Aan het volk van Nederland

Uit Wikisource
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Aan het volk van Nederland (1781) door [Joan Derk van der Capellen tot den Pol]
Pamflet verspreid in de Republiek der Verenigde Nederlanden in de nacht van 25 op 26 september 1781. Naam auteur, plaats van uitgifte en naam uitgever onvermeld. Publiek domein.


[ 1 ]

AAN HET


V O L K


VAN


NEDERLAND.




[ 2 ]

VOLK VAN NEDERLAND!


WAARDE MEDEBURGERS!

Indien Gylieden my, den Schryver deezes, in myn perzoon, denkenswyze en particuliere omſtandigheden kende, zo zoude ik niet noodig hebben Ulieden te verzekeren, dat ik geen Fortuinzoeker ben; dat ik niet alleen nooit eenigerlei Ampten hebbe bekleed, maar dat ik die zelfs nooit bekleeden noch begeeren kan; dat ik derhalve volkoomen belangeloos en ovberzulks geloofwaardig ben, wanneer ik Ulieden betuige, gelyk ik voor den Alweetenden God doe, dat niets dan verontwaardiging over de goddelooze wyze, waarop Gylieden verkogt en verraaden wordt, gepaard met eene vuurige begeerte om, eer het voor altoos te laat is, nog eene poging tot Ulieder, tot onzer aller redding te doen, my dringen om my tot Ulieden te vervoegen.

Het is, myne waarde Medeburgers! niet ſedert giſteren of eergiſteren dat men Ulieden bedriegt en mishandeld: neen! Gylieden zyt, om niet van vroeger tyden te ſpreeken, nu ſedert byna twee eeuwen de ſpeelbal geweeſt van allerlei heerſchzugtige Lieden, die, onder de ſchyn van voor Ulieder belangen en vryheid te zorgen, niets, ja, zoo waar als’er een God is, aan wie ik wegens dit Schrift rekenſchap zal moeten geeven, volſtrekt niets anders beoogd hebben, dan een erflyk juk op Ulieder vrye halzen te drukken.

Vergun my derhalven, dat ik Ulieden uit de geſchiedeniſſen onzes Vaderlands, niet zo als die Ulieden door gehuurde Schryvers of onkundige, of met vooroordeelen bezette menſchen maar al te dikwerf worden voorgeſteld, maar zo als de zaken waarachtig gebeurd zyn, met weinig woorden, en in een eenvouwdigen en verſtaanbaren ſtyl moge voordraagen, hoe het’er eigelyk mede geleegen is, en wat men met Ulieden, met ons allen, met Neerlands Volk ſteeds heeft voorgehad. [ 3 ] Van de vroegſte tyden af zyn deze Landen bewoond geweeſt door dappere en vrye Volken. De Batavieren zyn de oudſten daar men narigten van heeft. Zy voelden de waardy der vryheid, en kenden het regte, het eenige middel, waardoor men dezelve kan bewaaren. Zy lieten zig daarom niet regeeren door Lieden die zig zelfs verkooren of door een ander, naar zyn goedvinden, verkooren wierden; die bygevolg van hun niet afhingen; die hun geene rekenſchap gaven, of daar zy als zy niet wel regeerden geen bedwang over hadden: neen! zy hielden het hegt zelfs in handen. De voornaamſte zaaken van hun Land deeden zy zelven af in hunne algemeene Vergaderingen, daar hetgeheele Volk gewapend by een kwam en elk Batavier even veel te zeggen had. Om hun in den Oorlog, daar zy baazen in waren, voor te gaan en te commandeeren, verkoozen zy den dapperſten, den wyſten, den deugdzaamſten uit het midden hunner Landgenooten: zy riepen daar toe geene vreemde Prinſen of Hertogen, die toch maar alleen om fortuin, dat is om den broode dienen, en doorgaans te magtig zyn om, wanneer zy misdoen, naar verdienſte geſtraft te kunnen worden. Voldeed hun het gekooren Opperhoofd, zoo lieten zy hem dien poſt houden; zoo niet, zo bedankten zy hem: en had hy zyn Vaderland verraaden, of door zyne Aanhangers en creatuuren van binnen of door vreemde hulp van buiten gezogt zyn Huis te vergrooten en zig Souverein te maaken, zo behoeve ik Ulieden niet te zeggen hoe die Batavieren met zulk eenen zouden geleefd hebben.

Behalven de Batavieren woonden er ook nog andere moedige Volken, onder welken de Frieſen zeer beroemd waren.

Omtrent het Jaar 277 na Chriſtus Geboorte vermeeſterden de Franken (een Volk uit Duitſchland herkomſtig, en dat zich naderhand neergezet heeft in dat groote en vrugtbaare Land, dat nog hedendaags naar hen Frankryk word genoemd) de Franken, zegge ik, vermeeſterden deeze en de nabuurige Landen, en lieten dezelven regeeren door ſoorten van Gouverneurs toen Hertogen en Graven genaamd.

De bediening van deeze Hertogen en Graven, die eerſt maar voor hun leven, mogelyk voor korter tyd, [ 4 ] waren aangeſteld, werd langzamerhand erflyk, gelyk dit doorgaans zoo gaat, als men eenige groote bediening lang in het zelfde huis van Vader op Zoon laat blyven; en, in plaats van langer maar ſimpel Gouverneurs te zyn, werden die Graven en Hertogen zelven de Heeren van deeze Landen, en trouwden zoo lang onder en met elkanderen, tot dat byna alle deeze Provincien door erfenis onder de Heerſchappy kwamen van Keizer Karel den vyfden, die Gelderland en Utrecht, dewelken Hy nog niet had, daar met geweld by nam, en zig dus Heer zag van alle de zeventien Nederlandſche Provincien, dewelken hy, verdriet in de regeering krygende, of om andere redenen, in den Jaare 1555 aan zyn Zoon Philips, daar na Koning van Spanje, afſtond en overdroeg.

Denkt evenwel niet, myne Landgenooten! dat die Graven, Hertogen en Heeren, hoe zeer hunne magt, gelyk dit doorgaans gebeurd, van tyd tot tyd ook ware toegenomen en grooter geworden, denkt niet, dat zy hier te Lande alles konden doen wat zy maar wilden; neen waarlyk! zy konden het minder na hunnen zin krygen dan onze Prinſen van Oranje, ſchoon die ſlegts den naam van Stadhouder voeren. Zy hadden zo wel luſt als alle Vorſten en Grooten, die’er ooit geweeſt zyn, die’er tegenwoordig zyn of die’er nog zullen komen, om de paalen van hun gezag uittezetten, om den baas te ſpeelen, om alles alleen te zeggen te hebben; met andere woorden; om zig Souverein te maaken; maar onze braave Voorvaders beletteden hen dit. Het Volk, dat is te zeggen de geheele Natie, de Ingezetenen des Lands, Burgers en Boeren, grooten en kleinen, meer en minvermogenden, die allen te zaamen en met elkanderen de Natie of het Volk uitmaaken, vergaderden wel niet meer als voorheen de Batavieren deeden, en nog hedendaags op ſommige plaatzen in Switſerland geſchied, om zelfs te regeeren; ep dit was ook niet dienſtig, om dat’er onder eene zoo groote Vergadering van allerlei menſchen altyd te veel verwarring is om over de zaaken van een Land met bedaardheid te kunnen raadplegen en een Volk ook geen tyd heeft om met verzuim van zyne affaires geduurig byeen te komen: maar overal had onze Natie zekere Lieden, [ 5 ] die voor haar oppaſten, dat de zaaken van het Land goed gingen; die zeggen moeſten hoe veel geld er ten dienſte van den Vorſt of het gemeene Land zoude opgebragt, en toezagen of dat geld wel beſteed wierde. In de Steden waren byna overal of Gilden, of Schutteryen, of gezwooren Gemeentens of andere braave Mannen, die een oog in het zeil hielden en op verſcheiden plaatzen zelfs de Regenten verkoozen. Op andere plaatzen hadden, zoo als nog in Drenthe, Groningerland en Frieſland gebruiklyk is, zelfs de Boeren mede wat te zeggen, en dit was ook zeer billyk, dewyl zy ook Ingezetene des Lands zyn en zo wel als de overigen hun geld tot dienſt van het Land opbrengen. De Ingezetenen waren altemaal gewapend en ſtrydbaarer dan wy tans zyn, en de Vorſten des Lands hadden eerſt in het geheel geene, en daarna maar zeer weinige Soldaaten in dienſt, daar zy het Land mede konden dwingen, gelyk onze Prinſen van Oranje kunnen, als als zy maar willen, en ook meer dan eens gedaan hebben. Zy hadden ook zoo veele aanzienlyke vette en tevens onnoodige Ampten niet te vergeven als onze Prinſen en konden dus zoo groot getal van hongerige, trotſche, kaale Edelen en andere veragtelyke Grooten zo gemaklyk niet aan zig verbinden, en in de hooge Vergaderingen, daar nogtans over het geluk of ongeluk van onze geheele Natie wordt gehandeld en beſlooten, zodanig laaten ſtemmen als het hun behaagd, en met hunne oogmerken, ſchoon nog zoo zeer tegens het heil en den voorſpoed van het Land aanloopende, overeenkomt.

Onze Landaart was altyd bedagt om by alle mogelyke gelegenheden allerlei voorregten te bedingen en de onderhouding daar van door de Vorſten, by hunne komſt tot de Regeering, te laaten bezweeren. Zy waakten by voorbeeld, ſteeds tegen de vreemdelingen, dat die door den Vorſt in het beſtier niet wierden ingedrongen. Zy waren ſteeds bezorgd, dat de Vorſt hun geene Schattingen of laſten oplei, dan waar toe zy of hunne Gecommitteerden hunne toeſtemming vrywillig hadden gegeeven. Zy lieten den Vorſt niet toe vrede of oorlog op zyn eigen gezag te maken, of overal, waar hy maar wilde, Garnizoenen te leggen, [ 6 ] dat is den meeſter te koomen ſpeelen: Ja zo diep een doorzigt had men toen in de gezonde Staatkunde, en zoo wel begreep men toen, welken invloed de Huwelyken met vreemde Huizen kunnen hebben, dat men in 1477 van de Gravin, Vrouw Maria van Bourgondien bedong, dat zy niet zoude trouwen dan met toeſtemming der Staaten van den Lande, die, dat Gylieden U ſteeds moet te binnen brengen toen ter tyd op de eene of de andere manier van het Volk, dat is van de Ingezetenen afhingen, ten minſte niet van den Vorſt, zoo als onze tegenwoordige Regenten van de Prinſen van Oranje onze Stadhouders doen.

Nu — de bovengenoemde Filips Koning van Spanje en onze Landsheer was een heerſchzugtig Vorſt, die, gelyk zyn Vader en verdere Voorzaaten hunne Onderdanen in Spanje en elders reeds van alle voorregten en vryheeden beroofd hadden, ook had voorgenomen in onze Nederlanden de ſlaverny in te voeren. Hy kon niet dulden, dat hy, die in zyne andere Erflanden reeds als een God regeerde hier niet alles naar zynen boozen zin kon krygen.

Het eerſte dat hy deed was krygsvolk op de been brengen, zoo als zyn Vader ook al had begonnen. Dit was nog niet genoeg. Hy zond, onder allerhande voorwendſels vreemd krygsvolk onder ons: daar kon hy nog beter ſtaat op maaken dan op inlandsch krygsvolk, ſchoon dit waaragtig reeds gevaarlyk genoeg voor de vryheid is.

Hy betrouwde het roer der Regeering aan vreemdelingen, die, zo als de braave Heeren van Amſterdam zeer wel zeggen, als geene genoegzaame kunde van onze Regeringsvorm hebbende, nog ons Land een goed hart toedraagende worden aangezien.

Om gelegenheid te hebben van zyn gezag uittebreiden en een der gewigtigſte regten des volks, daarin beſtaande, dat elk door zynen eigen wettigen Regter moet worden beoordeeld, den bodem in te ſlaan, maakte hy allerysſelykſte Placcaaten tegen allen die den Roomſchen Godsdienst verlieten, en voerde eene regtbank in de inquiſitie genaamd, die zonder aanzien van perſoonen, regten of voorregten, die Placcaaten met pynigen, moorden, hangen en branden moest ter uitvoer brengen.

[ 7 ] Gylieden moet weeten, myne Landgenooten! dat voor dien tyd in ons land, gelyk byna overal in Europa, geen andere godsdienst was dan de Roomſche. In Switſerland, Duitschland, Frankryk en elders hadden, eenigen tyd te vooren, een groot aantal van menſchen dien godsdienst beginnen te verlaaten. Dit zelfde begon hier onder de regeering van Keizer Karel en deezen Koning Filips ook te geſchieden; welke looze vos ras begreep, dat hem de gelegenheid nu gunstig ſtond om onder den dekmantel van een heiligen yver voor het oude geloof alle de voorregten der Natie den bodem inteſlaan. Maar onze Natie begreep zyn toeleg, en de Roomſchen zo wel als de Onroomſchen, die eerst maar een gering en magteloos kuddeken waren, doch allengs toeloop kregen, vereenigden zig allen als broeders om het algemeen gevaar af te keeren. Men beloofde zig over en weder in alle zyne regten, ook in de vrye oeffening van elkanders Godsdienst, te zullen beſchermen en men nam de wapenen op tegen den gemeenen Dwingeland en zynen aanhang.

Te deezer tyd bevonden zig, onder veele andere Edelen, drie groote en magtige Mannen in het Land, Prins Willem de eerſte van Oranje, een Duitſcher, doch die hier veele goederen en dus vry wat te verliezen had; de Graaf van Egmond en de Graaf van Hoorn, beide Nederlanders. Deeze drie Heeren waren wegens hunne poogingen om de vreemdelingen, inzonderheid den Kardinaal van Granvelle, die het oor des Konings en eenen onbepaalden invloed op deszelfs geest had, van het beſtier van zaaken verwyderd te krygen, allermeest by den Vorst gehaat.

Even gelyk de braave Heeren van Amſterdam in deeze bittere dagen onzen Oranje Vorst trouwhartig en welmeenend gewaarſchouwd hebben, dat het met ons Lieve Vaderland gedaan is, en Hy zelf wel eens het voorwerp van minagting en mistrouwen by de Natie zoude kunnen worden, zo Hy langer gehoor wil geeven aan den raad en inboezemingen van den Hertog, een vreemdeling, die met den haat van grooten en kleinen overlaaden is, en van elk wordt gehouden voor de oorzaak van alle onze tegenwoordige rampen; even op dezelfde wys ſchreeven deeze drie Heeren in [ 8 ] eenen brief aan Koning Filips „Dat zy lang geſwegen hebbende zonder ondienst van zyne Majeſteit, en zonder deeze Landen voor een onvermydbaar bederf bloot te ſtellen, niet langer verbergen konden het gene hun kwelde. Dat ’er een algemeen gevoelen heerschte onder de Landzaaten, dat de gantſche klem der Regeering in handen van den Kardinaal GRANVELLE was; welk gevoelen de Koning niet zoude konnen wegneemen, zo lang Hy den Kardinaal in in het bewind liet: dat al het volk misnoegd was over deezen Staatsman, ’t welk de oorzaak gereekend moest worden waarom ’s Konings zaaken hier niet voorſpoediger gingen: dat zy hierom de vryheid namen van zyne majeſteit voor te houden, hoe betamelyk het ware zynen voornaamſten Leenmannen en ’t ganſche Volk liever dan eenen enkelen Granvelle genoegen te geeven”. — Hierop antwoorde de Koning: „Dat hy zig verzekerd hield van den yver der Heeren tot zynen dienſt: dat hy voorhad eerlang zelf herwaards te koomen om den ſtaat der zaaken te onderzoeken, doch dat hy midlerwyl gaarne zou zien, dat een hunner naar Spanje kwame om hem van alles, byzonderlyker te onderrigten, alzo de brief, ſlechts algemeene beſchuldigingen inhield, en het ’s Konings gewoonte niet was, iemant zyner dienaaren, zonder behoorlyke kennisſe van ’t geene men ten zynen laſte had, te verſtooten”. De Heeren, zegt de Hiſtorieſchryver Wagenaar, uit wien ik dit ſtuk woordlyk overneeme, toonden zig op ’t ontvangen van deezen brief zeer misnoegd. Zy vonden het ten hoogſten vreemd, dat hun eene reis naar Spanje gevergd werd om eenen enkelen man te beſchuldigen, en beantwoordden ’s Konings ſchryven op deezen zin: „Roemende zyne Majeſteit, dat hy geenen zyner dienaaren zonder oorzaake verſtooten wilde, merkten zy aan, dat het geene zy tegen den Kardinaal inbragten, niet tot zyne bezwaaring ſtrekte, maar veel eer om hem te doen ontheffen van eenen laſt, die hem weinig voegde, en dien hy niet langer zou kunnen draagen zonder veel ongemak en beroerte te veroorzaaken. Dat zy zig in geene byzonderheeden, hem betreffende hadden ingelaaten, om dat de verwarring [ 9 ] en het misnoegen in den Staat genoeg konden doen zien van hoe weinig dienſt zyne tegenwoordigheid, agting en bewind hier te Lande zyn konden. Dat zy zig egter niet als zyne beſchuldigers voordoen, noch eenig pleit tegen hem aanvangen wilden; maar als trouwe Vasſallen (of Onderdanen) den Koning alleenlyk kennis geeven van het geene ’er omging, meenende zy dat hun aanziens genoeg overſchoot om hier in geloof te verdienen”.

