Alleen op de wereld/Hoofdstuk XIV

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


PD-icoontje   Publiek Domein
Deze bron (Alleen op de wereld/Hoofdstuk XIV) is (gedeeltelijk) afkomstig van Project Gutenberg.

Bronnen afkomstig van Project Gutenberg zijn in het publiek domein.

Deze van Gutenberg.org afkomstige tekst is een vertaling van Gerard Keller. De tekst was tamelijk archaïsch en is nu gemoderniseerd. De muziekliefhebbers vinden in het laatste hoofdstuk het Napolitaanse lied dat Remi voor Lise zong. Klik voor een verdere toelichting op Voorrede van de vertaler.

Inleiding Voorrede van de vertaler - Opdracht - Geografie

Deel I: In het dorp - Een pleegvader - De troep van signor Vitalis - Het ouderlijk huis - Op reis - Mijn eerste optreden - Ik leer lezen - Over berg en dal - Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen - Voor de rechter - Op het schip - Mijn eerste vriend - Een vondeling - Sneeuw en wolven - Mijnheer Joli-Coeur - Aankomst te Parijs - Een padrone in de rue Lourcine - De steengroeve van Gentilly - Lise - Bloemenkweker - Het gezin wordt opgebroken

Deel II: Voorwaarts - Een zwarte stad - Opperman - De overstroming - In de zijgang - De redding - Een muziekles - De koe van de prins - Moeder Barberin - Het oude en nieuwe gezin - Barberin - Nasporingen - De familie Driscoll - Eer uw vader en uw moeder - Capi op het slechte pad - De mooie babykleertjes waren bedrog - De oom van Arthur - De kerstnachten - De angst van Mattia - Bob - Le cygne - De mooie babykleertjes hebben waarheid gesproken - In de familie


SNEEUW EN WOLVEN[bewerken]

AodW14a.jpg

Ik moest voortaan weer achter mijn meester lopen, met het koord van de harp over mijn schouder geslagen, en verre tochten door regen en zon, door het stof en de modder met hem afleggen.

Het zou weer mijn lot zijn, om mij op pleinen en markten zo dom mogelijk voor te doen en het geëerde publiek te doen lachen of huilen.

De overgang was wreed, want niets went zo spoedig als een gemakkelijk en gelukkig leven.

Ik gevoelde mij dikwijls vermoeid en uitgeput, ergerde of verveelde mij gedurig, en ondervond allerlei gewaarwordingen, die ik nooit gevold had tijdens die twee maanden die ik deelde met de bevoorrechten van deze wereld.

Meer dan eens bleef ik achter, om aan Arthur, aan mevrouw Milligan en Le Cygne te kunnen denken, en in mijn herinnering leefde ik dan weer in het verleden.

O, welk een goede tijd was dat! En als wij 's avonds in een vuile dorpsherberg sliepen, dan dacht ik aan de hut, die ik in Le Cygne had, en hoe hard vond ik dan mijn beddelakens.

Ik zou niet meer met Arthur spelen, ik zou nooit die lieve, vriendelijke stem van mevrouw Milligan meer horen!

Gelukkig echter troostte mij één ding in mijn zeer groot en voortdurend verdriet: mijn meester was voor mij veel vriendelijker dan hij ooit geweest was! Hij was zelfs teder, zo deze uitdrukking van toepassing kon zijn op Vitalis.

Zijn karakter, of liever zijn omgang met mij, had in dit opzicht een grote verandering ondergaan en dit althans gaf mij de kracht om mijn leed te dragen en mijn tranen te bedwingen, wanneer de gedachte aan Arthur mij het hart vervulde. Ik voelde dan, dat ik niet alleen op de wereld was en dat Vitalis méér voor mij was dan een meester.

Dikwijls zelfs, wanneer ik slechts gedurfd had, voelde ik een onweerstaanbare lust om hem een kus te geven; zulk een behoefte had ik om aan de genegenheid, die ik hem toedroeg, lucht te geven, maar ik had de moed niet, want Vitalis was er de man niet naar, tegenover wie men vertrouwelijk kon zijn.

In het begin en ook gedurende de eerste jaren, was het een zekere vrees, die mij op een afstand van hem hield; thans was het een gevoel van eerbied, dat hij in mij opwekte.

Toen ik mijn dorp verliet, was Vitalis in mijn oog een mens zoals alle anderen, want ik was toen nog niet in staat om enig onderscheid te maken; maar mijn verblijf bij mevrouw Milligan had mij tot op zekere hoogte de ogen geopend en het is vreemd, maar wanneer ik Vitalis soms aandachtig gadesloeg, dan scheen het mij toe, alsof hij in zijn houding, zijn manieren en alles enige overeenkomst had met mevrouw Milligan.

Ik zei dan wel tot mezelf, dat dit onmogelijk was, daar mijn meester slechts honden en apen vertoonde, en mevrouw Milligan een aanzienlijke dame was.

Maar al zei mijn verstand mij dit, mijn ogen moesten toch geloven, wat zij aanhoudend zagen; als Vitalis het wilde, dan was zijn voorkomen even voornaam als dat van mevrouw Milligan; het enige onderscheid tussen hen was, dat mevrouw Milligan altijd een dame was, terwijl mijn meester slechts in enkele omstandigheden zich als een heer voordeed; maar hij was het dan ook zo volkomen, dat hij zowel den stoutmoedigste als den onbeschaamdste ontzag zou hebben ingeboezemd.

Maar daar ik noch stoutmoedig, noch onbeschaamd was, voelde ik mij wel onder die invloed, maar toch durfde ik mijn hart geen lucht geven, al lokte hij dit ook door enige vriendelijke woorden uit.

Nadat wij Sète verlieten, hadden wij verscheidene dagen lang niet over mevrouw Milligan en mijn verblijf op Le Cygne gesproken, maar langzamerhand was dit het onderwerp van onze gesprekken geworden en mijn meester was altijd de eerste, die ermee begon, en weldra verliep er geen dag, zonder dat de naam van mevrouw Milligan door ons uitgesproken werd.

--Je hieldt veel van die dame? vroeg Vitalis mij eens; ja, ik begrijp het; zij was goed, zeer goed zelfs voor je: je moet dan ook altijd met dankbaarheid aan haar denken.

Hij voegde er dan ook dikwijls bij:

--Het moest!

In 't eerst begreep ik dat niet; maar langzamerhand kwam ik tot de overtuiging, dat hetgeen zo moest zijn, betrekking had op het voorstel, dat mevrouw Milligan had gedaan, om mij bij haar te houden.

Dat betekende het zeker, wanneer mijn meester zei: "Het moest"; en het kwam mij voor, dat die enkele woorden enig berouw verrieden; hij had mij wel bij Arthur willen laten, maar dat was onmogelijk geweest.

