zelf als tuinman gevestigd had, was hij werkzaam geweest in de boomkweekerij van den Plantentuin en daar was hij in aanraking gekomen met wetenschappelijke en bestudeerde menschen, door wier omgang het verlangen bij hem levendig was geworden om te lezen en te studeeren. Verscheidene jaren had hij van zijn inkomen gespaard om boeken te koopen en die in zijn vrijen tijd te lezen. Maar toen hij getrouwd was en kinderen had, kreeg hij minder vrijen tijd, want hij moest toen zorgen, dat allen aan den kost kwamen; zijn boeken bleven voortaan gesloten, maar hij bewaarde ze zorgvuldig in een kast. De eerste winter dien ik in zijn huisgezin doorbracht, duurde zeer lang en hoewel het werken in den tuin niet geheel gestaakt werd, viel er toch maanden achtereen weinig te arbeiden.

Des avonds vereenigden wij ons bij den haard; de oude boeken werden dan te voorschijn gehaald en onder ons verdeeld. Voor het grootste gedeelte handelden zij over planten en kruiden en degeschiedenis daarvan; voorts waren er eenige reisverhalen. Alexis en Benjamin hadden echter niet dien lust in lezen en studeeren, welken hun vader in zijn jeugd bezat; geregeld vielen zij dan ook gerust over hun boek in slaap. Ik voor mij, die minder slaperig of misschien leergieriger was, bleef, totdat wij naar bed gingen, doorlezen: de eerste lessen, welke Vitalis mij gegeven had, waren dus niet verloren gegaan, en wanneer ik dit bij mezelf zeide, terwijl ik mij uitkleedde, dacht ik altijd met dankbaarheid aan hem.

Mijn lust tot leeren herinnerde Acquin weder aan den tijd, toen hij op zijn eten zooveel mogelijk uitzuinigde om zich boeken aan te schaffen; hij bracht mij soms ook wel nieuwe boeken uit Parijs mede. Zijn keus liet hij aan het toeval over en dikwijls zelfs ging hij alleen op de titels af; in elk geval, het waren boeken en al mochten zij mijn geest een weinig in de war brengen, met den tijd zou dat wel in orde komen en ontegenzeglijk is mij veel goeds daarvan bijgebleven. [ 179 ]

Lize kon niet lezen, maar toen zij mij, zoodra ik een uur vrij had, in een boek verdiept zag, verlangde zij te weten, wat mij zooveel belangstelling inboezemde. In het eerst wilde zij mij altijd de boeken afnemen, die mij beletten om met haar te spelen; maar toen zij zag, dat ik, ondanks alles, toch altijd weer naar mijn boeken terugkeerde, verzocht zij mij haar te vertellen, wat erin stond. Een nieuwe band vormde zich daardoor tusschen ons. Daar zij vaak in zichzelf gekeerd was en haar verstand goed ontwikkeld was, zonder dat zij ooit kon deelnemen aan beuzelachtige of onbeduidende gesprekken, moest zij een groote vergoeding in het lezen vinden, hetgeen zij er dan ook werkelijk in vond: een afleiding en voedsel voor haar geest.

Hoeveel uren hebben wij niet samen doorgebracht: zij naast mij, geen oogenblik haar oogen van mij afwendende, terwijl ik verdiept was in een boek. Dikwijls hield ik even op, als ik een woord of een zin niet begreep, en dan zag ik haar aan. Langen tijd zochten wij dan, en wanneer wij het niet te weten kwamen, dan beduidde zij mij met een gebaar, dat ik maar moest voortgaan, alsof zij zeggen wilde: „later." Ik leerde haar ook teekenen dat wil zeggen, zooals ik teekenen kon. Dit duurde echter lang en was veel moeilijker, maar het gelukte mij toch. Ik was zelf geen groot meester, maar wanneer meester en leerling het met elkander eens zijn, is dit dikwijls meer waard, dan talent. Welk een vreugde was het, toen zij eenige lijnen kon zetten, waaruit men kon opmaken, wat zij teekenen wilde! Vader Acquin drukte mij een kus op het voorhoofd.

— Ik had wel een grooter domheid in mijn leven kunnen begaan dan u in huis te nemen, zeide hij. Lize zal er u later wel voor betalen.

Later, dat wil zeggen, wanneer zij weder spreken kon, want men had de hoop nog niet opgegeven, dat zij eenmaal haar spraak zou terugkrijgen; de dokters hadden echter gezegd, dat zij voor het oogenblik er niets aan doen konden en zij de krisis moesten afwachten.

Later beteekende ook een treurig schudden met haar hoofd wanneer ik een van mijn liedjes voor haar gezongen had. Zij had ook op de harp willen leeren spelen en al spoedig liet zij even vlug als ik haar vingers over dat instrument glijden. Maar natuurlijk kon ik haar niet leeren zingen en dat speet haar. Dikwijls zag ik tranen in haar oogen, die mij een bewijs waren, hoeveel zij er onder leed. Maar bij zulk een goed en zacht karakter duurt het verdriet niet lang; zij wischte hare tranen af en met een glimlach beduidde zij mij dat het later" wel gebeuren zou.

Door vader Acquin als kind aangenomen en door zijn zoons als een broeder beschouwd, zou ik waarschijnlijk mijn levenlang op [ 180 ]de Glacière gebleven zijn, zoo er niet een gebeurtenis plaats had gegrepen, die plotseling weder een verandering in mijn leven bracht; want het stond geschreven, dat ik niet lang gelukkig zou kunnen zijn, en dat juist wanneer ik meende, het zekerst van mijn rust te zijn, het oogenblik was aangebroken, waarop ik weder, door omstandigheden onafhankelijk van mijn wil, tot een leven vol avonturen en zonderlinge lotgevallen zou terugkeeren.