De Koning wel verre van deeze Edelen dankbaar te zyn voor dit blyk van getrouwheid en yver voor zyne waaragtige belangen was woedend. Hy wilde zynen Raadsman, zynen Achitophel, die hem zo meeſterlyk diende in het onderbrengen van deeze Vrye Landen, niet miſſen. Hy zogt Hem tot ſpyt der Natie te handhaven, gelyk onze Prins nu ook den Hertog doet. Doch de party tegen Granvelle werd te ſterk. Menigte andere Edelen vielen bovengenoemde Heeren toe. Zy verbonden zig onderling. De Algemeene Staaten, niet, zo als tegenwoordig, door den geeſt van eenen Engelſchgezinden Stadhouder, maar door den geeſt der Vryheid gedreven, onderſteunden deeze patriotſche pogingen. Zy weigerden te vergaderen of eenig voorſtel aantehooren daar de gehaatte vreemdeling tegenwoordig zoude zyn. Eindelyk ’t liep zo hoog, dat den Kardinaal zyns leevens niet langer zeeker zynde, de Koning zig gedwongen zag hem van hier te doen vertrekken; doch inmiddels op wraak bedagt was. Vier jaar daarna zond Hy den Hertog van Alba met een leger Spaanſche Soldaaten. Egmond en Hoorne lieten zig naar Bruſſel lokken, daar Alba hun nevens eene meenigte andere patriotten den kop voor de voeten liet leggen. Willem de Eerſte was te ſlim. Hy hield zig buiten ſchoots, en ziende dat ’er geene vergiffenis of verzoening voor hem op was, maakte hy met Onze onderdrukte Natie eene gemeene zaak en heeft aan dezelve groote en gewigtige dienſten gedaan. Hy was een allerverſtandigſt, braaf, vriendelyk, goedhartig en goedaartig Prins, die een walg had van alle vervolging om den Godsdienſt, en graag zou gezien hebben dat men den Roomſchgezinden toen beeter woord had gehouden. [ 10 ] Denkt egter niet, myne Landgenooten, deeze Prins alle die groote dienſten aan ons Land, daar hy eigenlyk maar een vreemdeling was, enkel uit genereusheid of om niet deed. Neen voorwaar! In 1584 had hy het reeds zo ver gebragt, dat men hem Graaf van Holland had gemaakt, ’t welk hy en de zynen ook erflyk zouden geweeſt zyn, indien hy niet door eenen omgekogten Spanjaard verraderlyk ware vermoord geworden; want ’er mankeerde maar enkel de inhuldiging aan, die voornamelyk door het vryheidminnend Amſterdam werd tegengehouden, zeggende de Regeering dier Stad zo grooten ſtap niet te durven doen zonder alvorens hare Burgers of Schutteryen te raadplegen, dat Prins Willem zeer euvel nam, niet willende dat de Burgers of Gilden of Schutteryen langer over ’s Lands zaaken zouden worden geraadpleegd, het geene de Staaten van Holland, op zyn aandryven, in 1581 beſlooten hadden, dat in het vervolg zonder hunne permisſie, die ’t van agteren genoeg gebleeken is en nog blykt, dat zy nooit dagten te geven, niet meer zoude geſchieden.

Op zulk eene wyze begonnen de Grooten aan onze Voorvaders de Vryheid te ontneemen, reeds op dienzelfden tyd dat zy ter verdediging der Vryheid tegen den Koning van Spanje goed en bloed opzetteden! Dit deden de Staaten van Holland, die voor het overige braave Regenten waaren! dit deed een Prins, die het inderdaad wel met ons Land meende! wy kunnen hier uit leeren, dat de volken, willen zy hunne vryheid behouden, ſteeds waakſaam moeten zyn en op geen ſterveling, wie het ook is, een onbepaald vertrouwen moeten ſtellen. Integendeel; zy moeten elk die eenig gezag en magt in handen heeft, doch inzonderheid de Vorſten en Lieden van Hooge Geboorte, wel degelyk wantrouwen, en hen ſteeds in het oog houden, omdat de ondervinding van alle tyden, van het begin der wereld af tot onze dagen toe, geleerd heeft, dat zelfs de beſte menſchen doorgaans zwzk genoeg zyn om de hun aanbetrouwde magt te willen vergrooten. Het heerſchen is zoet! waakt dan Landgenooten, en Gylieden zult vry blyven! [ 11 ] Willem de eerſte dood en Prins Maurits zyn Zoon nog maar een jongeling zynde, die te Leiden op de Academie was, en nog geene de minſte ondervinding had, was het zeer gelukkig, dat de Voorzienigheid Vader Barneveld had verwekt. Deeze groote en goede Man, wiens bekwaamheden, wiens deugd, wiens trouwe en wiens rampzalig uiteinde de bewondering van alle eeuwen zal zyn, was de eenige hoop, de eenige ſteun van onze opkomende Republiek. De Engelſchen, dat trouwloos Volk, hadden toen reeds een toeleg om zig met liſt meeſter van ons te maaken. Zy hadden ons met dat oogmerk den Graaf van Leiceſter, een ſchynheiligen booswigt, die door eenen voorgewenden yver voor het Proteſtantendom de Vroomen en Predikanten in ons Land had weeten te begoochelen, met eenige hulptroupes toegezonden: Hy moeſt, gelyk ook geſchiedde, aan het hoofd onzer Regeering worden geſteld, onder den tytel van Gouverneur Generaal der Verëenigde Nederlanden; doch, eer hy nog hier was, had Vader Barneveld, wiens eerlyke en wyze raad doorgaans blindeling gevolgd wierd, den jongeling Maurits een groot gezag doen opdragen: hy overrreedde de Staaten om hem tot Stadhouder en Capitein Generaal van Holland en Zeeland te verkiezen. Dus viſchte Leiceſter agter het net, die ’er ook zoo verbolgen over was, dat hy ſedert een toeleg ſmeedde om Barneveld en Maurits beide gevanglyk naar Engeland te zenden. Maurits geleid door deezen braaven Man, die inderdaad en waarheid zyn tweede Vader was, gelyk ook de Prinſesſe, Weduwe yan Prins Willem den Iſten, hem tot het uiterfte toe, als zodanigen heeft geëerbiedigd, deed groote daaden. Hy werd de grootſte Generaal van zyn tyd, en bewees ons Land, als Krygsöverſte, veele dienſten. Gelukkig ware het voor ons geweeſt, indien Maurits zo veel deugd en vaderlandsgezindheid als heerſchlust hadde bezeeten. Maar in dit opzigt gelykende naar meest allen, die met eenig groot gezag, inzonderheid over een leger, bekleed zyn, en weetende hoe weinig het maar geſcheeld had of hy was gebooren Graaf van Holland, en dus waarſchynlyk Heer van de overige Vereenigde Nederlanden geweest, zo werd zyne begeerte [ 12 ] om zig Souverein te maken gaande. De ſchrandere Barneveld merkte het en ’t ſmertte hem. Eindelyk kwam de gelegenheid, die aan Maurits gunſtig ſcheen en ook was. De twist over de gevoelens van Gomarus en Arminius had onzen Burgerſtaat zo wel als onze Kerk verdeeld. Barneveld, een vyand van ſcheuringen, had de Staaten van Holland maatregelen aangeraden ſtrekkende om ſcheuring in Kerk- en Burgerſtaat voortekomen. Maurits daartegen, die in troubel water moest visſchen, zou hy wat vangen, zogt ſcheuring. Hy bereikte zyn oogmerk. Hy liet door allerlei vuile laſterſchriften, en door zyne zendelingen, den braaven Barneveld eerst zwart maken, en toen hy hem gehaat genoeg gemaakt had, liet hy hem vaſtzetten. De Staaten van Holland, wier dienaar de oude Man was, namen hem wel in hunne beſcherming; maar wat deed de Prins? Hy trok met zyne Gardes en Soldaaten in de Hollandſche en andere Steden om, en veranderde met geweld de Regeeringen van dezelven. Hier van was het natuurlyk gevolg, dat de oude en beſte Regenten afgezet, en niet dan afhangelingen van Maurits in de plaats geſteld zynde, de Staaten van Holland uit die Slaven van Maurits beſtaande, alzulke Reſolutien namen, als hy hun voorſchreef. Hy liet toen de Remonſtranten (wier gevoelen, indien hy eenige Religie heeft gehad, hy zelf, zonder het te weeten was toegedaan) uit de kerk, maar daar het hem eigenlyk alleen om te doen was geweest, om dat zy de yverigſte voorſtanders der vryheid waren, overal uit de Regeering zetten, en vierentwintig Regters aanſtellen, die, of ten minſten de meerderheid van welken, godvergeeten boos genoeg waren, om Maurits en hun eigen fortuin ten gevalle, den ouden zeventigjarigen Patriot ter belooning van zynen langdurigen en trouwen dienst, het eerwaardige gryze Hoofd te laten afſlaan, en anderen, waaronder de vermaarde de Groot, ter eeuwiger gevangenis te laten veroordeelen.

O myne waarde Landgenooten! hoedanig ook uwe godsdienſtige begrippen mogen zyn, gelooft toch nooit dat Barneveld een Landverrader was, of ooit iet gedaan heeft dat ſtraf verdiende! Hy, en hy alleen, is in Gods hand het werktuig geweest om het benauwde [ 13 ] Vaderland, na doode van Prins Willem de Iſte, door die allermoeilykſte Leiceſterſche tyden heen te redden. Wy hadden toen met de Spanjaarden van buiten en met de nog veel gedugter Engelſche Factie van binnen te ſtryden. Deze Factie had, even als nu, hare aanhangers overal verſpreid, in alle Proyintien, in alle Vergaderingen. Barneveld alleen moest het ſpits afbyten. Aan hem alleen is Maurits zyne verheffing en het huis van Oranje bygevolg al zyne grootheid verſchuldigd. Zy die Ulieden dit anders voorſtellen of voorpreeken zyn of huurlingen van het Huis van Oranje, dat altyd naar de Souvereiniteit heeft geſtaan, en de geenen die daar de hand niet toe hebben willem leenen, gehaat en vervolgd heeft; of het zyn domme weetnieten, die zig bemoeien met zaken, die zy niet kennen. Gelooft elk als hy van zaken ſpreekt, die tot zyn beroep betrekkelyk zyn. Gelooft de Geeſtlyken, wanneer zy Ulieden den Godsdienst leeren; dezen dienen zy te kennen; maar de Staatkunde is hun vreemd: gelooft derhalve den Staatsman; of nog liever, gelooft den eerlyken vergeeten burger, die de lotgevallen van zyn Vaderland, zonder vooröordeelen, en zonder andere inzigten dan enkel om zyne kundigheden te vermeerderen, en Ulieden van nut te zyn, in ’t ſtille hoekje van zynen haart beſtudeert heeft: gelooft dezulken, wanneer zy Ulieden zeggen hoe het ’er heeft toegegaan.

Maurits leefde niet lang na het pleegen dezer gruwelen, en bereikte ’er zyn oogmerk ook niet geheel mede. Vol wanhoop, angst en wroeging gaf hy in 1625 den geest. Hy was een man van allerflegſte zeden: Een wreedäart, een valſch menſch en een overmaatig geile boef, die gewoon was elke ſchoone vrouw, evenveel of zy maagd, getrouwd, of weduwe waren, te bejagen en tot zyne booze luſten te lokken, en op die wyze verſcheide onechte kinderen naliet. Volgens de verzekering van zyne vleiërs, is dees vroome Vorst regtſtreeks ter eeuwige heerlykheid ingegaan.

Zyn Broeder Fredrik Henrik volgde hem niet alleen op in het zelfde gezag, maar wist ook nog by de Stadhouderſchappen, die hy reeds bezat, door list en kuiperyen zyn neef Willem Fredrik het Stadhouderſchap van Groninge en Drenthe afhandig te maken, en dien [ 14 ] Vorst zo lang te plaagen en te mishandelen, dat hy hem, uit verdriet, alle regt afſtond op het Erfſtadhouderſchap van Friesland. Hierna bewerkte hy in ’t jaar 1640 een huwelyk tusſchen zyn Zoon Willem den IIden en Maria, Dochter van Karel den Iſten, Koning van Engeland. Niets anders dan eene begeerte om zyn Huis te vergrooten en zig door de verbintenis met het Koninglyk Huis van Engeland te ſterken, ſchuilde agter deezen toeleg. De Koningin, Moeder van Frankryk, had ’er de eerſte opening in Engeland van gedaan, daar men eerst begreep dat het beneden de waardigheid zoude zyn van eene Konings dochter, die drie Ryken konde beërven, zig te verbinden met een klein Prinsje, dat ſlegts in dienst was van eene Republiek, dewelke by veelen alnog den naam van Rebellen droeg. Maar men deed vorst Karel begrypen, dat de naam niets tot de zaak doet, en dat de Stadhouder indedaad de Sourerein van de Republiek was, ſchoon hy ’er den naam niet van voerde.

Let wel myne Landgenooten, dat, ſchoon de Stadhouders, zo als uit hunne Inſtructien blykt, toen ter tyd onvergelykelyk minder te zeggen hadden, dan onze Prinſen ſedert het jaar van 1672, men hen evenwel buitenſlands toen reeds als Souvereinen aanmerkte.

Vorst Karel dan gaf zyne Dpchter aan Willem den IIden, en deze heillooze echt is de naaſte oorzaak geworden van alle de rampen, die ons Vaderland hebben getroffen. Doch hier van ſtraks nader.

Willem de IIde volgde zynen Vader op in den jare 1647, en wel na dat de vrede met den Koning van Spanje, onzen ouden Landheer, reeds zo goed als geſlooten was.

Wat deze Stadhouder, ſchoon pas drieëntwintig jaren oud zynde, heeft durven ondernemen, kunt gylieden uit de volgende ſtukjes opmaken.

Prins Maurits had de ſtad Nymegen in den jare 1591 bemagtigd en van het ſpaanſche juk verlost. De Gilden plagten daar van ouds, zelfs ten tyde der Hertogen van Gelder en Koningen van Spanje, de Regeering te verkiezen. Wat deed Maurits na het innemen der ſtad? Liet hy aan de Gilden en Burgery hunne oude Regten houden? Neen! Hy behield de jaarlykſe aanſtelling [ 15 ] der regeering, kwanswys ſlechts geduurende den Oorlog aan zig; doch hy had geen de minſte intentie om die eens verkregen magt ooit weer afteſtaan. Den oorlog tegen Spanje in 1648 geëindigt zynde, zond de Regeering en Burgery van Nymegen eene plegtige Deputatie aan Vorst Willem; bedankten hem voor de moeite, die hy tot dus verre genomen had om de Regeering jaarlyks te veranderen, en verklaarden, dat zy voortaan dit werk zelf op zig nemen en volgens de oude Privilegien uitvoeren zouden. Maar wat deed onze jonge Prins? Hy verſterkte het Garniſoen, en kwam daarenboven vergezeld door nog eene meenigte ander krygsvolk in de ſtad, en ſtelde daar in january 1649, tegen wil en dank der Burgery, die dit moest lyden, ſchoon ze op de tanden beet van ſpyt, een Regeering aan, die enkel uit zyne afhangelingen beſtond.

Op zulke en dergelyke wyzen, Landgenooten, zyn onze Prinſen van Oranje, even gelyk alle andere Koningen en Vorſten van Europa, aan hunne groote magt gekomen, en ik moest een geheel boek maken als ik Ulieden alle de geweldenaryen van die Erfonderdrukkers der Bataafſche vryheid wilde beſchryven. Let intusſchen wederom hoe gevaarlyk het is de Militairen by zig in Garniſoen te hebben. Gaf God dat het krygsvolk, daar de Provintie van Holland tans mede opgepropt is, duizend uren hier van daan was! het is daar vast met geen goed oogmerk gelegd. Onze Willem de Vde wil’er de misnoegde Landzaaten, Burgers en Boeren mede dwingen, en vlamt maar om toch eens ook Garniſoen in Amſterdam te krygen. Alsdan hadden Hy en de Zynen het gewonnen, en zouden geenen tegenſtand van die Patriotſche Stad meer te vreezen hebben. Laat die van Rotterdam ook maar op hunne hoede zyn en alle Garniſoen buiten hunne muuren houden. Doch ik ga voort.