En in mijn hart was ik hem dankbaar voor dit berouw; hoewel ik niet gissen kon, waarom hij het aanbod van mevrouw Milligan had moeten afslaan, de uitlegging, welke door deze herhaaldelijk aan mij gegeven was, scheen mij niet zeer duidelijk toe.

--Misschien zou hij later het voorstel aannemen.

En dit gaf mij weer enige hoop.

--Waarom ook zouden wij Le Cygne niet weer ontmoeten?

De boot moest de Rhône opvaren en wij volgden de oever van dezelfde rivier.

Onder het wandelen wendde ik dan ook dikwijls de blik naar het water, dat aan beide zijden door vruchtbare oevers begrensd werd.

Zodra wij in een stad kwamen, in Arles, Tarascon, Avignon, Montélimar, Valence, Tournon-sur-Rhône, Vienne, begaf ik mij altijd het eerst naar de kaden of naar de bruggen: ik zocht Le Cygne, en als ik van verre een boot, die half in een nevel gehuld was, ontdekte, dan bleef ik altijd een poos wachten, om te zien of het Le Cygne ook wezen zou.

Maar zij was het nooit.

Soms had ik de moed om het aan een schipper te vragen en ik beschreef hem dan de boot, die ik zocht, maar zij hadden hem nog nooit voorbij zien varen.

Nu mijn meester besloten had om mij aan mevrouw Milligan af te staan -- ten minste ik verbeeldde mij dit -- zou ik ook niet langer bevreesd behoeven te zijn, dat men mij naar mijn geboorte zou vragen, of aan moeder Barberin schrijven zou; alles zou tussen mijn meester en mevrouw Milligan afgehandeld kunnen worden; In mijn kinderlijke droom regelde ik het zo: mevrouw Milligan verlangde mij tot zich te nemen, mijn meester stond haar zijn rechten op mij af, en meer zou er niet toe nodig wezen.

Wij bleven verscheidene weken in Lyon, en zodra ik vrij was, ging ik naar de oevers van de Rhône en de Saône; ik kende de bruggen van Ainay, van Tilsitt, van Guillotière en die bij het gasthuis evengoed als een inwoner van Lyon.

Maar hoe ik ook zocht, Le Cygne vond ik nooit.

Wij moesten Lyon weer verlaten en ons naar Dijon begeven; toen verloor ik alle hoop om ooit mevrouw Milligan en Arthur terug te zien, want in Lyon had ik alle mogelijke kaarten van Frankrijk, die ik op de boekenstalletjes had kunnen vinden, bestudeerd en ik wist, dat het canal du Centre, dat Le Cygne zou opvaren, om de Loire te bereiken, zich bij Chalon-sur-Saône van de Saône scheidt.

Wij kwamen te Chalon en verlieten die stad zonder Le Cygne te hebben gezien: er viel dus niets meer aan te doen; ik moest mijn droom opgeven.

En om mijn wanhoop nog groter te maken, begon het weer ondragelijk te worden; de winter naderde met rasse schreden en onze tochten door regen en modder werden hoe langer hoe onaangenamer. Wanneer wij 's avonds een armoedige herberg of een schuur tot nachtverblijf hadden gevonden en ik uitgeput van vermoeienis, tot op mijn hemd toe nat en tot over mijn enkels beslijkt was, dan begaf ik mij niet met de gelukkigste gedachten ter ruste.

Toen wij Dijon verlaten hadden, en de heuvels van Côte-d'Or overtrokken, werden wij plotseling door een hevige koude overvallen, die al onze ledematen deed verstijven en Joli-Coeur nog treuriger en knorriger stemde dan mij.

Mijn meester was van plan om zo snel mogelijk Parijs te bereiken; eerst te Parijs zou er voor ons kans bestaan om gedurende de winter enige voorstellingen te geven, maar hetzij hij geen geld genoeg had om deze afstand met de trein af te leggen, of om welke andere reden ook, wij moesten te voet de weg volgen, die Dijon van Parijs scheidt.

Als het weer het ons toestond, dan gaven wij een korte voorstelling in de steden of dorpen die wij doortrokken, en wanneer deze ons dan enig geld opbrachten, zetten wij onze reis weer voort.

Tot Chàtillon-sur-Seine ging alles zijn gewone gang, hoewel wij altijd veel van de kou en vochtigheid te lijden hadden; maar toen wij deze stad hadden verlaten, werd het weer droog en draaide de wind naar het noorden.

In het eerst was ons dit welkom, hoewel het lang geen aangenaam gevoel is, als de noordenwind ons vlak in het gelaat waait, maar toch was in elk geval aan deze scherpe wind nog de voorkeur te schenken boven die regen en mist, die in de laatste weken zonder ophouden gevallen was.

Ongelukkig echter hielden wij het met deze wind ook niet droog; donkere wolken pakten zich aan de hemel samen, de zon scheen niet meer en aan alles kon men zien, dat er weldra sneeuw zou vallen.

Waarschijnlijk zouden wij vóór het vallen van de eerste sneeuw een groot dorp hebben kunnen bereiken, maar het plan van mijn meester scheen, zo snel mogelijk te Troyes te zijn omdat Troyes een grote stad is, waar wij verscheidene voorstellingen zouden kunnen geven, als het slechte weer ons dwong, om daar geruime tijd te vertoeven.

--Ga spoedig naar bed, zei hij, toen wij in onze herberg waren aangekomen; morgenochtend gaan wij reeds vroeg op reis; maar ik vrees, dat de sneeuw ons zal overvallen.

Hijzelf begaf zich echter niet zo spoedig ter ruste, maar hij bleef bij de kachel zitten om eerst Joli-Coeur nog wat te verwarmen, die die dag veel van de koude had geleden en aanhoudend gesteund en gekermd had, ondanks alle voorzorgen om hem in de nodige dekens te wikkelen.

De volgende dag stond ik bij het aanbreken van de dag op, zoals hij mij bevolen had; het was nog donker en aan de zwarte hemel flikkerde geen enkele ster; het was alsof een groot, zwaar deksel op de aarde was neergedaald en deze zou verpletteren. Als men de deur opende, joeg een scherpe wind door de schoorsteen, die de sintels aanblies, die men den vorige avond onder de as had gelegd.

--Als ik in uw plaats was, sprak de waardin tot mijn meester, dan zou ik niet vertrekken; het begint straks te sneeuwen.

--Ik heb haast, antwoordde Vitalis, en ik hoop Troyes te bereiken, voordat het begint te sneeuwen.

--Dertig kilometer legt men niet gemakkelijk in een uur af.

Toch begaven wij ons op reis.

Vitalis stopte Joli-Coeur onder zijn jas, om hem wat van zijn eigen warmte te geven, en de honden, die blij waren met dit droge weer, liepen voor ons uit. Mijn meester had in Dijon een schapenvacht voor mij gekocht, waarvan ik de wol naar binnen gekeerd had en waarmede ik mijn gelaat bedekte, zodat de wind, die ons in het gezicht blies, alleen mijn lichaam trof.

Het was niet prettig de mond te moeten openen; wij liepen dus zwijgend naast elkaar voort en stapten zo snel mogelijk door, zowel om spoediger ons doel te bereiken, als om ons te verwarmen.

Hoewel het uur reeds lang was aangebroken, waarop de zon opging, werd het toch niets lichter om ons heen.

Eindelijk brak in het oosten een witte streep door de duisternis, maar de zon vertoonde zich niet; het was geen nacht meer, maar ik zou toch zeer overdrijven, als ik beweerde, dat het dag was.

Toch kon men de voorwerpen op het veld reeds duidelijker onderscheiden; het witte waas, dat over de aarde verspreid lag, en van het oosten uitging, als uit een oven, die op de grond was geplaatst, deed ons het geboomte zien, ontdaan van zijn gebladerte en hier en daar de heggen, waaraan nog verdorde bladeren hingen, die een dof geluid maakten door den wind, die ze telkens liet ruisen.

In de hele omtrek was geen schepsel te ontdekken; noch het rollen van een rijtuig, noch het klappen met de zweep trof ons oor; de enige levende wezens, die men hoorde maar niet zag, waren de vogels, die zich tussen de takken verscholen; alleen de eksters sprongen over de weg; met opgeheven staart en de kop in de lucht, vlogen zij ijlings op, wanneer wij naderden om boven in een boom te gaan zitten, vanwaar zij ons vervolgden met hun gekras, dat de indruk maakte van scheldwoorden, of onheilspellende waarschuwingen.

Plotseling vertoonde zich in het noorden een wit puntje aan den hemel; het nam zeer snel in grootte toe, terwijl het ons naderde en wij hoorden een zonderlinge mengeling van onsamenhangende geluiden; het moesten wilde eenden of zwanen zijn, die van het noorden naar het zuiden trokken. Zij vlogen boven ons hoofd en zij waren reeds een eind ver, toen wij nog enig dons en veertjes door de lucht zagen dwarrelen, waarvan de witheid scherp afstak tegen de donkere hemel.

Het landschap, dat wij doortrokken, was zeer somber en verspreidde over al wat ons omringde een droevige eentonige tint; zover onze blik reikte, zagen wij kale velden, stille heuvels en dorre bomen.

De wind was een weinig naar het noordwesten gedraaid; de horizon had aan die kant een koperkleurige tint, hij was zwaar en laag alsof hij op de toppen van de bomen rustte.

Het duurde ook niet lang of enige vlokken sneeuw, die zo groot waren als vlinders, begonnen te vallen, zij stoven op-en-neer, en warrelden dooreen zonder de grond te raken.

Wij hadden nog niet lang voortgelopen, of het scheen mij reeds onmogelijk toe om Troyes voor de sneeuw te bereiken; daarover maakte ik mij echter niet bezorgd, en ik dacht zelfs, dat wanneer het begon te sneeuwen, die noordenwind zou ophouden en de koude zou afnemen.

Maar ik kende geen sneeuwstorm; spoedig zou ik ondervinden wat dat was, en wel op een wijze om het nooit te vergeten.

De wolken, die uit het noordwesten al nader en nader gekomen waren en de hemel als met een wit schijnsel verlichtten, waren van elkaar gespleten en grote sneeuwvlokken begonnen te vallen.

Het waren nu geen vlokken die voor ons uit warrelden, het was een regen van sneeuw, die op ons nederviel.

--Het stond zeker geschreven, dat wij Troyes niet mochten bereiken, sprak Vitalis; wij moeten een schuilplaats zoeken in de eerste de beste woning.

Dat waren woorden die mijn hart goed deden; maar waar zouden wij gastvrije mensen vinden? Voordat de sneeuw ons nog in zijn sneeuwwit kleed had gehuld, had ik een onderzoekende blik over het gehele landschap geworpen, maar geen huis in de omtrek ontdekt, dat ons de nabijheid van een dorp kon aankondigen. Wij stonden integendeel op het punt om een bos binnen te treden, welks sombere diepten van alle kanten met het oneindige samensmolten.

Wij moesten dus niet al te vast op die woning rekenen; maar misschien zou de sneeuw spoedig ophouden.

Zij bleef echter vallen en veel erger dan in het begin.

In weinige ogenblikken had zij de weg bedekt of liever alles wat zich op de weg bevond: de steenhopen, het gras aan de zijden van den weg, de struiken en heggen langs de sloten, want door de wind voortgedreven, die niet was gaan liggen, stoof zij over de grond verder, om zich vast te zetten op alles wat haar tegenstand bood.

Het lastigste voor ons was, dat ook wij behoorden tot de hinderpalen op haren weg. Als de vlokken ons troffen, gleden zij over het gladde heen, maar in elke plooi of opening drongen zij binnen als stof en smolten daar.

Ik voelde hoe ze als koud water langs mijn hals afdropen en mijn meester, die de schapenvacht had opgelicht om Joli-Coeur lucht te verschaffen, was niet beter beschut.

Toch gingen wij verder tegen wind en sneeuw in. Wij spraken geen woord, maar keerden ons van tijd tot tijd om, teneinde weer eens adem te scheppen.

De honden gingen niet meer vooruit; zij volgden ons vlak op de hielen en schenen ons een schuilplaats te vragen, die wij hun niet konden geven.

Slechts langzaam kwamen wij vooruit en met moeite; half blind, door-en-door nat en verstijfd; ofschoon wij reeds geruime tijd in het bos waren, vonden wij nergens enige beschutting, daar de weg geheel aan de wind was blootgesteld.

Gelukkig ging de wind, die eerst zo heftig was, langzamerhand liggen, maar toen begon het harder te sneeuwen en in plaats van zich als stof te verspreiden, viel zij nu in dichte zware vlokken neder.

In korten tijd was de weg bedekt met een dikke sneeuwlaag, waarover wij onhoorbaar voortliepen.

Van tijd tot tijd zag ik hoe mijn meester naar de linkerzijde keek, alsof hij daar iets zocht, maar men ontdekte daar niets dan een open vak, waarin men in het afgelopen voorjaar het hout had geveld en waar nu de jeugdige boompjes met hun buigzame takken bijna bezweken onder de vracht sneeuw.

Wat hoopte hij daar te vinden?

Ik voor mij keek maar recht voor mij naar de weg, die zich daar uitstrekte en zocht of dan dat bos nooit zou eindigen en of wij niet ten slotte bij een huis zouden komen.

Maar het was een vruchteloze poging om door die witte sneeuwmuur te willen doordringen. Reeds op weinige ellen afstand verloren de voorwerpen hun vormen en vóór ons zagen wij niets dan de sneeuw, die in steeds dichter vlokken neerviel en ons omringde als in de mazen van een onmetelijk net.