De Stadhouders hebben altyd graag veel Troupes onder hun commando, en zyn’er daarom altyd zeer op geſteld geweeſt dat’er Oorlog te Lande zy. Dit is de reede dat Maurits zoo vuilaartig boos was tegen Vader Barneveld, om dat die had weten te bewerken, dat’er met de Spanjaarden een Stilſtand van Wapenen voor twaalf Jaaren wieid geſlooten. Om diezelfde [ 16 ] reden en niet uit liefde voor zyn Vaderland of uit eerbied voor de Tractaaten met Frankryk aangegaan, om den Oorlog tegen Spanje, die ons alle voldoening aanbood, doortezetten, zogt Fredrik Hendrik de Vredesonderhandelingen te Munſter te ſtremmen, tot dat de Spanjaarden hem formeel omkogten om’er eindelyk zyne toeſtemming toe te geeven. Om diezelfde reden zogt ook Willem de tweede de Vrede, waar over men het reeds eens was, trouwlooslyk te verbreeken. De Staaten van Holland, aan wier hoofd Amſterdam wederom was, waren de eenigen, die moeds genoeg hadden om zig tegens deezen ſtouten en ondernemenden Stadhouder te verzetten. Zy wilden eenige Troupes afdanken, die nu men Vrede had, nergens anders toe konden dienen, dan om de goede Ingezetenen met derzelver onderhoud te bezwaaren en den Prins in ſtaat te ſtellen om het geheele Land en allen, die niet naar zyne pypen wilden danſen, te dwingen. De Staaten van Holland, aan het geval van Nymegen en de geweldige onderneemingen van Maurits, gezien hebbende, hoe ſtout de Oranje Vorſten de Troupes van den Staat tot vergrooting van hunne magt durfden gebruiken, wilden meer Troupes afdanken, en daar onder meeſt Vreemden. De Prins daar tegen wilde’er minder afdanken, en wel meeſt Inlandſchen, om dat hy meer op de Vreemden kon vertrouwen. De twist daar over ging zoo ver, dat de Prins op den 30. July 1650. in alle mogelyke ſtilte, op zyne eigene autoriteit een Leger van onze eigene Troupes zond om Amſterdam onverwagt te overvallen, met oogmerk om daar de Regeering naar zynen zin te veranderen en ’er, even als in de meeſte andere plaatzen, Garniſoen te leggen, wel weetende, dat als deeze magtige Stad eens t’ondergebragt was, alle de overige Steden en Leden, die het met haar hielden, dan wel ras zouden moeten volgen. Maar de goede Voorzienigheid waakte voor het behoud der Stad en deed dien ſnooden toeleg mislukken. Jammer is het dat de Amſterdammers het geheele Leger tot een afſchrik voor andere Willems, die denzelfden weg bewandelen niet hebben laaten verdrinken. Amſterdam is altyd te toegeevend geweest.

[ 17 ] Omtrent dezelfde tyd, dat Amſterdam met de wapenen van den Staat aangevallen wierd, had Willem de IIde, insgelyks op eigener autoriteit, eenige Heeren, die toen, wegens hunne ſteden, de Statenvergaderinge van Holland bywoonden, en zig het ſtoutst tegen hem hadden durven verzetten, in hechtenis genomen en naar Louveſtein gezonden, en ziet zo verregaande was de laagheid en vleizugt onder onze Grooten reeds doorgedrongen, dat de meeſte Provintien hem over dit ſchenden van eed, plicht en trouw, als over een Romeinſch ſtuk preezen en bedankten!

Het zyn de Grooten, O medeburgers, daar Gylieden U voor wagten moet. De Prins heeft ze meest allen aan zyn ſnoer. Voor ampten en commisſien, voor eene maaltyd eeten aan het Hof doen zy alles. Eed en plicht en het welzyn van het Vaderland gaat hun doorgaans weinig ter harte. De ſchade, die zy, zo wel als anderen, door het verval van den Koophandel en welvaart komen te lyden, wordt hun, denkenze, rykelyk vergoed door de gunst van onzen Heer den Prins, die het altyd in zyne magt heeft om de keuken van hun en de hunnen aan het rooken te houden, gelyk Hy ook trouw doet. Bovendien hebben de meeſte Grooten en andere voorname Heeren veel van hun geld aan Engeland geſchooten en daarom willen zy Engeland niet op ’t lyf, maar houden het met den Prins: zy zyn bang, dat Engelaud te klein zal worden en dan zal ophouden te betalen. Ja zo vast zyn veelen aan Engeland meer dan aan hun eigen Vaderland verkleefd, dat zy dit Ryk, onzen openlyken vyand, nu nog met geld onderſteunen! Dit is verraad en behoorde onderzogt en geſtraft te worden. Het is niet te vergeefsch, dat men de Engelſche Paketboot op Helvoetſluis nog laat doorvaren even als of’er geen oorlog was. Maar ’t is ook zo; de Prins heeft geen oorlog met de Engelſchen: Zy zyn zyne getrouwſte vrienden; doch hier van beneden breeder. Intusſchen moeten wy ons met dankbaarheid verwonderen over het edelmoedig gedrag van de Heeren van Amſterdam, Haarlem, Dordrecht en die het met hen houden, dat zy, ſchoon even zo zeer als andere vermogende Lieden onzes Lands, veel van het hunne in Engeland hebbende, dit volk nogtans [ 18 ] nooit ontzien hebben, maar altyd cordaat gewild en in de hooge vergaderingen aangedrongen hebben, dat men zig tegen de geweldenaryen ons aangedaan, met geweld moest verzetten en alle volgens de Tractaten geoorloofde takken van Koophandel, ’er kwame van wat het wilde, met de magt van den Staat beſchermen, zonder zig door de Engelſchen daarin geduurig de wet te laten voorſchryven.

Willem de IIde overleefde zyne ſchande niet lang. Het behaagde de Voorzienigheid ons van deezen ondernemenden dwingeland te verlosſen. De kinderpokjes ſleepten hem weg, den zesden November 1650, in den ouderdom van vierentwintig jaren, en hy liet eene zwangere Weduwe na, die onze Republiek eenen anderen Willem ſchonk, wiens naam allen, die de zaken van ons land van naby kennen, ſteeds bitter moet zyn.

Het huwelyk van Willem den IIde met eene Engelſche Prinſes, was intusſchen van de allerrampzaligſte gevolgen voor het Vaderland. Karel de Iſte niet kunnende verduwen, dat hy in zyn ryk niet even zo Souverein was als de andere Koningen van Europa, had een ontwerp geſmeed om de Engelſche natie van hare vryheid te beroven en onder eene willekeurige heerſchappy te brengen. Maar die toeleg mislukte. De natie nam de wapenen op, met dat gelukkig gevolg, dat de Koning zelf t’ondergebragt en gevangen wierd. Maar toen de Engelſchen op het punt ſtonden van de vrugten van zo veel bloeds, als zy voor de vryheid geſtort hadden, te genieten, werden zy op hunne beurt ondergebragt door Cromwell, die het commando over het leger der natie had, en met dat leger de natie zelve tot zyne ſlaven maakte. Wagt U daarom, myne waarde Landgenooten, voor alle de geenen die de troupes commanderen: want het is eene bekende zaak, dat zy byna altyd en overal den baas geſpeeld hebben over hunne eigen Landslieden en Medeburgeren. ’Er is geen vryheid in Europa meer geweest, van dien tyd af aan, dat de Vorsten begonnen hebben vaste troupes in dienst te houden. Voor deezen, toen men nog geene Soldaten had, trokken de Leenmannen, de Burgers en de Boeren ten oorlog; doch de liſtige Vorſten, wretende dat zulk ſoort van gewapende krygslieden de [ 19 ] hand niet zouden leenen om hun eigen Land onder het juk te brengen, vonden ’er op uit, dat zy de Ingezetenen moeſten voorſtellen, om liever geld optebrengen, dan in perſoon, met verzuim van hunne zaken en gevaar van hun leven, ten oorlog te trekken: Voor dat geld zou men dan Soldaten in hunne plaats huuren. De eenvoudige Ingezetenen waren wonder op hun ſchik met deze uitvinding, maar bedagten weinig wat ’er de natuurlyke gevolgen van zouden zyn. De Vorſten, zodra zy eene ſteeds op de been zynde, van hun alleen afhangende, en van het overige gedeelte der natie geheel afgeſcheiden zynde, Landmagt in handen hadden, konden van dat oogenblik af aan doen wat zy wilden. Geen Stad of Land, kon zyne voorregten meer tegen hen verdedigen: Ook leeren ons de geſchiedenisſen, dat alle die volken, rondom ons heen, die nu onder eene willekeurige eenhoofdige Regeering zitten te zugten; — dat zelfs de Spanjaarden, de Franſchen, geheel Duitſchland, nog zo heel lang niet eens geleden, vrye Lieden waren, en alleen, door middel der Troupes, zyn in ſlaverny geraakt, zonder tot deze uur toe in ſtaat geweest te zyn om hunne vryheden en voorregten, ſchoon nog zo fraai op oude parkementen, met Zegels ’er aan, beſchreven zynde, te kunnen verdedigen. Spiegelt U aan die van Nymegen en anderen, en zyt meer en meer op uwe hoede, want, nog eens, Hy die de Armee in handen heeft, kan doen wat hy wil. Hy kan het beſte gedeelte van onzen Koophandel, Hy kan onze Oorlogſchepen, Hy kan onze Colonien leveren in handen van onze Vyanden; ja hy kan zig zelfs Souverein maken! het ongewapend weerloos volk kan daar niets tegen doen, maar moet dat geduldig lyden. Een volk derhalven, dat verſtandig en voorzigtig wil handelen, moet altyd zorge dragen om zelf de ſterkſten in het Land te blyven. Hedendaags moet men Soldaten in dienst hebben, omdat alle andere Mogendheden die hebben, en de Burgers en Boeren geen tyd hebben om ver en lang van huis gezonden te worden; maar om hunne eigene ſteeden en naburige ſtreeken te verdedigen, en voornamelyk om door het Opperhoofd van hunne eigene Troupes, om door hun eigen Kaptein Generaal niet onderdrukt te worden, moeten [ 20 ] onze Burgers en Boeren elk een goeden Snaphaan met een bajonet en een zydgeweer hebben, en daar­mede leeren omgaan. Zy moeten zig in Regementen en Compagnien verdeelen en Officiers kiezen om hen te commandeeren: die Officiers moeten zy zelven kiezen, en kunnen dan, vooral des Zondags na kerktyd, nu en dan eens Exërceeren. Zo doen de Zwitſers en zo doen de Amerikanen; en, Landgenooten, het geene ik Ulieden hier voorſtelle, is zo vreemd niet als ſommigen zig mogelyk zullen verbeelden: het is geene nieuwigheid; neen voorwaar! ziet maar eens wat het agtſte Artykel van de Unie van Utrecht zegt, een Artykel, zo wel als de geheele Unie, door elk Regent van ons Land, ook door onze Oranje Vorſten, bezworen, doch met voordagt, omdat zy de Natie niet gewapend wilden hebben, nooit ter uitvoer gebragt: Dit zyn de eigen woorden:

„En ten einde men ten allen tyden zal mogen geasſiſteerd wezen van de Inwoonders van den Landen, zullen de Ingezetenen van elke van deeze Geunieerde Provincien, Steden en platte Landen binnen den tyd van een maand na date van deezen, ten langſten, gemonſterd en opgeſchreven worden, te weten, die geene, die zyn tuſſchen agtien en de zeſtig Jaren om de hoofden ende het getal van die geweeten zynde, daarna ter eerſter ſamenkomſte van deeze Bondgenooten vorder geordonneerd te worden als tot de meeſte beſcherminge ende verzeekerdheid van deze Geunieerde Landen zal bevonden worden te dienen.”

Hoe gelukkig, ô myne waarde Medeburgers, zoude het voor ons Vaderland geweeſt zyn, indien deeze zo heilzaame Grondwet, van den tyd dat zy vaſtgeſteld is geworden, te weeten van den Jaare 1579 tot onze dagen toe, ernſtig ware gehandhaaft geweest! Hoe veele dingen zouden er niet gebeurd zyn, die Gylieden nu niet hebt kunnen beletten! en indien het nog geſchiede, indien Gylieden dit artykel, gelyk er op elk onzer de verpligting toe legt, in deeze benauwde tyden nog, hoe eer hoe beeter, werkſtellig maakte. — ô Hoe gaauw zouden de Verraders ontdekt, de eerlyke Regenten bekend en het zinkend Vaderland gered zyn! [ 21 ] Hoe gaauw zouden wy eene Vloot in Zee en eene Alliantie met Frankryk en Amerika hebben, en ons wreeken op onze Vyanden! Hoe gaauw zouden wy onzen zieltogenden Koophandel doen herleeven , en alle die duizenden van nyvere Ingezetenen, de welken door deezen godlooslyk berokkenden en overlegden Oorlog hunne broodwinning miſſen en met vrouwen en kinderen bitter gebrek lyden, wederom, als voor eenige maanden, toen ’er wat te verdienen was, aan de koſt helpen!

ô Landgenooten! nog eens, wapend U allen te zamen, en draagt zorg voor des gemeenen Lands, dat is voor Ulieder eigen zaaken. Het Land hoord Ulieden met malkanderen toe en niet den Prins met zyne Grooten alleen, die Ulieden, die ons allen, die Neerlands geheele Volk, de Afſtammelingen der Vrye Batavieren aanzien en behandelen als hunnen erflyken eigendom, als hunne Oſſen en Schaapen, dewelken zy naar hun goeddunken of ſcheeren of ſlagten kunnen en mogen. Het Volk, dat in een Land woond, de Inge­zetenen, de Burgers en Boeren, minvermogenden en ryken, grooten en kleinen, deeze allen byeengenomen zyn de waare Eigenaars, de Heeren en Meeſters van het Land, en kunnen zeggen hoe zy het hebben willen; hoe en door wie zy willen geregeerd weezen. Een Volk is eene groote Maatſchappy, eene Compagnieſchap en niets anders. De Regenten, de Over­heden, de Magiſtraaten, de Prins, wie het ook is, die eenigen poſt in die Maatſchappy bekleed, zyn maar enkel de Directeurs, de Bewindhebbers, de Rentmeeſters van die Compagnieſchap of Maatſchappy, en, in deeze qualiteit, minder dan de Leden van dezelve, dat is de geheele Natie of het Volk te ſamengenomen. By voorbeeld. De Ooſtindieſche Compagnie is eene groote Maatſchappy of Compagnieſchap van Kooplie­den, die zig vereenigd en ſamengevoegd hebben, om koophandel op Ooſtindie te dryven. Hun getal is veel te groot en zy woonen te ver van malkanderen om geduurig, als het noodig is, byeen te kunnen koomen, of om de zaaken van hunne Compagnieſchap zelven in eigener perſoonen te kunnen beſtieren; ook worden daar kundigheden toe vereiſcht, die alle participanten [ 22 ] juiſt niet hebben. Om die reden doen de participan­ten zeer wyslyk, dat zy Directeurs of Bewindhebbers of Rentmeeſters aanſtellen, die zy voor hunne moeite betaalen, en aan dewelken zy even zo veel magt geeven, dog niet meer, als noodig is, om dat gene te kunnen verrigten, waar toe zy geroepen, gehuurd en aangeſteld zyn. Die Bewindhebbers hebben natuurlykerwyze over de zaaken van de Compagnie wel meer te zeggen dan deeze of geene participant afzonderlyk; ook meer dan zelfs een groote hoop participanten, die de meerderheid niet uitmaken; maar als alle de partici­panten te ſamen , of wel eene ontwyfelbare meerderheid van dezelven eenige verandering in het beſtier van de Compagnies, dat is hunne eigene zaken willen gemaakt hebben, dan is het de plicht van de directeurs of be­windhebbers, die in deze betrekking de dienaren der participanten zyn, te gehoorzamen en te doen het gee­ne de participanten begeeren, want niet Zy bewind­hebbers, maar de participanten, de regte eigenaars, Heeren en Meeſters van de Compagnie of Maatſchappy zyn. Even zo is het met de groote Volksmaatſchappy geſteld. De Grooten, die Ulieden regeeren, de Prins, of wie verder eenige magt in den Lande oeffenen, doen dit alleen uit Ulieder naam. Al hun gezag is van Ulie­den ontleend. Gylieden zyt de participanten, de eigenaars, de heeren en meeſters der Volksmaatſchappy, die zig in deze Landſtreek, onder den naam van Vereenigde Nederlanden, heeft neergezet: Zy de Grooten, de Regenten, daarentegen, zyn ſlechts de bewindhebbers, de dircteurs, de rentmeeſters van dezelve. Gylieden betaald hen uit Ulieder eigen, dat is ’s volks beurs; zy zyn dus in Ulieder dienst; zy zyn Ulieder dienaren en aan het meerdergetal van Ulieden onder­worpen, en rekenſchap en gehoorzaamheid ſchuldig. Nog eens. Alle menſchen zyn vry geboren. De een heeft van nature over den anderen niets te zeggen. De eene menſch is wel wat verſtandiger van geest of wat ſterker van lighaam of wat ryker dan de andere; doch dit geeft hun, die verſtandiger, ſterker of ryker zyn, geen het minſte regt om over de minderverſtandigen, minder ſterken, minder ryken te heerſchen. God, onze gemeene vader, heeft de menſchen geſchapen [ 23 ] om gelukkig te worden, en aan alle menſchen, niemand uitgezonderd, de verpligting opgelegd, om elkanderen, zo veel in hun vermogen is, gelukkig te maken. Om dit goede oogmerk van den Schepper te bereiken, dat is om hun geluk te bevorderen, hebben de menſchen gevonden niet beter te kunnen doen, dan zig in groote getallen, ſomtyds van eenige millioenen, byeen te voegen en groote maatſchappyen opterigten, waarvan de leden (daar gylieden altyd wel op letten moet) van nature allen egaal en aan elkanderen gelyk zy, en de een niet is onderworpen aan den anderen; in welke maatſchappyen, doorgaans Burgermaatſchappyen, volken, of natien genaamd, de leden of participanten zig verbinden, om elkanders geluk, zo veel mogelyk, te bevorderen, en zig onderling met vereenigde kragten te beſchermen en te handhaven in het ongeſtoorde genot van allen eigendom, bezittingen en alle zo aangeborene als wel en wettig verkregene reg­ten. Gylieden begrypt dus, dat wanneer eenige Leden der Burgermaatſchappy op eene geweldige wyze in hunne regten en bezittingen aangevallen ende verkort worden; gelyk, by voorbeeld, onze kooplieden en weerlooze zeelieden, zo veele jaren van de Engelſchen hebben moeten ondervinden, de geheele Burgermaatſchappy alsdan onder de verpligting legt om dit geweld tegen te gaan, en alle hare kragten te vereenigen om’er zig tegen te verzetten, en aan hare medeleden en medeparticipanten volkomen vergoeding van ſchade en zekerheid voor het toekomende te bezorgen. Gylieden ziet dus hoe trouwloos onze Admiraal Generaal en zy­ne Afhangelingen, met zo veele duizende der nuttigſte Leden van onze Burgermaatſchappy, hebben gehandeld door Convooy en beſcherming te weigeren aan de ſchepen met hout en ſcheepsmaterialen beladen, die naar Frankryk moeſten, en volgens de Tractaten mogten!