De toestand was niet opbeurend, want ik heb het nooit zien sneeuwen, zelfs niet als ik voor de ramen stond in een goed verwarmde kamer, zonder dat zich een zeker weemoedig gevoel van mij meester maakte, en hier waren wij alles behalve in een goed verwarmde kamer.

Toch moesten wij maar voortlopen en de moed niet opgeven, want onze voeten zakten hoe langer hoe dieper in de sneeuwlaag, die weldra tot onze knieën reikte, terwijl bovendien de sneeuwvracht, die wij op onze hoeden en kleren droegen, hoe langer hoe zwaarder werd.

Opeens zag ik Vitalis de hand naar de linkerzijde uitstrekken, als om mijn aandacht in die richting te vestigen. Ik keek en het scheen mij toe, dat ik op de open vlakte de onbestemde vorm van een hutje zag, uit boomstammen samengesteld.

Ik vroeg geen uitleg, want ik begreep, dat mijn meester mij niet op dat hutje opmerkzaam maakte, om het effect te bewonderen, dat het in dit landschap teweegbracht. Het kwam er maar op aan de weg te vinden, die erheen leidde.

Dat was moeilijk, want de sneeuw lag al hoog genoeg om elk spoor van een weg of een pad te doen verdwijnen. Intussen aan het uiteinde van het open vak, op de plaats waar het hoge kreupelhout weer aanving, scheen het mij, dat de sloot langs de grote weg eindigde. Daar begon zonder twijfel de weg die naar de hut leidde.

Die onderstelling was juist; de sneeuw bezweek niet onder onze voeten, toen wij in de gracht afdaalden en weldra waren wij bij de houten loods.

Deze bestond uit takkenbossen en boomstammen, waarboven takken in de vorm van een dak waren gelegd. Dat dak was dicht genoeg, dat de sneeuw er niet had kunnen doordringen.

Deze schuilplaats was zo goed als een huis.

De honden schenen nog meer haast te hebben of vlugger te zijn dan wij, want zij waren dadelijk in de hut en zij rolden zich over de drogen grond en in het stof, terwijl zij blij keften.

Onze blijdschap was niet minder dan de hunne, maar wij legden ze op een andere wijze aan de dag dan door ons in het stof te wentelen, al was dit misschien ook zo kwaad niet geweest om ons te drogen.

--Ik dacht wel, zei Vitalis, dat bij dit pas gekapte hout ergens een houthakkershut moest zijn. Nu kan de sneeuw vallen, wat mij betreft.

--Ja, laat ze maar vallen, zei ik op uitdagende toon.

En ik ging naar de deur, of liever naar de opening van de hut want zij had geen deuren of vensters, om de sneeuw van mijn buis en mijn hoed te schudden, opdat ons vertrek niet natter werd dan nodig was.

Dat vertrek was zeer eenvoudig, zowel wat zijn inrichting betrof als zijn meubels. Deze bestonden slechts uit een bank van klei en enige stenen, die tot zitplaatsen konden dienen. Maar wat in de gegeven omstandigheden voor ons nog van het meeste belang was, waren de vijf of zes gebakken stenen, die in een hoek lagen gerangschikt en een haard vormden.

Vuur! Wij konden dus vuur maken.

Maar een haard alleen is niet voldoende om vuur te maken, men moet ook hout hebben om te branden.

In een huis als wij nu betrokken hadden, was hout echter niet moeilijk te vinden. Wij konden het van het dak en van de wanden nemen; wij behoefden namelijk slechts de takken uit te trekken, zo we maar oppasten dat wij de muren niet ineen deden storten.

Dit was spoedig gedaan en weldra vlamde een flikkerend vuur lustig op onze haard.

Weliswaar maakte het veel rook, en daar er geen schoorsteen was, verspreidde deze zich door de hut; maar wat bekommerden wij ons daarover: wij hadden vuur en het was ons om de warmte te doen.

Terwijl ik op mijn beide handen steunende het vuur aanblies, hadden de honden zich om de haard geschaard en ernstig zaten ze nu daar op hun staart, met uitgestrekte hals, zodat zij op hun natte, verstijfde buik de vlammen lieten spelen.

Weldra verliet ook Joli-Coeur de vacht van zijn meester en heel voorzichtig zijn neus naar buiten stekend, keek hij eens om zich heen om te zien, waar hij zich bevond. Het onderzoek stelde hem gerust en hij sprong vlug op de grond, nam de beste plaats bij de haard in, en stak zijn kleine sidderende pootjes naar de vlammen uit.

Onze meester was een man van ervaring, die steeds zijn voorzorgen nam. Voordat wij die morgen op weg waren gegaan, had hij reeds voor levensbehoeften gezorgd: een half brood en een stuk kaas. Veel was het niet, maar het was waarlijk het ogenblik niet om veel te eisen en aanmerkingen te maken op hetgeen wij kregen; toen dan ook het halve brood te voorschijn kwam, voelden wij allen een gewaarwording van innige tevredenheid.

Ongelukkig waren de stukken niet heel groot en voor mij was de teleurstelling nog sterker, want mijn verwachting, dat wij al het brood zouden krijgen, werd niet verwezenlijkt; mijn meester gaf ons niet meer dan de helft.

--Ik ken hier den weg niet, zei hij in antwoord op den vragende blik, waarmee ik hem aanzag, en ik weet niet of wij vóór Troyes nog wel een herberg zullen voorbijkomen. Bovendien ben ik ook in dit bos niet bekend. Alleen weet ik, dat er zeer veel bossen in dit land zijn en dat het een zich aan het andere aansluit: de bossen van Chaource, van Rumilly, van Othe, van Aumont. Misschien zijn wij vele mijlen van elke woning verwijderd, en 't is ook mogelijk, dat wij langen tijd in deze hut opgesloten blijven. Het eten moeten wij dus bewaren voor ons middagmaal.

Ik voor mij begreep de toestand heel goed, nu Vitalis mij die uitlegde, maar toen de honden het brood in de zak zagen verdwijnen, terwijl hun honger nog verre van gestild was, staken zij de poten naar hun meester uit, krabden zijn knieën en vertoonden een hele pantomime om hem te beduiden, dat hij de zak moest openmaken, waarop zij onafgebroken de ogen gevestigd hielden.

Maar hun smeken en liefkozen was tevergeefs: de zak bleef gesloten.

Hoe schraal intussen ook het maal geweest was, het had ons weer kracht gegeven; wij waren beschut tegen het weer; dank zij het vuur doortintelde ons een aangename warmte; wij konden wachten tot het ophield met sneeuwen.

In die hut te blijven vond ik volstrekt niet naar; vooral niet omdat ik er niet zolang dacht te blijven als Vitalis mij had voorgespiegeld om zijn zuinigheid te rechtvaardigen. De sneeuw zou niet altijd blijven vallen.

Intussen was uit niets af te leiden, dat het spoedig zou ophouden te sneeuwen.

Door de opening van de hut zagen wij de vlokken dicht en snel naar beneden vallen. Daar het niet meer waaide, vielen zij bijna loodrecht naar beneden en de een volgde de andere, zonder tussenpozen.

Men zag de hemel niet en het licht viel niet van boven, maar steeg van beneden op: van de schitterende witte vlakte, die de grond bedekte.

De honden hadden zich geschikt in dit gedwongen oponthoud. Alle drie lagen zij voor het vuur uitgestrekt; de een in elkaar gevouwen, de andere op zijn zijde; Capi met zijn neus in de as. Alle drie sliepen.

Ik kwam op de gedachte om te doen als zij; ik was al vroeg opgestaan en ik vond het veel plezieriger in het land van de dromen rond te zwerven, misschien op Le Cygne, dan naar de sneeuw te kijken.

Ik weet niet hoe lang ik sliep; toen ik wakker werd, had het opgehouden met sneeuwen; ik zag naar buiten; de sneeuw lag nog veel hoger voor onze hut: als wij ons op weg begaven, zou ik er zeker tot over de knieën zijn ingezonken.

Hoe laat zou het wel wezen?

Ik kon het niet aan Vitalis vragen, want in den laatste tijd hadden wij maar weinig verdiend, zodat hetgeen hij in de gevangenis en door zijn proces verloren had, niet was aangevuld. Daarom had hij te Dijon, teneinde een schapenvacht en enige andere voorwerpen voor zichzelf en mij te kunnen aanschaffen, zijn horloge moeten verkopen, het grote zilveren horloge, waarop Capi nog gezien had hoe laat het was, toen zijn meester mij bij zich in dienst nam.

Ik moest dus aan de dag zien welk uur het was, daar wij ons horloge niet meer bezaten.

Maar niets daarbuiten kon mij enig antwoord geven. Op de grond lag een onafzienbare witte laag sneeuw; daarboven hing een donkere mist: de lucht was effen grijs en hier en daar vertoonde zich slechts een flauwe gele streep.

Uit niets van dit alles kon ik opmaken hoe laat het was.

Mijn oren vertelden mij al even weinig als mijn ogen, want alom heerste een doodse stilte, die door geen vogel werd gestoord, noch door het klappen van een zweep of het rollen van een wagen; geen nacht was ooit zo stil geweest als deze dag.

Bovendien was alles om ons henen roerloos stil. De sneeuw scheen alle beweging te hebben gedood, alles te hebben versteend. Slechts van tijd tot tijd zag men na een bijna onhoorbaar kraken de tak van een dennenboom zich bewegen; onder de vracht die hij torste, was hij langzamerhand tot de grond doorgebogen, en als hij al te schuin hing, was de sneeuw eraf gevallen, en de tak had plotseling zich weer verheven. Zijn donkergroen loof vormde dan een sterk contrast met het witte sneeuwkleed, dat de andere bomen van de top tot de voet omhulde, zodat men op een afstand meende een zwarte opening te zien in de witte lijkwade.

Terwijl ik tegen de post van de deur geleund stond, opgetogen over dit schouwspel, hoorde ik mijn meester mij roepen.

--Hebt je lust om weer op weg te gaan?

--Ik weet het niet, het is mij alles onverschillig; ik zal alles doen wat u verlangt.

--Nou, ik vind dat we maar hier moeten blijven; wij zijn hier tenminste beschut en wij hebben vuur.

Ik voegde er in mijn gedachten bij, dat wij nauwelijks brood hadden maar ik hield die opmerking voor me.

--Ik denk dat het spoedig weer zal gaan sneeuwen, ging Vitalis voort. Wij moeten ons niet op weg begeven, zonder dat wij weten op welke afstand we zijn van bewoonde huizen; de nacht zou niet heel aangenaam wezen temidden van die sneeuw; 't is beter dat wij hem hier doorbrengen; hier hebben wij tenminste droge voeten.

Als ik de vraag, hoe en wat wij eten zouden er buiten liet, had dit besluit niets onaangenaams voor me, maar al gingen wij dadelijk weer op weg, dan was het nog volstrekt zo zeker niet, dat wij vóór de avond een herberg zouden bereiken, en daar ons maal zouden kunnen vinden; wel wachtte ons daarentegen op de wegen een dikke laag sneeuw, die nog niet was platgetreden, en waardoor wij slechts met moeite zouden voortkomen.

Men moest dus maar niet aan eten denken; dat was alles wat ons overschoot.

Wat ik verwacht had gebeurde; voor ons middagmaal kregen wij niets anders dan het overschot van de mik, dat Vitalis in zessen verdeelde.

Veel was dit niet en spoedig was het op, niettegenstaande wij de stukjes zo klein mogelijk maakten, om ze langer te doen duren.

Na afloop van ons kort en zeer sober maal, dacht ik dat de honden de vertoning van dien morgen zouden herhalen, want het was duidelijk, dat zij nog geduchte honger moesten hebben. Niets ervan had evenwel plaats, en ik zag alweer wat een verstandige dieren zij waren.

Toen Vitalis het mes in zijn broekzak had gestoken, wat te kennen gaf, dat ons middagmaal was afgelopen, stond Capi op en na een teken te hebben gegeven aan zijn twee makkers, besnuffelde hij de zak, waarin gewoonlijk onze voorraad geborgen was. Tevens legde hij even zijn poot op den zak om dien te betasten. Na dit tweeledig onderzoek was hij overtuigd, dat er niets meer te eten was. Toen ging hij weer op zijn oude plaats zitten bij het vuur en na een nieuwe wenk met de kop aan Dolce en Zerbino, ging hij languit liggen, en slaakte een zucht van berusting.

Er is niets meer; dus behoeven we ook niet te vragen. Dit gaf hij zo duidelijk te kennen, alsof hij het met zoveel woorden zei. Zijn makkers begrepen die taal en legden zich toen ook bij het vuur neer, eveneens een zucht slakende, maar die van hen was niet zo onderworpen, want aan goede eetlust paarde Zerbino een bijzondere neiging voor hetgeen lekker was, en het gemis was voor hem dus erger dan voor de anderen.

Het sneeuwde opnieuw geruime tijd en de sneeuw viel weer hardnekkig in dichte vlokken neder. Van uur tot uur zag men de laag, die zij op de grond vormde, al hoger en hoger tegen de boomstammen rijzen, waarvan alleen de takken nog uitstaken boven de witte zee, die ze weldra zou verzwelgen.

Maar na het eten kon men al minder en minder duidelijk zien wat er om de hut plaats had, want deze sombere dag was nog vroeger dan andere winterdagen geëindigd.

De duisternis bracht evenwel geen verandering teweeg: de sneeuw bleef onafgebroken uit de donkere hemel op de witte aarde vallen.