Dit zyn de regten des volks! dit zyn ulieder regten, o Menſchen! o Nederlanders! Die het ulieden anders leeren, al was het van den Predikſtoel, zyn ulieder vyanden, en door den Prins en zyne Grooten omgekogt, of zy verſtaan het ſtuk niet. Gelooft ze dus niet, maar overdenkt het geene ik ulieden hier zo een­voudig en klaar geleerd hebbe, en gylieden zult by U [ 24 ] zelven voelen, ja gylieden zult voelen dat het zo is en niet anders kan zyn, hoe zeer zy ulieden mogten kun­nen voorbypraten, of deze eeuwige waarheden als gevaarlyke ketteryen uitkryten. Nog eens; gelooft ze niet; zy bedriegen ulieden. Wilt gylieden over dit gewigtig onderwerp wat meer weten, lees dan de ſchriften door den Baron vander Capellen tot den Pol van tyd tot tyd uitgegeven, voornamelyk de beide ſtukjes van den Eerwaarden PRICE over den aart der Burgelyke Vryheid en des voornoemden Barons Vertoog, over de vryheid der Overysſelſche Boeren, alles by Herding te Leiden gedrukt.

Cromwel dan het hecht in handen gekregen heb­bende, regeerde veel ſouvereiner dan de vorige Koningen, doch om het volk zand in de oogen te werpen, onthield hy zig, kwanswys, van den naam van Ko­ning. Zo bedriegen zy, die naar de ſouvereiniteit ſtaan, de goede gemeente! zo wordt onze Prins ook maar Stadhouder genaamt, hoewel hy waaragtig onze ſouvereine Heer is!

Cromwel liet den Koning, die zeker de dood dubbel verdient had, doch welk vonnis niet hy, maar de geheele natie of hare gecommitteerden hadden behooren uitteſpreken en ter uitvoer brengen, openlyk onthalzen, en Engeland kreeg den naam van eene Repu­bliek, onder het opperbeſtier van een Parlement. Dit Parlement had reeds zeven jaren een Agent in ons Land gehad en zou zig met niemand liever dan met ons hebben verbonden. Alle Vorſten van Europa zogten de vriendſchap van die nieuwe en magtige Republiek, uit vreeze van haar te zullen verbitteren; maar wy, die het meest van allen van haar te vreezen hadden, verſmadeden, even als wy nu wederom met de Amerikanen handelen, pp het aandryven der Oranje Factie, de aangebodene vriendſchap. De Engelſche Ambasſade, die, gedurende het leven van den Prins, nooit audientie by de Staten Generaal had kunnen verwer­ven, het welk reeds geene kleine verbittering had veroorzaakt, werd daarna by hare publieke Intrede, openlyk mishandeld, door jongens en ander ſlegt volk, dat door een Pagie of Adelyke leverybediende van de Prinſesſe weduwe was omgekogt; en Cromwel ziende hoe [ 25 ] veel invloeds de Oranje Factie hier te Lande had, en door ondervinding wetende, hoe geneigt zy was om dien invloed tot de herſtelling van het Koninglyk Huis en zynen ondergang te gebruiken, en daarenboven eenen buitenlandſchen oorlog nodig hebbende om de Engelſche natie werk te geven, en zyn gezag door vlooten en legers, die van hem alleen afhingen, over haar te veſtigen, beſloot ons eenen oorlog aan te doen, die, wegens deszelfs ongelukkige gevolgen, de grond van onzen ondergang is geweest.

De Oranje Factie hier te Lande was, even gelyk zy wederom ontaart genoeg is om zig over onze tegenwoor­dige rampen te verblyden, over dezen oorlog niet weinig verheugd. Zy had dien oorlog zo veel zy maar kon aangeblaazen, en deed vervolgens haar best om hem ongelukkig te doen uitvallen, ten einde daar door eene gelegenheid te hebben om de overige Regenten, die niet van hare party waren, te kunnen bekladden, en de rampen, die zy zelve den Vaderlande berokkend had, op hunne rekening te ſtellen. Deze oorlog duur­de ongeveer twee jaren, en eindigde met eene ſpoedige en ſchandelyke vrede, durvende de Staatſche party van wegens het onophoudelyk woelen der Oranje Factie om verandering in de Regeering, ter gelegenheid en door middel van dezen oorlog te bewerken, denzelven niet langer doorzetten.

Met het overlyden van Willem den IIde, had onze Regeering eene gedaante gekregen, die zy te vooren nimmer gehad had. De Staaten der meeſte Provintien hadden zelfs het roer in handen genomen; doch het was de Raadpenſionaris De Wit, dien men kan zeggen, dat in dit tydperk, namelyk van het begin des jaars 1653 tot 1672, de meeſte directie gehad heeft. Door zyn verſtand, deugd en ongekreukte eerlykheid, had hy, even als Vader Barneveld, het vertrouwen der Staaten van Holland, wier dienaar hy ook maar was, zodanig gewonnen, dat zy niets zonder, en byna alles naar zynen wyzen raad en advys deden. Hy had een Broeder, die Burgemeeſter van Dordrecht en Ruwaard van Putten was, en hem in verſcheide opzigten evennaarde.

Onder het beſtier van deeze braave Mannen floreerde de koophandel meer dan ooit, en het ging derhalven [ 26 ] de geheele Natie wel, grooten en kleinen, Landprovincien zoo wel als de Zeeprovincien. De vreemde Mogendheeden, wie zy ook waren, moeſten zig toen wel wagten van onze vlag te onteeren! nooit heeft onze Republiek meer eer en aanzien door de geheele wereld gehad dan toen. De Koning van Denemarken (om ſlegts een ſtaal by te brengen) was op het punt om door den Koning van Zweden uit zyn Ryk gejaagd te worden. Het belang van den koophandel, dat deeze braave Patriotten meer ter harte ging, dan het onzen Prins of zyne Voorzaaten ooit gedaan heeft, die altyd nydig zyn geweeſt over de grootheid, magt en onafhanglykheid welken de koophandel vooral aan Amſterdam geeft, en waar door zy tot nu toe belet zyn geworden die groote Stad naar hunnen zin te buigen of daar Garniſoen in te krygen, het belang, herzeg ik, van den koophandel vorderde dit onderbrengen van den Koning van Denemarken niet toetelaaten. In een oogenblik was ’er eene Vloot en Troupes ge­reed, die naar het Noorden zeilden en den byna verdreven Koning in zyn Ryk herſtelden.

Terwyl de een dier beide Broederen in de Vergadering voor het welzyn des Vaderlands yverde, ging de ander als Gecommitteerde op de Vloot en woonde daar Zeeſlaagen by die dagen agter een duurden. Dit was regt mannen werk! Maar wat kunnen nu onze Grooten? Voor den Prins, hunnen Afgod, kruipen om’er een Ampt of Commisſie af te ſleepen!

Dog, waarde Landgenooten! hoe eerlyk en wel het Land toen ter tyd ook geregeerd wierd; hoe zeer ook alles floreerde, de Gemeente, het gros der Natie was nogtans misnoegd. En wat zal ik zeggen? Zy had ’er reden toe. Want in plaats dat men by het overlyden van den laatſten Stadhouder het Volk in zyne geſchonden regten zoude herſteld, en het zelve zyn behoorlyk aandeel in het beſtier der gemeene zaak, ten minſte eenigen teugel over zyne eigen Regeerders zoude gegeeven hebben; in plaats dat men het Volk of zelfs of door zyne Gecommitteerden zyne eigen Re­geerders zoude hebben laaten verkiezen; in plaats dat men het zelve geene laſten of ſchattingen zoude hebben opgelegd, dan in welken het op eene of andere wyze [ 27 ] had toegeſtemd; in plaats van het Volk te doen zien en voelen, dat zy door de dood van den Stadhouder inderdaad eerſt vry waren geworden, zoo trokken de Heeren byna overal alle magt aan zig. Zy verkooren malkanderen tot de Regeering, die daar door zoo goed als erflyk wierd; zy vergaven onder malkanderen de Ampten, en het Volk was en bleef van allen invloed en directie over de publieke, dat is zyne eigen zaaken uitgeſlooten. Ja zelfs werden ſommigen, die de herſtelling van deeze nationaale bezwaaren hadden durven eiſſchen openlyk als oproermakers geſtraft. Zoo zeer en zoo ligt word, myne Landgenooten, de magt misbruikt, al is ze zelfs in handen van de beſte menſchen! Ziet daarom, om Gods wil, toe in wiens handen Gylieden ze vertrouwt; of liever houd ze zelven in handen, en zorg altyd dat Gylieden de ſterkſte party in het Land blyft!

De Oranje Factie, die altyd gewoon is en noodig heeft in troubel water te viſſchen, ſtookte dit misnoe­gen liſtiglyk aan, en maakte de Regenten, die zo als ik gezegd hebbe, het Land waaragtig deeden floreeren, en alleen daar in mis hadden, dat zy de Natie van allen invloed in haare eigen zaaken uitſlooten, zwart, even gelyk onze tegenwoordige Prins met zyne Factie de onſchuldige Heeren van Amſterdam, den Penſionaris Van Berkel, de beide Capellens, den Heer De Neufville en andere eerlyke Mannen by Ulieden verdagt heeft zoeken te maaken. De Oranje Factie beſchuldigde hen van kwaade inzigten, jaa van verraad: Maar met wat oogmerk deed zy dit? Niet, myne Vrienden, om Ulieden herſtelling van uwe wettige bezwaaren te bezorgen; niet om Ulieden de vryheid, het regt van verkiezing uwer Regenten, ten minſten eenen genoegzaamen teugel over dezelven, weer te geeven. Neen! enkel en alleen om den pasgebooren Willem den IIIden tot Stadhouder te doen verheffen, en dan op hunne beurt over Ulieden te heerſchen! Om dit ſnood oogmerk te bereiken berokkende de Oranje Factie ons den tweeden Oorlog met Engeland, die van 1663 tot 1667 duurde. Karel de tweede, Oom van den jongen Willem, was de Man, die ons een Stadhouder zoude bezorgen. Hy zelf heeft zyne oogmerken [ 28 ] niet kunnen of willen verbergen. De Oranje Factie deed wederom al wat zy kon om dien Oorlog kwalyk te doen uitvallen, en oproeren te verwekken; doch het mislukte haar nogmaals, en het misnoegen des Volks bleef voortduuren. Eenige Jaaren daarna werd evenwel de kans gunſtig.

De Koning van Frankryk, onze oude Bondgenoot, die ons uit de Spaanſche ſlaverny verloſt had; die ons tagtig Jaar of heimelyk had onderſteund of openlyk aan onze zyde had geſtreeden, en met wien wy zelfs de Spaanſche Nederlanden kort te vooren by Tractaat hadden verdeeld om ze te ſamen met de Wapenen te vermeeſteren, met belofte dat de een zonder den anderen geene Vrede zoude maaken; Lodewyk de veertiende, zeg ik, was misnoegd, om dat wy tegen onze zo plegtige Verbindteniſſen aan hem in 1648 trouwlooslyk verlaaten en eene aparte Vrede met den Koning van Spanje onzen gemeenen vyand gemaakt hadden. Dit misnoegen hoe gegrond ook begon nogtans allengs te bedaaren en zoude waarſchynlyk nooit verdere gevolgen gehad hebben, waren wy maar zoo voorzigtig geweeſt van dien magtigen Vorst niet op nieuw te verbitteren.

Omtrent het Jaar 1668 was Lodewyk in de Spaan­ſche, hedendaags Ooftenrykſche Nederlanden genaamd, gevallen, op een gedeelte van dewelken hy zeide regt te hebben. Schoon het nu onze zaak niet was dat geſchil te beſliſſen, zoo begreep nogtans de braave De Wit, dat ons belang en onze veiligheid vorderden te beletten, dat de Koning van Frankryk de Nederlan­den overmeeſterde, willende De Wit, die my, met allen ſchuldigen eerbied voor zynen onſterflyken naam, hier ſteeds wat al te diep ſtaatkundig is toegeſcheenen, dat dezelven, als een ſcheidsmuur tuſſen Frankryk en onze Republiek, in de magt van Spanje bleeven. Dit ontwerp kwam fraai voor, doch had van naby bezien, meer ſchyn dan weezenlykheid. Het ſteunde op twee onderſtellingen, waar van de eene valſch was en de an­dere zeer onwaarſchynlyk, gelyk ze ook door de onder­vinding is wederſproken. De eerſte was, dat Frankryks buurt gevaarlyk voor ons is. De andere dat de bezitters der Spaanſche, nu Ooſtenrykſche Nederlanden, ſteeds [ 29 ] Vyanden, ten minſten nooit Bondgenooten van Frankryk zouden zyn. Dit was noodig zouden wy van deeze ſcheidsmuur, daar naderhand die zo koſtbaare als nuttelooze Barriere uit gebooren is, eenigen dienſt heb­ben, en dit nogtans hebben wy in onze dagen geheel anders zien uitvallen. Onze Republiek had van Frank­ryk niets te vreezen, zo lang zy dit Ryk niet eerſt ver­bitterde. Frankryk had te veel dienst van ons, en was daarom gelyk hedendaags nog onze natuurlyke Bondge­noot. Lodewyk de veertiende had bovendien aan verſcheide andere ſtreeken van Europa ſtof en gelegenheid genoeg om zyn Oorlogslust te voldoen, en zig buiten adem te vegten, dat hy die hier niet behoefde te gaan zoeken. Al hadden wy ſtilgezeten het zou Spanje evenwel aan geene hulp ontbrooken hebben; anderen buiten ons zouden zig dan wat meer uitgeput en wy onze kragten behouden hebben. Elkanders Landen te neemen en te houden gaat hedendaags zoo gemaklyk niet, en in allen geval indien Frankryk toen reeds zoo buitenſpoorig magtig was, dan hadden de regels van ge­zonde ſtaatkunde en voorzigtigheid ons, aan wie niet ergers kan overkoomen dan een Oorlog te Lande, moe­ten raaden geenerlei ſtap te doen, daar direct een Land­oorlog uit moest volgen, ten minſten zodanig een ſtap niet te doen dan in den alderdringendſten nood, die hier gewis niet voorhanden was. Doch de ſchrandere Raadpenſionaris zag het ſtuk anders in. Hy bewerkte in 1668 de berugte Triple Alliantie of Drievouwdig Verbond tuſſen Engeland, Zweden en deezen Staat, waardoor Frankryk gedwongen werd vrede te maaken.

Dat Lodewyk de XIVde, die trotſche Vorst, daar door op onze Republiek, die hy en zyne Voorzaten vry en groot hadden gemaakt, ten uiterſte verbitterd moest worden, was te voorzien; maar wie zoude hebben kunnen verwagten, dat Koning Karel, Oom van Willem den IIIde, godloos genoeg zoude zyn geweest, om zig met dien zelfden Lodewyk, tegen wien hy met ons die Triple Alliantie had aangegaan, te verbinden, om ons, die hem niets misdaan hadden, dan dat men zynen Neef geen Stadhouder of Souverein wilde ma­ken, te beoorlogen? Dit nogtans is geſchied, en moet gevoegd zynde by de tallooze geweldenaryen, trouwloosheden, [ 30 ] onderdrukkingen, omkoopingen, verraderyen, inzonderheid in deze dagen, door dit haatlyk volk tegen ons gepleegd, ons, ſtille vreedzame Natie, die voor niemand gevaarlyk zyn, dan die ons te lang tergen, overtuigen, dat het dwaasheid zoude zyn met een volk, welks nationaal karakter ſedert meer dan twee eeuwen, gebleeken is te beſtaan, in trouwloosheid, trotsheid, wreedheid en afgunst, ooit eenigerlei verbintenisſen meer aantegaan. Het zyn vyanden van hun Vaderland, die de ſchoone, en waarſchynlyk nooit weerkomende gelegenheid om ons te ontdoen van het Britſche juk, daar wy en onze Vaderen zo lang onder gezugt hebben, tot dus ver hebben laten voorbyloopen. Zy is misſchien nog niet geheel voorby die gelegenheid. De VYFDE Auguſtus, die glorieryke dag, die onze Zeelieden met onſterflyken roem, en onze vyanden en hunnen aanhang, hier te Lande, met ſchande en verle­genheid heeft bedekt, heeft ons geleerd, welke groote dingen wy alnog met eene kleine magt kunnen uitvoe­ren. Duldt daarom niet, dat onze Helden te vergeefsch zouden geſtreeden hebben! Duldt niet, dat men met den trouwloozen Brit vrede make, voor dat hy genoeg vernederd zy, en van alle heerſchappy over de vrye Zee hebbe afgezien! Duldt niet, dat hy onze geroofde ſchatten als zyn eigendom behoude! Gylieden zyt dit, uit hoofde van het Burger-contract, aan de Kooplieden verpligt. Duld niet dat wy ooit weder­om tot het ſtryken der Vlag, als eene erkentenis, eene vernederende erkentenis van onze minderheid verpligt worden! maar duldt vooral niet meer die heillooze Echtverbintenisſen van het Stadhouderlyke Huis met het Huis van Engeland! Dezen zyn de oorzaken van alle onze rampen, van alle onze oorlogen, van alle de oude ſchulden, die ons nog drukken. Volgd het voorbeeld der Britten zelven na, die hunnen Koning een klein Duitſch Prinſesje hebben bezorgd, dat geene magtige Familiebelangen had. Doet ook zoo, en duldt in ’t vervolg die huwelyken met groote Huizen niet meer; maar vooral, en vooral belet die met het Engelſche Huis, daar ik Ulieden moet waarſchouwen dat het wederom op toegelegd is.

De Wit wist alles wat’er, zelfs in den allergeheimſten [ 31 ] raad der Vorſten, omging. Hy zag het onweder van verre opkomen. Hy waarſchouwde by tyds en raadde, dat men eene groote Vloot en Armee moeſte gereed maken: maar vrugteloos! Hoe dringend ook het gevaar was; hoe nader het dagelyks aan de lippen kwam, de Oranje Factie was onverzettelyk, en wilde volſtrekt den jongen Willem eerst Kapitein Generaal hebben, eer dat zy hare toeſtemming tot eenige werving wilde geven, en deze hardnekkige en ſtrafbare tegenſtand was oorzaak dat wy geen leger en den vyand in het hart van het land kregen. Gelukkiglyk was de Vloot, daar De Wit, door middel van de Staaten van Holland, meer directie over had gehad, in eenigzins beter toeſtand, en daaraan alleen hebben wy te danken dat onze Republiek toen niet geheel is vernietigd geworden.

De Franſchen waren intusſchen, in ’t begin des jaars van 1672, komen afzakken, en werd onder de begunſtiging der algemeene ontſteltenis en misnoegen, Willem de IIIde, een nog onkundige jongeling van tweeëntwintig jaren, tot Kapitein Generaal verheven. De Oranje Factie was nu op den weg om haar geheele oogmerk te bereiken. De Franſchen namen de eene Stad voor en de andere na, tot dat zy in korten tyd de drie Provincien van Gelderland, Utrecht en Overyſſel weg hadden en zelfs tot ver in Holland doorgedrongen waren. Toen was het dat de Oranje Factie eene ſchoone gelegenheid had, om alle de rampen en elenden, die zy zelve door het beletten der Wervingen hadde veroorzaakt, op reekening van de onſchuldige De Witten en hunne party te zetten. De Natie zag wel dat het niet goed met het Vaderland ging, doch was eenvouwdig genoeg om zig te laaten wysmaaken, dat de Broeders De Wit en de Louveſteinſche Factie (dit was de ſchimpnaam, die men toen aan de Regenten gaf, die tegen de aanſtelling van een Stadhouder waren) het Land aan den Koning van Frankryk hadden verraaden en verkogt; dat men niets anders te doen had dan den jongen Prins Stadhouder te maaken en de beide Broeders den hals te breeken; dat dan alles beeter zouden gaan! En helaas! de Natie, onze goede Voorvaders geloofden die bedriegers, en vielen [ 32 ] van de eene ſlaverny in eene andere, die veel ondragelyker was. Willem de IIIde werd Stadhouder ge­maakt, en de Burgery van den Haag, opgehitst door omgekogte Fielten, vermoorden in haaren blinden yver de beide Broeders De Wit, welker een, te weeten de Burgemeeſter van Dordregt, nog onlangs als Gecom­mitteerde op s’Lands Vloot (iets dat nu, God beetert! ook al uit de mode ſchynt) een allerſchrikkelykſten Zeeſlag had bygewoond, en te huis komende tot zyne belooning werd vaſtgezet, en op de valſche beſchuldiging van eenen enkelen getuige, die reeds door meer dan een Rigterlyk Vonnis, waaronder zelfs een wegens Laſter, dien hy den Heer en Schout van Piersbil had aangewreeven, infaam was, onmeedogend gepynigd, en, ſchoon geheel onſchuldig bevonden, nogtans door het Hof van Holland, alleen om den Prins te behaagen, van alle zyne Ampten ontzet en gebannen werd! Willem de IIIde had dien valſchen getuige omgekogt om De Wit te beſchuldigen, dat hy hem had willen huuren om den Prins te vermoorden; ten minſte is dit zeeker, dat hy dien ſnooden met een jaarlyks Penſioen heeft beloond, gelyk men onlangs ontdekt en ontegenzeggelyk beweezen heeft: ook heeft die braave Vorst, die Beſchermer van het Proteſtantendom openlyk dur­ven aanraaden, dat ’er naar de moordenaaren der beide Broederen geen onderzoek zoude geſchieden, onder voorwendzel, dat het gevaarlyk zoude zyn tegens zo veele voornaame Burgers ſtrenge middelen te gebrui­ken; en zyn, tot ergernis van alle eerlyke Lieden, de voomaamſte aanvoerders met Ampten en Baantjens begunſtigd geworden.

Geveinsd, liſtig, heerſchzugtig, wreed en ſchynheilig was hy van aart. Van welke ſoort die eene on­deugd was, waaraan Bisſchop Burnet, ſchoon anderzins deszelfs vleiër en lofredenaar, hem ſchuldig heeft moeten erkennen, en welke hy, volgens het getuigenis van dien hoofſchen geeſtlyken, zorgvuldiglyk bedekt wist te houden, kan ik niet zeker bepalen. Het moet gewis iets zeer ſchandelyks zyn geweest, vermits een man, die zig niet ſchaamde openlyk moordenaren te begunſtigen en valſche getuigen in zynen dienst en bezolding te hebben, het nogtans der moeite waard oordeelde, deze [ 33 ] eene ondeugd ZORGVULDIGLYK te bedekken. Het moet dus vry wat meer zyn geweest, dan het houden van Maitresſen, dat van oude tyden af der Vors­ten mode en gewoonlyke uitſpanning was, doch het geene ik my niet herinnere aan dezen Willem ooit ten laſte gelegd te zyn. Alle middelen, om tot zyn oogmerken te geraken, waren by hem geoorloofd. Ko­ning van Engeland geworden zynde, ſchaamde hy zig niet den vermaarden valſchen getuige, Oates genaamt, gelyk hy Ticchelaar gedaan had, een penſioen toeteleggen. By zyne verheffing kreeg Hy meer gezag dan ooit eenig Stadhouder voor hem gehad had; de verge­ving van alle ampten, zo politique als militaire; het aanſtellen van Regenten; het commando over de Trou­pes, enz. Na dat de Franſchen de Provintien van Gelderland, Utrecht en Overysſel verlaten hadden, oordeelden de Staaten Generaal, die toen reeds afhan­gelingen van Willem waren, dat de Regeeringen in die drie Provintien dezelfde verandering dienden te onder­gaan als in de overige Provintien in 1672 was geſchied, te weten, dat de oude Regenten, die de Staatſche par­ty waren toegedaan geweest, voor ditmaal, en zonder conſequentie voor het vervolg, of krenking der Privilegien ontſlaagen, en anderen in hunne plaats geſteld wierden, en Willem werd door Hun Hoog Mogenden daartoe, en daartoe alleen, gemagtigd: Maar ziet zo ver ging zy­ne ſtoutheid en onbeſchaamdheid, dat hy deze onge­lukkige Provintien eene geheel nieuwe Regeeringsform voorſchreef en opdrong, waarby hem weinig minder dan de ſouvereiniteit over dezelven werd toegelegd. In Utrecht beſtaan de Staaten uit drie Leden, waarvan het eerſte de oude Geeſtlykheid vertoond; het tweede zyn de Edelen, en het derde Lid maken de Steden uit. Volgens het nieuwe Reglement op de Regeering, kreeg hy de magt (ik ſpreek van de magt en niet van het regt, vermits zulke uſurpatien het onregt zelve zyn) Hy kreeg, zeg ik, of liever nam de magt om het eerſte Lid alle drie jaren, en de Regenten der Steden alle jaren naar goedvinden af en aanteſtellen; alsmede de Leden van de Ridderſchap te verkiezen en dit Collegie, zo menigmaal het hem behaagde, met nieuwe Leden te kunnen vermeerderen. Voeg hier by de vergeving [ 34 ] van alle Ampten en het commando der Troupes, en wat manqueert ’er dan aan de ſouvereiniteit? In Gelderland en Overysſel, daar de Staaten uit twee Leden beſtaan, maakte hy de helft der ſtemmen direct van zig afhanglyk, door de Regeeringen der Steden, in Gelderland alle drie jaren en in Overysſel alle jaren naar wille­keur te verkiezen. Het is waar, hy liet in Overysſel kwanswys, de jaarlykſche keure van de Regenten aan het Collegie der gezwooren gemeente verblyven, doch hy hield de magt aan zig om die keure te approbeeren of niet; en ingeval ze hem niet beviel, alsdan zonder eenige nieuwe keure der gezwooren gemeente (die hy ook al aanſtelde, doch voor hun leven) direct anderen in de plaats te kunnen benoemen. Om die reden verkoozen en verkiezen nog hedendaags (want onze tegenwoordige Stadhouders hebben, ſedert 1747, dezelfde magt als Willem de IIIde) de gemeentens geene ande­ren, dan die zy vooraf weten, dat aangenaam zullen zyn. Als men nu op deze wyze meeſter is van de helft der ſtemmen der Staatenvergadering, en boven dien, door ampten, commisſien, gunſten, door ſtraffen en belooningen de andere helft, zynde die der doorgaans laffe en kaale Edelen, geheel onder zynen invloed weet te houden, en dan nog, zo menigmaal de ſtemmen ſtaken, beſlisſen kan hoe het beſluit zal vallen, want dit regt had hy ook al bedongen: Kan men dan niet alles naar zyn zin krygen? Is men dan niet zo goed als Souverein? Dit nogtans was de magt van Willem de IIIde, en dit is de magt van onze hedendaagſche Stadhouders, die ’er zelfs in 1747, in an­dere Provintien, nog veel meer hebben bygekregen als ooit Willem de IIIde heeft gehad. Doch ik keere nog een oogenblik tot dezen terug. In 1677 vond zig de gezwooren gemeente te Deventer, en waarlyk niet zon­der reden bezwaard, om de jaarlykſche Regeering, naar het voorſchrift des nieuwen Reglements, te ver­kiezen. Zy verkoozen dezelve daarom, volgens ſtads oude Privilegien, en lieten ze beëedigen zonder ’s Prin­ſen goedkeuring aftewagten, makende zy, zo zy ver­klaarden, gemoedshalve zwarigheid om het Reglement van 1675, tegen de privilegien, naartekomen. Doch zyne Hoogheid deed de zaak ſpoedig af. Hy beval [ 35 ] de Burgemeeſteren, de Gemeenslieden, die zo teer van conſcientie waren, van hun ampt te ontſlaan, en voegde ’er by, dat gelyk hy niet gezind was het regt, hem by dat Reglement opgedragen, afteſtaan, hy ook niemand wilde dringen om zig tegen zyn gemoed met de Regeering te bemoeien, en wierden op het ontvangen van dit bevel, zonder form van proces, tweeëntwin­tig van de agtënveertig gemeenslieden ontſlagen en an­deren in hunne plaatzen aangeſteld, wier gewetens wat ruimer waren. In Gelderland liet hy zig door zyne Creatuuren het Hertogdom aanbieden, dog dien vlieger in de andere Provintien niet opgaande bedankte hy kwanswys voor de eer. Overal waar twist was, of hy die maaken konde, ſtak hy zig in dezelve om zo doende gelegenheid te hebben om zyn gezag uittebreiden, gelyk in 1695 te Goes, daar hy ter gelegenheid van zeker diſput over het vergeeven van eenige Ampten, tegen wil en dank van ’t gros der Magiſtraat en geheele Burgery, met geweld Troupes zond, en de Regeering veranderde, en door die nieuw aangeſtelde en van hem afhangende Regenten de Burgemeeſters Weſterwyk en Eversdyk en anderen, alle voorſtanders van Vryheid en Privilegien en geliefd by de Burgery, liet vonniſſen en op eene wraakroepende wyze, te lang om hier te verhaalen, door zyne Militairen mis­handelen. In Middelburg viel twist over het beroepen van een Predikant, en zelfs dit (wie zou ’t hebben kun­nen denken!) gaf onzen Geweldenaar de gelegenheid tot veranderingen in de Regeering en het vergrooten van zyn Gezag, alles breeder te zien by Wagenaar deel 14 bl. 445, en deel 16 bl. 203 en volgenden. In 1688 verjoeg hy met behulp van eene Hollandſche Vloot en Armee zyn Schoonvader (want hy was ook al met eene Engelſche Princes getrouwd) van den Troon en zette zig zelf daarop. Hy bleef ſchoon nu Koning geworden, nogtans Stadhouder van onze Provin­tien, daar hy despotieker regeerde dan in Engeland, en hy hield onze Republiek tot zelfs tien Jaaren na zyn dood, die in 1702 voorviel, in eenen geduurigen Oorlog tegen Frankryk, daar wy onze kragten in verſpilden en het verraderlyk Engeland alleen de vrugten van plukte, gelyk de Baron van Capellen tot den Pol [ 36 ] in zyn Advys over de Schotſche Brigade in ’t Jaar 1775, onder meer andere dingen wel naar waarheid gezegd heeft. Ja Landgenooten! het is zoo! door ons geduurig tegen Frankryk in Oorlog te houden heeft deeze Willem onzen Koophandel en welvaart onherſtelbaare ſlagen toegebragt en ons Land met onnoemelyke ſchulden belaaden, om de intreſſen van de welken te betaalen Gylieden alnog zwaare laſten, ſchattingen en impoſitien moet opbrengen; en toen wy eenigzins tot ver­ademing gekomen waren ſleepten ons de Vrienden van het dierbaar Oranje Huis, in 1747, op nieuw in eenen koſtbaaren en volſtrekt nutteloozen Oorlog. Dit zyn de dienſten door die van Oranje aan ons beweezen!

Willem den IIIden in het Jaar 1702 overleden zyn­de, hadden wy tot op het Jaar van 1747 wederom dezelfde Regeering als van 1650 tot 1672. De Heeren, de Grooten maakten zig in de meeſte Provintien we­derom van de heele Regeering meeſter, en ſlooten het Volk wederom van alles, zo veel zy konden, uit, behalven in eenige Gelderſche Steden daar de Burgery haare Regenten verkoos. Het Volk werd op nieuw misnoegd en met nog meer reden dan in het voorig tydperk onder de Broederen De Wit, om dat’er toen veel beeter en tans veel ſlegter geregeerd wierd, heb­bende de Stadhouderlyke Regeering alles vergiftigd, de zeden bedorven, en byna elk geleerd ſlegts zyn eigen voordeel en belang te bejaagen.