Daar wij hier moesten overnachten, was het beste zo spoedig mogelijk maar in te slapen. Ik volgde dus het voorbeeld van de honden, wikkelde mij in mijn schapenvacht, die ik voor het vuur had gehangen en die nu nagenoeg droog was, en strekte mij bij het vuur uit, met het hoofd op een platte steen, die mij tot oorkussen diende.

--Slaap maar, zei Vitalis, ik zal je wakker maken als ik op mijn beurt ook slapen wil, want ofschoon wij in deze hut niets te vrezen hebben van dieren of mensen, moeten wij toch een van beiden wakker blijven om het vuur te onderhouden. Wij moeten onze voorzorgsmaatregelen nemen tegen de kou, die vrij vinnig zal wezen, als de sneeuw opgehouden heeft.

Ik liet mij dit niet tweemaal zeggen en sliep in.

Toen mijn meester mij wakker maakte, moest het al in ’t holst van de nacht wezen; tenminste dit verbeeldde ik mij. De sneeuw had opgehouden; ons vuur brandde nog altijd.

--Thans is het jouw beurt, zei Vitalis: je moet maar van tijd tot tijd wat hout op de haard werpen; je ziet dat ik nog genoeg voor je heb klaargelegd.

Ik zag inderdaad een hoge stapel takkenbossen, die binnen het bereik van mijn arm lag. Mijn meester, die een veel lichtere slaap over zich had dan ik, had willen voorkomen, dat ik hem wakker maakte, zo dikwijls ik een takkenbos van de muur zou halen; daarom had hij deze stapel gemaakt, waarvan ik bijna zonder geruis te veroorzaken het hout kon afnemen.

Dit was een verstandige voorzorg van Vitalis, maar ze had, helaas! de gevolgen niet, die hij ervan verwachtte.

Toen hij zag, dat ik wakker was en gereed om mijn post waar te nemen, was hij op zijn beurt bij het vuur gaan liggen met Joli-Coeur tegen zich aan. Hij had zich in zijn deken gewikkeld en weldra verkondigde zijn zware regelmatige ademhaling, dat hij was ingeslapen.

Op mijn tenen sloop ik toen naar de deur om eens te zien hoe het buiten was gesteld.

De sneeuw had alles bedolven; over de planten, de struiken, de bomen, zo ver mijn oog kon ontwaren, lag een ongelijke, maar overal even witte sneeuwlaag; de hemel was bezaaid met schitterende sterren, maar hoe helder zijn glans ook was, het landschap werd eigenlijk verlicht door de sneeuw. Het was koud geworden en daar buiten moest het vriezen, want de lucht, die in onze hut doordrong, was ijskoud. In de akelige stilte van de nacht hoorde men soms een zacht gekraak, dat aanduidde, dat de oppervlakte van de sneeuw bevroor.

Het was inderdaad een geluk geweest, dat wij deze hut hadden ontdekt, want wat zou er van ons geworden zijn in 't midden van 't bos, onder die sneeuw en met die koude?

Hoe weinig geruis ik met mijn opstaan ook gemaakt had, toch waren de honden wakker geworden, en Zerbino was eveneens opgestaan om met mij naar de deur te gaan. Daar hij niet met dezelfde gewaarwording als ik de wondervolle schoonheid van de nacht gadesloeg, begon hij zich spoedig te vervelen en wilde hij naar buiten.

Met de hand wenkte ik hem, dat hij naar binnen zou gaan. Welk een idee om met die koude een wandeling te gaan maken! Was het niet veel beter om bij het vuur te blijven dan te gaan zwerven? Hij gehoorzaamde, maar hij bleef met zijn neus naar de deur gekeerd, als een koppige hond, die zijn plan niet wil opgeven.

Nog enige ogenblikken bleef ik naar de sneeuw kijken, want hoewel dit schouwspel mij zeer treurig stemde, schepte ik er toch zeker genot in: het bracht mij in een stemming om te wenen en hoewel het me zeer gemakkelijk zou vallen om het niet meer te zien--ik behoefde daartoe slechts de ogen te sluiten of weer naar het vuur te gaan--verroerde ik mij niet.

Eindelijk keerde ik naar het vuur terug, legde enige takken kruiselings over elkaar, en meende mij gerust te kunnen neerzetten op de steen, die mij tot oorkussen had gediend.

Mijn meester sliep kalm voort; de honden en Joli-Coeur sliepen eveneens; en van het herlevende vuur stegen prachtige vlammen op, die dwarrelend tot het dak rezen en heldere vonken van zich deden afspatten. Dit was het enige geluid, dat men hoorde in de stille nacht.

Een poos lang hield ik mij bezig naar die vonken te kijken, maar langzamerhand overviel mij de moeheid die mij verstijven deed, zonder dat ik er mij van bewust was.

Als ik me met mijn houtvoorraad had moeten bezighouden, zou ik opgestaan zijn en door in de hut heen-en-weer te lopen, wakker zijn gebleven; maar daar ik moest blijven zitten en geen andere beweging had te maken dan de hand uit te strekken om takken op het vuur te werpen, gaf ik toe aan mijn slaperigheid, overtuigd dat ik wakker bleef, maar toch inslapende.

Eensklaps werd ik gewekt door een luid geblaf.

Het was donker; zeker had ik lang geslapen en het vuur was uitgegaan; althans de vlammen verlichtten de hut niet meer.

Het blaffen hield aan; het was de stem van Capi, maar, vreemd genoeg, Zerbino, zomin als Dolce, antwoordde op zijn stem.

--Wel? wat is er? vroeg Vitalis, eveneens wakker wordende. Wat gebeurt er?

--Ik weet het niet.

--Je hebt geslapen en het vuur gaat uit.

Capi was naar de deur gelopen, maar niet naar buiten gegaan. Hij stond er vóór te blaffen.

De vraag, die mijn meester gedaan had, deed ik nu ook aan me zelf. Wat gebeurde er?

Het blaffen van Capi werd beantwoord door twee- of driemaal herhaald klagend geluid, waarin ik de stem van Dolce herkende. Dat geluid kwam van achter onze hut en op vrij korte afstand.

Ik wilde naar buiten gaan; mijn meester hield mij terug, door de hand op mijn schouder te leggen.

--Werp eerst wat hout op het vuur, beval hij.

En terwijl ik gehoorzaamde, nam hij een smeulende tak, waarop hij blies om hem te doen gloeien.

In plaats van den tak weer op het vuur te werpen, toen die vlam had gevat, hield hij hem in de hand.

--Wij zullen eens gaan zien, zei hij; blijf achter me. Vooruit Capi!

Op het ogenblik, dat wij de deur wilden uitgaan, hoorden wij een luid gebrul en Capi drong zich verschrikt tussen onze benen terug.

--Het zijn wolven. Waar zijn Zerbino en Dolce?

Op die vraag kon ik geen antwoord geven. Zeker waren de twee honden weggelopen, terwijl ik sliep. Zerbino had aan de lust toegegeven, die ik had getracht in hem te bedwingen, en Dolce was zijn makker gevolgd.