Deeze ſchadelyke invloed op het nationale karakter is aan de Stadhouderlyke Regeering uit haren aart eigen. In landen daar het volk zyne eigen Regenten en Amptenaren verkiest, gelyk nog in eenige Republieke van Zwitzerland, maar in volle ruimte in alle de dertien Verëenigde Staaten van Noord-Amerika geſchied, is elk, die eenig fortuin of emplooi zoekt, genoodzaakt zig wel en deugdzaam te gedragen, beleefd, vriendelyk en gedienſtig te zyn tegen zyne medeburgeren, en vooral zig een voorſtander van ’s Lands vryheid en welvaart te toonen; met een woord, zal hy de gunst des volks en deszelfs ſtem, tot den post, dien hy ver­langt, verwerven, zo moet hy een regtſchapen Patriot zyn. Maar in ons Land is het geheel anders geſteld. Tegen zyne medeburgers beleefd, vriendelyk en gedienſtig; [ 37 ] een voorſtander van ’s Lands Vryheid, voorregten en welvaart, een regtchapen Patriot te zyn, helpt hier niet alleen niets, maar is integendeel hinderlyk. Die hier eenig fortuin zoekt moet daartoe een heel an­deren weg inſlaan. Het is enkel de gunst van den Stadhouder die hy nodig heeft, en deze weten en zien wy allen dat niet te winnen is door zig deugdzaam te gedragen; door beleefd, vriendelyk en gedienſtig tegen zyne medeburgeren; door een voorſtander van ’s Lands vryheid, voorregten en welvaart, door een regtſchapen Patriot te zyn! Verre van daar. De Stadhouders moe­ten inſchikkelyke, toegevende Lieden hebben. Die ouderwetſche ſtyfhoofden van het jaar vyftienhonderd, dienen hun niet. Door voorregten en vryheden wor­den onze Oranje Vorſten in hunne magt beteugeld en beperkt; daarom zoeken zy die maar, en zo menig­maal zy maar kunnen, den bodem ingeſlagen te krygen; daarom haten en vervolgen zy de patriotten, die de voorregten en vryheden des Lands durven verdedi­gen, terwyl zy daarentegen dezulken, die ondeugend genoeg zyn om hem, in de uitvoering hunner ontwerpen, tegen eed en plicht, de hand te willen leenen, met gunst en voordeelen overladen, ô Landgenooten! Onze dierbare Oranje Vorſten, hoe fraai ze zig Ulie­den door hunne vleiërs en loontrekkers ook laten voorſtellen en afſchilderen, zyn Vorſten, zo wel als alle andere Vorſten der wereld. Zy krygen dezelfde bedorven hoofſche opvoeding; zy zuigen vander jeugd af aan dezelfde ſentimenten in, denzelfden hoogmoed, trotsheid, heerſchzugt, dezelfde begeerte om zig bo­ven alles te verheffen. Vander jeugd af aan zyn zy gewoon generlei tegenſtand te ondervinden, en hiervan is het dat zy daarna zelfs den tegenſtand van ’s Lands regten en privilegien niet kunnen dulden; dat die hun onverdragelyk zyn: Zy hebben dezelfde hofhouding, dezelfde manier van leven; — met een woord zy zyn Vorſten, en handelen op de wyze der Vorſten. Ryke ſlaven zouden zy, even als andere Monarchen, die den koophandel hunner ingezetenen begunſtigen, wel willen hebben. Den koophandel van Amſterdam, dien men nu te gronde wil helpen, zouden zy ook wel gaar­ne zien bloeien, wanneer die Stad maar eerst hare [ 38 ] Poorten voor ’s Prinſen Garniſoen geopend en de be­ſtelling van hare Regeering aan hun had overgegeven; maar magtige Ingezetenen die vry zyn; die hen met hunne ernſtige Requeſten komen verveelen en in de voorgenomen maatregelen belemmeren, zyn hun onverdraaglyk. Het is een waaragtig zeggen: dat de vryheid des volks de ſlaverny van den Vorst is. — Vermits nu (want ik bemerke dat de veelheid van ſtoffe my te verheen voert) vermits nu door deugd en vader­landsgezindheid in dit ongelukkig Land geenerlei for­tuin te maken is, ziet Gylieden, Landgenooten, dat elk, die graag wat wil hebben of worden, en dit getal is onder ons, om redenen, veel grooter dan ergens, of ondeugend en niet vaderlands- en vryheidsgezind moet zyn, of zyne waare gevoelens daaromtrent moet weeten te verbergen en door veinzery leeren bedekken, en dat ik niet te veel zegge, wanneer ik de Stadhou­derlyke Regeering, uit haaren aart, eenen ſchadelyken invloed op de zeden en het nationaal karakter te laſte legge. Doch ik ga voort.

De Oranje Factie altyd met dezelfde oogmerken be­zield, leefde intusſchen nog en woelde ſteeds, zelfs zoo, dat men op verſcheiden plaatſen de wapenen te­gen elkander opnam. De ſtaatſche party behield nogtans de overhand, en deed het volk haar juk tegen wil en dank dragen. Eindelyk evenwel verſcheen het jaar van 1742. De omſtandigheeden waarin Europa zig toen bevond, gaven de Oranje Factie een vleiënd vooruitzigt op eenen oorlog; want in tyden van rust, vrede en tamelyken voorſpoed, is het naauwlyks mogelyk een volk in beweging en groote veranderingen in een land gemaakt te krygen. Frankryk, dit riepen Uiieder Verleiders, moest in zyne heerſchzugtige oogmerken te keer gegaan worden! men moest de Koningin van Hongaryen onderſteunen! al die dit niet wilde doen was door Frankryk omgekogt! die voor de Neutrali­teit durfde ſpreeken, had het Land verraaden, en ver­diende ’s Volks haat! enz. Wy verbonden ons dan we­derom ten naauwſten met het verraderlyk Engeland, dat door zyne loontrekkers en zendelingen het vuur hier had aangeſtookt, en zig niet weinig verheugde, dat wy even als voorheen, wederom dwaas genoeg waren om [ 39 ] ons ten hunnen voordeele uitteputten, en eenen weg inteſlaan, die noodzaaklyk op eene verandering in de Regeering moest uitloopen, dewelke dit Land wederom geheel onder hunnen invloed zoude brengen. O Ne­derlanders! hoe kan het zyn, dat wy niet voorlang bemerkt en begreepen hebben, dat de Engelſchen, on­ze gezwooren vyanden, die ſteeds en by alle gelegenheeden onzen ondergang gezogt en waarlyk bewerkt hebben, nooit zulke ernſtige en ruſtelooze poogingen zouden hebben aangewend, om in ons Land het Stadhouderſchap herſteld, en ten top van magt verheeven te krygen, indien zy deeze form van Regeering als voordeelig voor onzen koophandel, welvaart, en vry­heid hadden aangezien! Ons geluk, onze voorſpoed was hun ſteeds een doorn in het vleeſch, een ſteen des aanſtoots: Om die te ſtremmen; om ons ten val te brengen; om onzen koophandel geruïneerd te krygen; om ons klein en in eenen ſtaat van afhanglykheid te houden, gaven zy ons Stadhouders, dewelken hunne verheffing alleen aan hun te danken, en alle verdere onderſteuning, zo wel in het behouden als in het vergrooten van hun gezag, meest van hunne voorſtanders de Engelſchen te verwagten hebbende, zig ook altyd allernaauwst met dat Volk, ſchoon onze natuurlyke vyanden, verbonden hebben gehouden; deeze hunne trouwe Bondgenooten ſteeds ten dienſte hebben geſtaan, en, zo als wy, helaas! nu weer ten duidelykſte on­dervinden, liever ons Land, met alles wat ons dier­baar is, zullen zien verlooren gaan, dan de Engelſche party te verlaaten. Dit, o Landgenooten! is de ſleutel van alles wat wy in deeze dagen hebben zien gebeuren! Overdenkt dit by U zelven! ik zegge Ulieden de waar­heid. De Stadhouders zyn een Preſent van de Engel­ſchen, en iets goed, iets voordeeligs, iets dat ons heil­zaam is zullen zy ons nooit geeven. Dat zy die zo geleerd en zo kunſtig over het Nut der Stadhouderlyke Regeering weeten te Schryven, dit eene bewys eens oplosſen zo zy kunnen.

Wy raakten dan in Oorlog. De Franſchen, naar mate zy onzen bodem naderden, boden ons de Neutra­liteit aan, ons raadende van ons tog niet wederom in geſchillen te ſteeken die ons niet raakten, maar veel eer [ 40 ] op onze hoede te zyn tegens de liſtige aanſlaagen der Engelſchen, die door ons in den Oorlog te wikkelen enkel hun eigen voordeel en verandering in de Regee­ring zogten. Maar neen! De Oranje Factie onderſteund door Engelſche Guinjes kreeg de overhand. Wy wilden den Oorlog. Wy verlooren Batalie op Batalie, Stad op Stad: de Franſchen waren op onze grenzen: toen verhefte de Oranje Factie haare ſtem. Er is verraad in het Land! Wy moeten wederom een Stadhouder hebben! Niemand kan ons redden dan de Prins! even als of hy alleen Legers kon verſlaan.

Men maakte de Regenten gehaat, die, ſchoon geene Landverraders, nogtans de liefde des Volks, in het al­gemeen, wel niet zeer verdienden: maar, daar men trouwlooslyk aan deed, men bedroog het grootſte ge­deelte van Ulieden; men beloofde U goude bergen; alle misbruiken zouden worden geweerd: Gylieden zoud geene laſten en ſchattingen meer opbrengen, maar daarentegen in alle uwe oude Regten en Privilegien herſteld worden! Zy die de driftigſten onder U waren, liepen te hoop; de overigen zagen het aan. Niemand had moeds of doorzigts genoeg om Ulieden ten beſte te raaden. Gy riespt om een Stadhouder, en men gaf U WILLEM den IVden — gelyk Saul den Iſraëlieten — en wat hebt gy daar mede gewonnen? Heeft Hy of zyn Zoon, die ons tans ongelukkig maakt, U in uwe oude Regten en Privilegien herſteld? Verkieſt Gylieden nu uwe eigen Regenten? Betaald Gylieden minder laſten? en word U nu gevraagd, hoe veel en welke ſchattingen en laſten Gylieden wilt opbrengen? Word Ulieden nu rekenſchap gedaan, hoe s’Lands, dat is Ulieder eigen geld, zweet, en arbeid word be­ſteed? Weet Gylieden wel eens op welke verbaazende ſommen het onderhoud van den Stadhouder met zynen naſleep U jaarlyks komt te ſtaan? Wat hebt Gylieden by de verandering gewonnen, dan U eenen anderen Heer en Meeſter op den rugge te zetten, dien het U altyd veel moeielyker zal zyn uit den zadel te ligten dan Ulieder voorige beryders?

Wat deed de aangeſtelde Stadhouder? die lieveling des Volks, die herſteller (God beetert) der Vryheid? wel weetende dat hy Ulieden door zyne Zendelingen [ 41 ] en Creatuuren had laaten bedriegen en verleiden, en de uitwerkzelen vreezende van uwe wraak, indien het mogt gebeuren, dat de ſchillen van Ulieder oogen vielen, zo ſtelde hy zyn betrouwen op de Armee, op de Soldaaten: En, om dat hy zig op dezelven nog niet genoeg verlaaten kon, zo lang zy door Inlanders gecommandeerd wierden, zo vervulde hy onze Armee, onder voorwendzel van dezelve onder de nieuwe Exercitie en discipline te brengen, met Vreemdelingen inzonderheid met Duitſchers. Heele zwermen van die hatelyke Fortuinzoekers kwamen ’er afzakken; en ’t was hy dien Vaderlandszgezinden Vorst recommandatie genoeg, dat men maat een Vreemdeling was, om met allerlei militaire charge begiftigd, en aan onze Vaderlanders voorgetrokken, te worden. — Ja — men zag ’er de monteering van den Staat dragen, die een brandmerk op den rug hadden, en by andere volken openlyk geïnfameert en gebannen waren. En op dat het krygsvolk enkel en alleen van hem zoude afhangen en met niemand anders dan met hem alleen zoude te doen hebben, zo voer Hy de Militaire Jurisdictie wederom in en dreef die met geweld door. Hy wilde niet dulden dat eenig militair, als hy iets misdaan, of eenige gerigtelyke zaken, als procesſen of teſtamenten of dergelyke dingen te verrigten had, door eenige andere regtbank zoude worden geſtraft of voor eenige andere regtbank zoude mogen verſchynen, al was het maar om getuigenis der waarheid te geven, dan enkel door en voor den krygsraad, daar de Stadhouder hoofd en Heer van is, en hy de ſententien laat maken en vellen, zo als hy wil, of, naar zyn zin niet uitvallende, even als de Turkſche Keizer in zyn Ryk, naar goedvinden zelf verandert.

Deze Militaire Jurisdictie is voornamelyk door Prins Maurits bedagt, als een kragtlg middel om zyn gezag, in dit vrye Land, uittebreiden, en alle de volgende Stadhouders, door denzelften geest gedreeven, heb­ben tegen alle de bittere klagten door Staaten van Provintien, Steden en Gerichtshoven, ſedert het begin der vorige eeuw, tot nu toe onophoudelyk tegen die gevaarlyke nieuwigheid gedaan; dit hun geliefd middel van dwingelandy, als een der dierbaarſte voorregten van [ 42 ] ’t Stadhouderſchap gehandhaafd. Die ’er zig tegen verzet, wordt aan het Hof met een zwarte Kool geteekend, zo als niemand meer heeft ondervonden dan de Heer van Capellen van de Pol. Gylieden begrypt, intusſchen, myne Landgenooten! dat het gevolg van die Militaire Jurisdictie is, dat wy tegens een militair geen meer regt kunnen krygen, dan onze Heer de Prins ons gelieft te vergunnen, wat zy Ulieden ook misdaan hebben, of hoeveel zy Ulieden ook ſchuldig zyn. Hoe daarenboven de Juſtitie door die krygslieden, die natuurlykerwyze meer verſtand van den Oorlog dan van de Rechten hebben, wordt behandeld, en hoe koſtbaar en moeilyk het is om voor een vreemde Rechtbank, om in den Haag, voor den Hoogen Krygsraad, tegens een militair recht te gaan halen, hebben zo veelen van Ulieden ondervonden, dat ik my daar niet verder be­hoeve over uittelaten. Doch ik keere weder daar ik gebleven was.

Het Kwartier van Nymegen had, voor ’t geld der Ingezetenen, de Graafſchap Kuilenburg gekogt. De laffe Regenten, om aan den nieuwen Afgod eene offer­ande te doen, bieden hem die Graafſchap aan, en hy neemtze. De Ooſtïndiſche Compagnie preſenteert hem niets minder dan een drieëndertigſte van alle hare Uitdeelingen; de Amphioen-Sociëteit, ik weete niet hoe veele Actien; hy ſleept ’t alles in zyn nest. Kan zulk een Man, myne Landgenooten! met den ouden Vader Samuël zeggen: Ziet hier ben ik, betuigt tegens my voor den Heere, wiens Osſe ik genomen hebbe, en de wiens Ezel ik genomen hebbe, ende wien ik verongelykt hebbe, wien ik onderdrukt hebbe, en van wiens hand ik een geſchenk genomen hebbe? — Kan zulk een Prins, die openlyk voorgeeft, dat hy ’t zig een on­waardeerbaar voorregt rekent, het voorwerp der liefde van een VRY VOLK te wezen, en nogtans een gezag aanneemt en erfelyk aan zyn geſlacht hecht, dat met alle denkbeelden van vryheid onbeſtaanbaar is, in ernst eisſchen, dat men hem gelooft? Gelooft my, myne Vrienden! wat men Ulieden ook moge voorpra­ten en voorpreken, welke betuigingen onze Erfſtadhouders Ulieden ook mogen doen van alles voor Ulieder vryheid te willen opzetten en die in eeuwigheid te zullen [ 43 ] verdedigen: Geloof me! het bedriegen en veinzen is den Vorſten even zo eigen als het onophoudelyk tragten naar meer en hooger magt: daar is geene vry­heid; daar kan geene vryheid zyn in een Land, daar een enkel Perzoon erfelyk het commando van eene groote Armee heeft; de Regeeringen van het Land af en aanſteld of onder zyn bedwang en invloed weet te houden; alle de Ampten vergeeft; door zynen invloed in de beroepingen der Profeſſoren meeſter is van het geen de ſtudeerende Jeugd op de Hooge Schoolen zal mogen geleerd worden; daar het Volk onkundig ge­houden word; daar het Volk ongewapend is, en niets ter wereld Godt niets te zeggen heeft! dit is Ulieder toeſtand ô Nederlanders! Maar ik keer nog een oogenblik weder tot Willem den IVden.