Hadden de wolven hen meegesleurd? De toon, waarop mijn meester gevraagd had waar zij waren, scheen die vrees te verraden.

--Neem ook een brandende tak, zei hij, en laten we hen helpen.

In mijn dorp had ik allerlei akelige verhalen omtrent wolven gehoord; toch aarzelde ik niet; ik wapende mij met een tak en volgde mijn meester.

Maar toen wij op de open vlakte kwamen, zagen wij honden noch wolven.

Wij bespeurden in de sneeuw slechts de afdrukken van de poten van de twee honden.

Wij volgden die; zij liepen om de hut, maar een weinig verder kwamen wij bij een plek, waar wij, ondanks de duisternis, konden zien, dat zich dieren daarin hadden gewenteld.

--Zoek! zoek! Capi! sprak mijn meester, en tegelijk floot hij om Zerbino en Dolce te roepen.

Maar geen geblaf antwoordde, geen enkel geluid verstoorde de doodse stilte van het bos en Capi, in plaats van te gaan zoeken, drong zich tegen onze benen aan, de duidelijkste blijken gevende van vrees en angst, terwijl hij anders gewoonlijk zo gehoorzaam en dapper was.

De afstraling van de sneeuw gaf niet genoeg licht om ons in staat te stellen het spoor te volgen, en op korte afstand verloor zich onze blik in de dichte duisternis.

Opnieuw floot Vitalis en riep met krachtige stem Zerbino en Dolce.

Wij luisterden; alles bleef stil; mijn hart kromp ineen.

Arme Zerbino! arme Dolce!

Vitalis bevestigde mijn vrees.

--De wolven hebben hen meegesleurd, zei hij. Waarom heb je hen ook naar buiten laten gaan?

Ja, waarom? Daarop was het me onmogelijk een antwoord te geven.

--Wij moeten ze gaan zoeken, zei ik.

Ik liep vooruit, maar Vitalis hield mij terug.

--Waar wil je ze gaan zoeken?

--Ik weet het niet; overal.

--Hoe zouden we onzen weg vinden in die duisternis en door de sneeuw?

Dat was inderdaad niet gemakkelijk; de sneeuw reikte tot onze knieën en met onze smeulende takken, konden wij geen licht brengen in die duisternis.

--Daar zij niet geantwoord hebben op mijn roepen, moeten zij ver.... weg zijn, sprak hij. Bovendien moeten wij ons niet blootstellen aan 't gevaar, dat de wolven ook ons aanvallen. Wij hebben niets om ons te verdedigen.

Het was vreselijk om de twee arme dieren, die twee makkers, die twee vrienden, prijs te geven; voor mij vooral, die aansprakelijk was voor hun daad; als ik niet geslapen had, zouden zij niet weggelopen zijn.

Mijn meester was weer naar de hut gegaan en ik was hem gevolgd, telkens nog omziende en luisterend, maar ik zag niets dan de sneeuw en ik hoorde niets dan het kraken van de vorst.

In de hut wachtte ons een nieuwe verrassing; terwijl wij afwezig waren, hadden de takken, die ik op het vuur had geworpen, vlam gevat en verlichtten tot de donkerste hoeken van de loods.

Ik zag Joli-Coeur niet.

Zijn dek lag voor het vuur, maar het was plat: de aap lag er niet onder.

Ik riep hem; Vitalis riep hem ook; hij kwam niet te voorschijn.

Vitalis zei me, dat hij het dier bij zijn ontwaken naast hem had gevoeld; hij moest dus verdwenen zijn, terwijl wij buiten waren.

Wij namen enige brandende takken en gingen naar buiten, ons over de grond bukkende, om in de sneeuw de sporen van Joli-Coeur te ontdekken.

Wij vonden ze niet; weliswaar hadden de poten van de honden en onze eigen voetstappen de sneeuw hier en daar platgedrukt, maar toch niet in die mate, of wij moesten de afdrukken van den aap kunnen bespeuren.

Wij keerden weer naar de loods terug, om te zien of hij zich niet onder een takkenbos had verscholen.

Lange tijd bleven wij zoeken; wel tienmaal kwamen wij op dezelfde plek en in dezelfde hoek. Ik ging op de schouders van Vitalis staan om tussen de takken te zoeken, die het dak vormden; maar alles tevergeefs.

Van tijd tot tijd riepen wij hem weer, maar er kwam geen antwoord.

Vitalis was radeloos, terwijl ik zelf innig bedroefd was.

Toen ik aan mijn meester vroeg of hij dacht, dat de wolven ook den aap hadden medegenomen, antwoordde hij:

--Neen, de wolven hebben niet in de hut durven komen; ik geloof wel dat zij Zerbino en Dolce hebben aangevallen, toen deze buiten waren, maar hierbinnen zijn zij niet geweest. Het is waarschijnlijk, dat Joli-Coeur zich hier of daar heeft verborgen, terwijl wij buiten waren en dit deed mij juist zo ongerust over hem zijn; want met zulk weer moet hij kou vatten en dat is dodelijk voor hem.

--Laten wij dan nog maar eens zoeken.

En opnieuw hervatten wij onze nasporingen, maar wij waren niet gelukkiger dan de eerste maal.

--Wij moeten de dag afwachten, zei Vitalis.

--Wanneer zal die aanbreken?

--Over twee of drie uren, denk ik.

En hij ging bij het vuur zitten, met het hoofd op de handen leunend.

Ik durfde hem niet te storen. Onbeweeglijk bleef ik bij hem zitten en verroerde mij alleen om nu en dan een tak op het vuur te werpen. Van tijd tot tijd stond hij op en ging naar de deur; dan keek hij naar de hemel en boog zich naar buiten om te luisteren: daarop nam hij zijn plaats weer in.

Ik geloof dat ik liever gewild had, dat hij mij beknorde, dan hem zo somber en neerslachtig te zien.

De drie uren, waarvan hij gesproken had, gingen wanhopend langzaam voorbij. Het scheen, dat de nacht nooit zou eindigen.

Eindelijk echter begonnen de sterren te verbleken en de lucht werd wit; dat was de dageraad; weldra zou het licht worden.

Maar met het aanbreken van de dag werd de koude scherper; de lucht, die door de deur binnendrong, was ijzig koud.

Als wij Joli-Coeur terugvonden, zou hij dan nog leven?

Maar welke redelijke grond bestond er voor de hoop, dat wij hem terug zouden vinden?

Wie wist of met het doorbreken van de dag ook niet de sneeuwbuien zouden terugkeren?

Gelukkig was dit niet het geval; in plaats dat wolken weer de hemel verduisterden, nam hij een lichtroden gloed aan, die een mooie dag voorspelde.