Na het weder invoeren der Militaire Jurisdictie, door den bovengenoemden Baron Van der Capellen tot de Pol, zeer gepaſt een gedrogt of monſter genoemd, trok het Placcaat op de jagt zyne zorg. De Stadhouders zyn altyd zeer oplettend op dit ſtuk geweeſt, om dat hoe minder Lieden ’er mogen jaagen, hoe minder ’er ook leeren met geweer omgaan, en hoe meer de Natie de wapenen ontwent; dat men gaarhe heeft; want hoe onweerbaarer zy is, hoe gemakkelyker men haar naar zyn zin kan dwingen. Om diezelfde reden, dog onder andere voorwendzels, is ook het ſchieten naar de Schyf en Valk uit de mode geraakt.

Het best dat onze Willem de IVde gedaan heeft, want hy was lang van de ergſte Vorſten niet, is zyne poging om een Porto Franco in ons Land in te voeren, dat is, dat’er van de Koopwaaren geene in en uitgaande regten meer zouden betaald worden. Jammer is het dat zulks niet doorgegaan is, want dit is het eenig middel, om onzen kwynenden Koophandel wederom eenig nieuw leven bytezetten; en wy deeden verſtandig, indien wy bytyds, in dit opzigt, den Keizer navolgden.

Na het overlyden van Willem de IVde vervielen wy in de handen van Mevrouwe de Gouvernante. Zy regeerde op zulk eene wyze, als men van eene Engelſche Prinſes moeſt verwagten, en overeenkomſtig het oogmerk waar toe de Engelſchen haar gezonden [ 44 ] hadde. Den Koophandel, ’t is nog verſch in onzer aller geheugen, gaf zy te prooi van haare roofzugtige Landgenooten, en wilde niet dulden, dat dezelve behoorlyk beſchermd wierd. Ja, zo verre ging haare onbeſchaamdheid, dat zy door haaren Secretaris Larrey, ook al een vreemdeling, aan de om protectie, om Oorlogſchepen ſmeekende Kooplieden ronduit liet antwoor­den: Dat het voor haar een POINT D’HONNEUR was geworden in geene Equipagie van Oorlogſchepen te bewilligen, zonder eene vermeerdering der Landmagt, die zy nogtans alleen maar zogt te gebruiken, om ze ter hulp van haaren Vader, den Koning der Engelſchen, onze erfvyanden toetezenden, en ons zoo doende we­derom in een Oorlog te wikkelen met den Koning van Frankryk, die ons alle goed deed en alle mogelyke voordeelen in de Commercie toevoegde. God verloſte ons eindelyk van deze Jezabel, en kwam s’Lands Re­geering, geduurende de minderjaarigheid van den tegenwoordigen Stadhouder, in handen van de Staaten, of liever van den Hertog LOUIS VAN BRUNSWYK, dien Willem de IVde, toen hy zig zwak begon te voe­len, uit Duitſchland had doen overkomen, om, na zynen dood, voor de belangen van zyn huis te zorgen, daar hy zig ook meeſterlyk misſchien boven verwagting van gekweten heeft. Ik zegge voor de belangen van het Oranje huis, want de belangen der Natie waaren hem eigenlyk niet aanbevolen. Daar was hy niet toe gehuurd.

Willem de Vde onze tegenwoordige Stadhouder meerderjaarig geworden zynde, begon, in alles geſterkt door den raad van deezen zynen getrouwen Achitophel, den weg zyn ’er Vaderen te bewandelen, dat is den weg, die naar de Souvereiniteit leid; of liever hy ge­droeg zig reeds als Souverein.

Te Campen hadden negenentwintig Leden der Vroedſchap, die daar uit zesendartig beſtaat, zig vereenigd, om te proteſteeren tegens het Reglement op de Voogdyſchap van den jongen Prins, het welk de Gou­vernante hun wilde opdringen, en waaraan de Vroedſchappen der andere Overyſſelſche Steden zig niet dan met weerzin hadden onderworpen, om dat het eene allerzigtbaarſte inbreuk op der Steden Privilegien was. [ 45 ] De Gouvernante overleden zynde wilden de Vroedſchap volgens Stadsprivilegien, welken van de de oudſte tyden af tot dien tyd toe in volle gebruik waren geweeſt, en nog zyn, de jaarlykſche Regeering, in veertien Burgemeeſters beſtaande, kiezen; maar dartien van deeze knaapen hadden den Hertog en zynen aanhang, dat is de Staaten van de Provintie, te vriend en het Garniſoen gereed om op den eerſten wenk onder de wapenen te komen. Zy bleeven, ſchoon de Vroedſchap hen voor het volgende jaar niet alleen nog niet had verkooren, maar zeer zeeker, indien zy haare wettige Keur hadde kunnen uitbrengen, alle deeze Overtreeders van eed en pligt zoude hebben voorbygegaan, zy bleeven, zeg ik, door de geheele Oranje Factie onderſteund, tegen uitdruklyk proteſt der Vroedſchap, het Stadhuis inhouden, en maintineerden zig, zonder eenige wettige Verkiezing, op het kuſſen; en de Vroedſchap, die alreeds had moeten ondervinden, dat zy door geweld belet was geworden hagre keure te publiceeren, ja zig, ongehoord geval! geduurende haare deliberatien, door eene militaire Wagt had bewaakt gezien, ordeelde raadzaam, na dat zy by eene ſchriftelyke Memorie had verklaard die zogenaamde Burgemeeſters voor uſurpateurs en geweldenaars te houden, de Vergadering, voor dien dag te ſcheiden. Zeven Vroedſchappen nogtans bleeven zitten, fortuinzoekers, drie van welken kort daarna ook Burgemeeſters zyn geworden; en ziet, zo verre ging de ſtoutheid der dartien Burgemeeſters, dat zy met die zeven Vroedſchappen, die zy, by overlyden van eenen der geheele zesendartig, altyd met een hunner Creatuuren vermeerderden, van ſtonden aan de Stad begonnen te regeeren, en de andere negenentwintig, ſchoon de groote meerderheid uitmaakende, tot deeze uure toe, nooit meer ter Vergadering hebben toegelaaten, uitgezonderd eenigen, die na verloop van etlyke jaaren, laag genoeg wierden, om het hoofd in den ſchoot te leggen, en zeeker Geſchrift te teekenen. Ja, zelfs zonden de dertien Burgemeeſters hunnen Medeburgemeeſter den Heere Roldanus eene Roſolutie te huis, waar by zy dien Heer, om dat Hy de party der onderdrukte Vroedſchap was toegedaan, verbooden de Vergadering der Magiſtraat bytewoonen, wanneer ’er [ 46 ] over de zaaken der negenentwintig Vroedſchappen zou geraadpleegd worden. De ontzette, of eigelyk maar te huisgelaaten negenentwintig Vroedſchappen (want dit kunſtje heeft de Hofparty ’er in Overyſſel opuitgevonden, zo als ſtraks aan het geval van den Heer Van Capellen nader zal blyken) hebben by niemand ooit eenige protectie gevonden, zelfs niet by onzen tegenwoordigen Stadhouder, die, wel verre van deeze geweldenary by zyne meerderjaarigheid af te keuren, en die eerlyke Lieden in hunne poſten te herſtellen, in tegendeel de dryvers van dit godloos werk, tot heden toe, de openlykſte blyken van zyne goedkeuring, gunst en vertrouwen heeft gegeeven.

Profeſſor Van der Marck een braaf, dooreerlyk, en doorkundig Man, die de Academie te Groninge deed floreeren, boezemde zyne Studenten denkbeelden en ſentimenten van vryheid in; ſentimenten egter, die voor het Stadhouderlyk Huis, het welke Hy eenen diepen eerbied toedroeg, niet alleen niet gevaarlyk, maar zelfs zeer gunſtig waren. Dit woordje van Vryheid was nogtans niet te dulden. Myn Heer de Prins kon deezen Hoogleeraar niet vergeeven, dat hy zyn talent niet wilde gebruiken om, gelyk andere Profeſſooren gewoon zyn, jonge ſlaaven voor Hem te dreſſeeren. De Man moest weg. Onder voorwendzel van onregtzinnigheid liet Hy Hem, ſchoon met een talryk huis­gezin bezwaard, op de infaamſte en wederregtelykſte wyze van zyn Ampt ontzetten, zig niet eens ſchaamende om, naar uitwyzen zyner gedrukte Brieven en Advyſen, de hoofdrol in deeze onderneeming te ſpeelen. Dat des Heeren Van der Marks zogenaamde onregtzinnigheid ſlegts het voorwendzel en niet de waare reden van zyne ontzetting kan geweeſt zyn, blykt niet alleen daaruit, dat de Profeſſor terſtond op eene andere Gereformeerde Academie buitenslands is beroepen en tot Ouderling der Kerk aldaar aangeſteld geworden, maar ook en vooral daaruit, dat de Prins den Heer Perennot, die in de plaats van den Heer Van der Marck beroepen was, doch bedankte, om dat hy in het ſtuk van Gods­dienst van dezelfde ſentimenten was, om hem aantemoedigen door de Curatoren liet aanbieden, dat men hem, indien hy het Profeſſoraat wilde aanneemen, van [ 47 ] het onderteekenen der formulieren van eenigheid zonde verſchoonen. Het was dus enkel te doen om de goede Van der Mark weg te krygen.

De Baron Van der Capellen Heer van den Pol en Lid van de Ridderſchap en Edelen van de Provintie van Overyſſel, een Man, die in de Regeering is gegaan met een voorneemen om nooit eenigerlei Ampt of Commisſie te willen hebben, het gene hy zo wel na als voor zyne beſchryving meermaalen op verſcheiden plaatzen opentlyk verklaard en door zyn gedrag in ’t ſtuk van Regeering tot ſpyt van zyne vervolgers volkoomen beveſtigd heeft, de Heer Van der Pol zeg ik, begreep, dat, zou de weinige Vryheid, die ons onder het Stadhouderſchap nog is overgebleeven, niet geheel verlooren gaan, het hoog tyd was, om zig openlyker en rondborſtiger dan voorheen geſchied was, tegens de dagelyks toeneemende magt en onophoudelyke onderkruipingen van het Huis van Oranje te verzetten. Deszelfs kragt voor het grootſte gedeelte in de Landmagt beſtaande, verzettede de Baron zig ſteeds, zoo veel mogelyk, tegens alle vermeerderingen van dezelve: drong aan op het weeren van Vreemdelingen en op het regt dat alle Volken hebben, om zo als hy zig in tegenwoordigheid van onzen Prins in 1773 uitdrukte, in hun eigen Land, welks laſten zy alleen dragen, ook alleen geëmploieerd te worden.

Ter gelegenheid dat de Commisſien in Overyſſel we­derom moeſten vergeeven worden, bragt hy onzen Willem den Vden met eenen beleefden Brief, daar hy egter met geenerlei antwoord op verwaardigt werd, onder ’t oog, dat het Reglement op de Regeering vor­derde, dat ’er eene nominatie van eenige Perzoonen tot het vervullen dier Commisſien gemaakt wierd, zo als nog onlangs by het leven van de Prinſeſſe Gouver­nante was geſchied. Hy erinnerde onzen Willem, dat hy, zoo wel als alle de Regenten dat Reglement hadde bezworen, en wees op eene beſcheidene wyze de gevolgen aan, die het hebben moeſt, wanneer zulk eene Grondwet by aanhoudenheid wierd overtreeden. De Baron deed ’er als Lid van Staat eene ſchriftelyke Propoſitie van ter Vergadering van Overyſſel, maar de Heeren dier Provintie, zo als ze in de Landprovintien [ 48 ] byna altemaal zyn, afhangelingen van den Prins, weigerden die Propoſitie in overweeging te neemen, tot dat de Prins op het allerſtoutst, in veragting van het geen hy bezworen had, de Conmisſien zonder nominatien had vergeeven en zy Staaten alle die aanſtellingen — tegens het protest van den Baron aan — hadden goedgekeurd.

De Koning van Engeland met onzen Prins overlegd hebbende, hoe zy de Republiek best zouden inwikke­len in de haaken en oogen, waar in Engeland door het onderdrukken der Amerikaanen ſtond te geraaken, om daar door voortekomen, dat wy met die omſtandigheden ons voordeel deeden en onzen Koophandel zouden uitbreiden, zo ſpraken zy met malkanderen af, dat de Prins zelf in Perzoon (zoo als Hy even als een Engelſch Commisſionaris by een zeer dringenden Brief gedaan heeft) aan de Staaten van elke Provintie zou verzoeken, om de Schotſche Regimenten, die in on­zen dienſt zyn aan zynen lieven Neef en Bondgenoot te leenen. In alle Provintien ging dit vlot door, dog het was onze Overyſſelſche Baron, die het gevaar van zulk een ſtap doorzag, duidelyk aanwees, en dit liſtig verzoek, dat enkel ingerigt was om als deeze Schaap­jes eens over de brug zouden geweeſt zyn, ons even als in 1742 en vervolgens, dieper en dieper in te wik­kelen, ronduit afſloeg, zo als Amſterdam, eenige weeken laater, dog wat Politieker deed. De Baron behalven de gevolgen, die het leenen van deeze Troupes op de ruſt en welvaard van zyn Vaderland noodzakelyk moest hebben en de onbillykheid om Lieden, die ons nooit misdaan en eene regtvaardige zaak hadden, te helpen onderdrukken, bemerkte ook nog den verborgen toeleg van onzen Prins, om door dat middel eenige Regimenten meer in dienſt te krygen, vermits men in plaats van de Schotten anderen zouden hebben aangeworven, om ze vervolgens, op gelyke wyze als reeds was geſchied met de Troupes, die naar de West ge­zonden waren geweeſt, altemaal in dienst te houden, en de Baron deezen toeleg openlyk aan den dag bren­gende verklaarde zig oud Hollands dagelyks grooter tegenzin te krygen tegen alle vermeerderingen onzer Landmagt, zo lang met monſter der militaire Jurisdictie [ 49 ] op den Troon bleef. O! hoe gaarn zoude onze Willem den Baron toen reeds hebben onderdrukt! hoe weinig ſcheelde het, dat Hy en zyn getrouwe Bondgenoot de Koning van Engeland, door openlyk ſatisfactie te eisſchen, den door niemand onderſteunden Edelman het Land te benaauwd hadden gemaakt! maar de tyd ſcheen nog niet gebooren, om zig van hem te ontdoen.

Wolfenbuttel, deszelfs gezworen vyand, voorzag in ’t onverzettelyk karakter van dezen Vaderlander, dat hy zig vroeg of laat, zo als men het toen uitdrukte, wel eens beter zou vergalopperen, en de Prins verge­noegde zig, ditmaal, dat men tegens alle des Barons Proteſten aan zyn Advys wederom uit de Regiſters van ſtaat wierp, en op zyne luimen lag, om ter bekwamer gelegenheid, zyn perſoon zelven uit de vergadering te werpen. Zy verſchynt deze gelegenheid. De Baron indagtig, dat hy als Regent door eed en plicht verbon­den was het onregt te weeren, en de ingezetenen by hunne rechten en vryheden te bewaren, ſteld zig in de bres voor de met ſlaafſche en onverpligte dienſten onderdrukte Boeren van zyne Provintie. Hy toont aan dat die Droſtendienſten nooit gepermitteert zyn ge­weest. Dat zy voor driehonderdert jaren reeds verboden waren; dat zelfs onze tyran Filips ’er tegen ge­waakt heeft. Hy toont, dat de Staaten in 1631 de tractementen van de Droſten vermeerdert hebben, met een uitdruklyk bevel, dat zy generlei dienſten of voordeelen meer zouden genieten. Hy ſlaat voor dat men de dienſten eens en voor eeuwig moest vernietigen, en de tegenwoordige Droſten uit de kasſe der Provintie een douceur daar voor toeleggen, en myn Heer de Prins, die niet kan dulden dat men, gelyk de Baron, door het doen drukken en uitgeven van zyne Memorie, over de Droſtendienſten gedaan had, de Ingezetenen de ware gronden van Vryheid, en de rechten en belangen der Burgermaatſchappy leert kennen, laat hem een gebo­ren Regent door zyne Creaturen, die alle zeer wel be­kend zyn, en door zyne Hoogheid openlyk met gunst en, zoveel mogelyk, met bedieningen en commisſien, beloond zyn geworden, zonder eenige rechtspleging, uit de Vergadering zetten en tot heden, nu byna drie jaren, uit de vergadering houden! men heeft den Baron [ 50 ] kwanswys; even als de negenëntwintig Vroedſchappen en Burgemeeſter Roldanus te Campen wel niet finaal ontſlagen! neen: Hy blyft in naam Lid van Staat; heeft, zo als ik van goederhand geinformeert ben, toe­gang tot de papieren der Provintie; trekt nog zyne (naar my voorſtaat) hondert guldens als verſchreven Edelman; wordt in alle opzigten als verſchreven Edel­man aangemerkt; maar de Vergadering bytewonen, daar men zyne Stem en tegenſtand moede was, wordt hem by continuatie belet, en men weigert niet alleen een Regent, dien men by openbaar Placaat van den zevenëntwintigſten October 1778, door de heele Pro­vintie met naam en toenaam valſchelyk als een Leuge­naar en verleider des Volks ten toon geſteld heeft, re­paratie van eer, maar zelfs is de onbeſchaamdheid der Overysſelſche Ridderſchap, laatsteden Landdag, zover gegaan, van op des Barons herhaalde aanbieding, ja dringend verzoek, om toch de verſchillen inderminne te ſchikken, te antwoorden: dat zulks hunne eer en aanzien te na zoude gaan; dat zy het voor de nazaat niet zouden kunnen verantwoorden; dat de digniteit van de Staaten vorderde, dat men zig wegens den hoon en ſmaad, door den Heere van den Pol, hun aange­daan, door middelen van rechte, ſatisfactie bezorgde, en ſoortgelyke ſnorkeryen meer, die te zotter voorko­men als men bedenkt dat de Rechtbank, voor de Rid­derſchap niet alleen, nooit is geſloten geweest, maar dat de Heer van den Pol, reeds in Noverber 1779, getragt heeft zyne party door middelen van rechte tot het beginnen der bedreigde Procedure, of een eeuwig zwygen te noodzaken.