Zodra het koude morgenlicht aan bomen en struiken hun gewone voorkomen had gegeven, gingen wij naar buiten. Vitalis had zich met een dikke knuppel gewapend en ik volgde zijn voorbeeld.

Capi scheen niet meer onder de indruk van de vrees, die hem ‘s nachts bevangen had; met de ogen op zijn meester gericht, wachtte hij op diens wenk om vooruit te gaan.

Terwijl wij nog op den grond de sporen van Joli-Coeur zochten hief Capi de kop omhoog en begon vrolijk te blaffen; dit deed ons aanstonds begrijpen, dat wij boven ons en niet op de grond moesten zoeken.

Wij zagen dan ook, dat de sneeuw, die onze hut bedekte, hier en daar was omgewoeld tot een dikken tak, die boven het dak zich uitstrekte.

Die tak volgende met de ogen, bespeurden wij boven in de grote eikeboom, waartoe hij behoorde, tussen een paar twijgen een kleine donkerkleurige massa.

Het was Joli-Coeur en wat er gebeurd was, liet zich nu wel gissen. Joli-Coeur was bang geworden door het huilen van de wolven en het blaffen en janken van de honden, en in plaats van bij het vuur te blijven was hij, tijdens onze afwezigheid, op het dak geklauterd en vandaar in de boom, waar hij wist dat hij veilig was: daarom was hij er gebleven, ondanks ons roepen, waarop hij niet had geantwoord.

Het arme, tere diertje moest bevroren zijn.

Mijn meester riep hem vriendelijk, maar hij bewoog zich niet, hij scheen dood te wezen.

Enige minuten lang bleef Vitalis roepen, maar Joli-Coeur gaf geen teken van leven.

Thans was het mijn plicht om mijn zorgeloosheid van dien nacht goed te maken.

--Als u 't goedvindt, zal ik hem gaan halen, zei ik.

--Je zult je hals breken.

--Er is geen gevaar.

Dat was niet helemaal waar; er was wel degelijk gevaar; bovendien was het zeer moeilijk wat ik ondernam. De boom was dik, en gedeelten van den stam en de takken die aan de wind waren blootgesteld, waren met sneeuw bedekt.

Gelukkig had ik van mijn jeugd af in bomen leren klimmen en had ik in die kunst een zeer grote bedrevenheid gekregen. Hier en daar waren kleine takken uit den stam gesproten; deze dienden mij tot steunpunten voor mijn voeten, en hoewel ik half verblind was door de sneeuw, die ik door aan de boom te schudden naar beneden liet vallen, had ik toch spoedig de zware tak bereikt. Daar werd het verder klimmen gemakkelijker; ik moest maar oppassen dat ik niet op de sneeuw uitgleed.

Onder het klimmen sprak ik gedurig vriendelijk tot Joli-Coeur, die zich niet verroerde, maar mij met zijn schitterende ogen aanstaarde.

Ik was op het punt hem te bereiken en strekte mijn hand reeds uit om hem te vatten, toen hij plotseling met een enkele sprong een andere tak bereikt had.

Ook daar volgde ik hem, maar ongelukkig zijn mensen, ja zelfs jongens, in het klimmen op verre na niet opgewassen tegen apen.

Waarschijnlijk zou ik dan ook nooit Joli-Coeur bereikt hebben, als de sneeuw de takken niet had bedekt, want daar die sneeuw zijn poten nat maakte, was hij weldra het vluchten moe. Daarom liet hij zich van tak tot tak naar beneden vallen en stond weldra met één sprong op de schouders van zijn meester en verborg zich onder diens jas.

Het was reeds veel, dat wij Joli-Coeur hadden teruggevonden, maar het was nog niet alles. Wij moesten nu ook de honden opsporen.

Weinige schreden verder kwamen wij op de plek, waar wij die nacht geweest waren en de sneeuw omgewoeld hadden gevonden.

Thans was het dag, en het viel ons niet moeilijk te gissen, wat er had plaats gegrepen; die uithollingen in de sneeuw verhaalden de geschiedenis van de dood van de honden.

Nadat zij de hut hadden verlaten, achter elkaar voortlopende, waren zij langs de stapel takkenbossen gegaan en wij konden duidelijk over een lengte van twintig el hun spoor volgen. Daarop verdween dit eensklaps in de omgewoelde sneeuw en zagen wij het spoor van andere dieren; aan den ene kant die, welke aanwezen hoe de wolven in enige lange sprongen zich op de honden hadden geworpen; aan den andere kant die, waaruit bleek, hoe zij ze hadden meegesleurd toen zij ze verpletterd in hun bek hadden gegrepen. Van de honden zelf was geen spoor meer te bekennen, behalve de bloeddruppels, die hier en daar de sneeuw kleurden.

Wij behoefden nu onze nasporingen niet verder voort te zetten; de beide honden waren hier gedood en meegesleurd, om rustig opgevreten te worden in enig kreupelhout.

Bovendien moesten wij ons thans bezighouden met Joli-Coeur en deze zo spoedig mogelijk verwarmen.

Wij traden de hut weer binnen; en terwijl Vitalis de handen en voeten van het dier vóór het vuur hield, zoals men dit met kleine kinderen doet, warmde ik zijn deken, waarin wij hem vervolgens wikkelden.

Maar hij had niet slechts een warme deken nodig, doch ook een goed verwarmd bed, en vooral een warme drank. Noch het een noch het ander was echter binnen ons bereik. Het was al heel wat, dat wij vuur hadden.

Wij zaten bij den haard, mijn meester en ik, zonder een woord te spreken en wij bleven daar onbeweeglijk zitten, starende in de vlammen.

Wij hadden ook geen woorden nodig, wij behoefden elkaar zelfs niet aan te zien om te zeggen wat er in ons hart omging.

--Arme Zerbino! Arme Dolce! Arme vrienden!

Dit waren de enige woorden, die wij nu en dan lieten horen of althans de gedachten, die ons bezielden.

Zij waren onze makkers geweest, onze lotgenoten in goede en kwade tijden; en voor mij, in de dagen van droefheid, mijn vrienden, ja schier mijn kinderen.

Ik kon mijzelf niet van schuld vrijpleiten: als ik goed de wacht had gehouden bij het vuur, zoals ik had moeten doen, zou ik niet in slaap zijn gevallen en zouden zij niet weggelopen zijn; de wolven zouden dan niet naar onze hut zijn gekomen om hen te verslinden, maar uit vrees voor het vuur op een afstand zijn gebleven.

Ik had gewenst dat Vitalis mij beknorde; ik had hem bijna kunnen smeken, dat hij mij sloeg.

Maar hij zei niets; hij zag mij zelfs niet aan; hij bleef met het hoofd voorover bij de haard zitten. Zeker dacht hij aan hetgeen ons lot moest worden, wanneer wij geen honden meer hadden. Hoe zouden wij zonder hen voorstellingen kunnen geven? Hoe zouden wij aan de kost komen?

AodW14b.jpg