ô WILLEM de VYFDE! zyn niet uwe antwoorden op s’mans ſmeekſchriften, waarin Gy hem onverhoord ſchuldig verklaard; zyn niet alle de ſtukken gedrukt, die betrekkelyk zyn tot deze ſchandelyke zaak, en uwen ſnooden toeleg, om, even gelyk Gy en uwe Voorza­ten de geheele Ridderſchap van Zeeland reeds hebt weeten te vernietigen, en hare plaats en ſtem op de Staatenvergadering dier Provintie, onder den naam ſlechts van Eerſten Edele, alleen in te nemen en in te houden; — om, even gelyk Gy en uwe Voorzaten reeds de Steden onder Ulieder heerſchappy hebt doen [ 51 ] bukken, en de Magiſtraten van dezelven, in zo veele Provintien, naar Ulieder Souvereinen wil kunt afzetten en aanſtellen, om, zeg ik, insgelyks ook de nog niet regtſtreeks van U afhangende Ridderſchappen, daar een Maurits ſlechts eene enkele reize aan heeft durven tarnen, ja alle Regenten in ons Vaderland van U ge­heel afhangelyk te maken, en U van de zulken, die, ongenaakbaar voor uwe verlokkingen, zig tegen uwe overheerſching durven aankanten, door eene omgekogte meerderheid, die ’t nooit aan voorwendſels zal ont­breken, te kunnen ontdoen! Wie is ’er veilig in ons Land? Wie kan zyn plicht betragten, als eene aan U verſlaafde meerderheid de Leden der Hooge Regeering, die U mishagen, om dat zy aan hunnen Eed getrouw zyn, op uwen wenk, van ’t Kusſen kan en ſtrafloos mag ſchoppen? als Gy door uwe ſchepzels de onſchuldigſte Regenten buiten de beſcherming der wetten kunt ſtellen? als Gy, wanneer ’t U maar behaagd, iemand van zyne dierbaarſte, van zyne aangeborene rechten kunt laten beroven? o Willem de Vde! ik dage U uit voor God en onze Natie, U zelven op deze beſchuldigingen te verdedigen! Niet uwe werktuigen in Overysſel, die zonder U geen moeds genoeg tot zoo onge­hoord een ſtuk hadden, maar gy, gy alleen, die hen hebt gebruikt en onderſteund hebt, den Heer vander Capellen en in Hem alle Regenten beledigt, vervolgd, mis­handeld, in gevaar gebragt! — Ik weet wel, o Vorst! dat deze zaak, even als de Oorlog met Engeland, by de Natie heel anders opgevat zynde, dan gy verwagt had, U een weinig verlegen begint te maken, en dat gy den Baron, indien hy ’er zig op nieuw by U om addresſeerde, mogelyk in ſchyn eenige rechtspleging zoud vergunnen: doch ik hoope dat Hy uwe vyandigheid tegens hem, en uwen invloed in ons Land te wel zal kennen, dan dat Hy zig voor de tweede reize aan U zal wagen. Het voorbeeld van Barneveld, De Wit, Amſterdam &c. moet hem geleerd hebben, wat een Stadhouder kan, en wat men Hem ten gevalle doet. Hy kan dus geene reden hebben om naar eene proce­dure te verlangen, en het is onbegrypelyk hoe hy ’er zo meenigmaal op heeft durven aandringen, en zelfs den ſtap heeft gedaan om ’er de Staaten van Overysſel, [ 52 ] door eene Citatie ex lege diffamari, toe te dwingen!

Is ’er onder uwe Voorzaaten één geweest, die tegen zo veele en zo bittere klagten van zo veele Leden van Staat, van zo veele Gerichtshoven, de militaire juris­dictie zo ſtout, zo onbeſchaamd heeft durven doorzetten als gy? Gy hebt zelfs Willem den IIIde daarin overtroffen en durven klagen, dat die, in dit opzigt, de Voorrechten van het Stadhouderſchap verkort had!

Is niet uwe veragting voor de vryheid en veiligheid van eene Natie, die U en uw Huis groot gemaakt en ſteeds met een blind vertrouwen verëerd heeft, zo verre gegaan, van, in ’t jaar 1768, zelfs een Burger, een ordentelyk Koopman, door het Garniſoen en Krygsraad van Zutphen te laten ſtraffen? — Dat hy onſchuldig is mishandeld, is het geringſte van uwe misdaad: Maar dat gy in uw Brief, van den derden Mei 1768, aan de Staaten van Gelderland, wier Dienaar gy behoorde te zyn, na dat zy U verſcheide gerichtelyke bewyzen, tot deze zaak betreklyk, hadden overgezon­den, durfde ſchryven: Dat Gy de rapporten door uwe Officieren, in hunne qualiteit aan U gedaan, voor een voldoend bewys houd, en de in de Provoost gevangen zittende Burger, zonder Uwe ſpeciale Order, zekerlyk niet zoude hebben kunnen ontſlagen worden, even als of de Staaten geene orders meer zouden mogen geven aan de Troupes in hunne Provintien Garniſoen houdende: — En dat Gy, ik beeve voor de gevolgen! alleen op zulke rapporten eene militaire Sententie, die gy toch altyd na uw goedvinden of laat vellen of zelfs velt, zo als Gy in dit geval gedaan hebt, over een Burger hebt la­ten ten uitvoer brengen, hier door hebt Gy de heiligſte Rechten van onze Natie vertreden, en getoond dat niemand onzer tegen uwen gewapenden Arm eenige ſchuilplaats, in deze wooning der Oude Batavieren, meer is overgebleven! Verdedig U, Prins, zo gy kunt!

Hoe veele voorbeelden hebben wy niet onder uwe Regeering moeten zien van Burgers, die door militaire Officieren mishandeld zynde geen de minſte ſatisfactie by U hebben kunnen krygen, ſchoon de Magiſtraten hunner Steden ’er U op de ernſtigſte manier om verzogten, en U het gevaar aantoonden, dat de vryheid [ 53 ] en veiligheid der Ingezetenen liep, wanneer diergelyke feitelyke ondernemingen der militairen tegens Burgers niet wierden geweerd. Maar gy zoekt eene militaire Regeering over ons te oeffenen en onder ons intevoeren, en daarom ziet gy gaarne dat de militairen, die toch uwe ſlaven en werktuigen zyn, den baas over ons ſpeelen; daarom houd gy de militairen altyd de hand boven het hoofd, zo dat in plaats van als Broeders en Leden van hetzelfde Lighaam met hen te kunnen leven, en hun die agting te kunnen toedragen, die de edelheid van hun beroep, zo ’er geen misbruik van wordt ge­maakt, verdient, men tans moet ſchrikken wanneer men een blaauwen Rok ziet.

Is ’er eenig Artikel van eenige Grondwet, dat gy ongeſchonden hebt gelaten, als gy maar zaagt, dat men geen moeds genoeg had om ze te verdedigen! Is ’er byna eenig Ampt, welks begeving nog aan Staaten of Col­legien is overgelaten, dat gy van tyd tot tyd niet aan U trekt, of met uwe Schepſelen, waar onder veeltyds Vreemdelingen, vervult? Zyn zy, die nog iets te vergeven hebben niet genoodzaakt zulks in allerhaast en ſtilte te doen, uit vreeze voor uwe indiscrete recommandatien, die men niet durft weigeren?

Eerbiedigt gy de ſtemmen der Leden van Staat in artikels van bezwaar? Hoe veele Burgemeeſters hebt gy, ſedert uwe Regeering, in de Steden van Gelderland en elders, tegens Stads- en Landsprivilegien, inge­drongen, die of geene Burgers waren of de vereiſchte jaren niet hadden, of, die te jong waren, om den eed te doen, of die Ampten hadden, die hen van de Regeering uitſloten? Gy ſpot met alle privilegien. De privile­gien zyn U haatlyk, om dat Gy, alsze behoorlyk wier­den gehandhaaft, dan minder willekeurig zoudt kunnen handelen, om dat zy uw gezag paalen zetten.

Waarom laat gy in de Steden van Gelderland de Collegien der GEZWOREN GEMEENTE, die eenige ſteun vander Burgeren en onzer aller vryheid, vervallen, uitſterven, in minagting komen, van hun gezag beroven — waarom anders dan, om dat gy van niemand eenigen tegenſtand wilt dulden, maar alleen over ons wilt heerſchen? [ 54 ] Wie heeft U bevoegd gemaakt, om ongequalificeerden, die tot de Jagt niet geregtigt zyn, door uwe Actens, tot præjuditie van anderen, permisſie te ge­ven, om te mogen jagen, terwyl gy wederom anderen, die ’er toe bevoegd zyn, de jagt ontneemt, en door uwe tirannike en willekeurige Jagtreglementen (eene wetgevende magt, die gy U ook al hebt aangematigd) de inquiſitie wederom onder ons invoert; de oorzaak zyt van duizende valſche Eeden, en den Ingezeten des platten Lands op het onverdragelykst laat plagen?

Wordt niet op de VELUWE uw naam door den armen Landman gevloekt, daar hy des daags moede afgewerkt, in ſteê van rust te genieten, en door den ſlaap zyne uitgeputte kragten te herſtellen, des nachts, zyn koorn, even als in vyands tyd, moet bewaken te­gen de Harten, die uw Vader ook al van buitenſlands heeft laten inkomen, en aldaar onder Uwe beſcherming en enkel tot Uw vermaak (want gy alleen zyt het die een Hart moogt dooden) doch ten koſten van ’t zweet der arme Boeren, leven en vermenigvuldigen? Indien U het belang der Boeren, die allernuttigſte Leden der Burgermaatſchappy ter harte gong. Indien gy wist wat menſchenliefde is, zo zoudt gy de arme Boeren in Overysſel reeds voorlang, inzonderheid nadat zy ’er U op de demoedigſte wyze, by openlyke Requeſten, om ſmeekten, van de ſlaafſche en allesſins onwettige Dienſten, die de Droſten, uwe Creaturen, hun afperzen, hebben verloſt: ook zoudt gy voorlang den Heer Vander Capellen de gelegenheid benomen hebben, om in zyn Vertoog over de onwettigheid dier dienſten te klagen, dat ’er wel Oppasſers der Jagt, doch geene Vroedvrouwen, uit de Provinciale Kasſa, worden be­taald. Gy zoudt U alsdan niet verantwoordelyk geſteld hebben voor de levens van zo veele mishandelde Kraamvrouwen en Kinderen, die nu van uwe hand zul­len geëiſcht worden? Zeg niet, o Prins! dat zulks U niet aanging! Gy kunt, gy vermoogt alles; al wat ’er geſchied en niet geſchied, het koomt hier en hier namaals voor uwe rekening.

Wie wordt ’er met uw vertrouwen verëerd, dan alleen zulken, welken gy, of uw Achitophel, reeds als ſchurken kennen, of daar Gylieden hoop en verwagting [ 55 ] van hebt, dat zy het worden zullen? zyn niet verre de meeſten van uwe lievelingen de ſlechtſte, de zedeloosſte ſchepzels, hoereerders, echtbrekers, dobbelaars, zwelgers?

Wat ſoort van Lieden verkiest gy uit de Provintien om in de Staten Generaal, Raad van Staten, Admiraliteiten en andere Collegien te doen zitten? verkiest gy daar toe niet enkel de zulken, die overgegeven boos genoeg zyn, om hunne ſtemmen aan U te verkoopen, of te onkundig of te vreesachtig om zig tegen U te verzetten? Den eerlyken, den kundigen, den ſtouten Patriot, den man, die ſpreken durft en kan, beſchouwt gy als uw vyand, met afkeer, met ſchrik, met vrees. Dezulken dienen U niet. Dat zyn gevaarlyke Karels!

Waarom wordt, tot ſpyt van Burgers en Boeren, van allen die Hem in zyn karakter van Regent kennen, de Baron Vander Capellen, Heer van de Marſch, niet door U geëmploieert? Waarom draagt gy dezen Patriot ook al een kwaad hart toe, dan alleen om dat hy ſpreken kan en durft; om dat hy de boezemvriend is van den Heer Vander Capellen van den Pol; om dat Hy voor het onbepaalde Convooi was; om dat hy uwen toeleg om een Veldleger byeen te brengen, ten einde ons nog gemaklyker te overheeren en uwe Soldaten nog beter byderhand te hebben, heeft doen mislukken; om dat hy ſteeds op ’t verſterken der Vloot, en als een eerlyk Regent, op eene Alliantie met Frankryk en Ame­rika aandringt; om dat hy gewild heeft, dat men terſtond, op het eerſte aanbod, de gewapende Neutrali­teit zoude aannemen; om dat Hy adviſeert dat men ons ongelukkig Vaderland tegen der Britten aanvallen en verraderlyken invloed, hoorje wel Vorst, verraderlijken invloed! moest verdedigen; om dat hy het haatlyk en onverdraaglyk vindt, de Schotten, die tegenwoordig nog onder eed van Engeland ſtaan, niet alleen in dienst te houden, maar, zo als uw Vaderlandsgezind voor­ſtel was, nu nog — de nazaat zal ’t waarlyk niet kun­nen geloven — in ’t midden van eenen verraderlyken Oorlog met Engeland, te willen vermeerderen; om dat hy het recht van onze brave Vaderlanders, om in de militaire Charges van hun eigen Land geëmploieert te worden, heeft durven voorſtaan, en zyne billyke verontwaardiging [ 56 ] toonen, dat gy de beſte, de gewigtigſte Poſten aan vreemde Prinſen, Hertogen, Graven en an­dere Grooten toevoegd en de Inboorlingen voorbygaat. Dit zyn de misdaden van dezen Edelman. Hy is een gevaarlyke Karel, niet waar Vorst? Hoe gelukkig ware ’t voor U, dat de Zutphenſche Ridderſchap zo laag dagt als de Overysſelſche, dan kond gy U ook van dezen laſtigen tegenſtander ontdoen!

Is niet de wyze op welke het U eindelyk gelukt is, den braven, den belangeloozen Van Berckel, dien yverigen voorſtander van onzen Koophandel en welvaart van de Statenvergadering van Holland, te krygen, een blyk dat gy alles durft en alles kunt. In Amſterdam geene afhangelingen genoeg hebbende om dezen Man te kunnen onderbrengen, laat gy Hem, ſchoon ſlegts een Dienaar zynde, die de beveelen van zyne Meeſters moet ten uitvoer brengen, voor welke niet hy maar zyne Meeſters alleen verantwoordelyk zyn, door uw vriend Yorke, uit naam van uwen Neef, den Koning van Engeland, ſchoon men Hem niets misdaan had, ter ſtraffe eiſchen en in moeilykheden wikkelen; niet alleen dit; maar de Broeder van onzen patriotſchen en by elk beminden Penſionaris moest mede uwen haat gevoelen, en door U, ſchoon hy ’er de naaſte toe was, van ’t Burgemeesterſchap van Rotterdam worden uitgeſloten.

Hoe leeft gy met het Recht van Pardon? Is’er ooit onbeſchaamder en willekeuriger misbruik van gemaakt? In plaats van een hulpmiddel tegen de ſtrengheid der Wet voor den ongelukkigen misdadigen te zyn, zo is het in uwe hand eene toevlugt voor den boozen; voor den bedryver van enorme delicten geworden. O Wil­lem! waar zal men zig in ons Vaderland voor U ver­bergen, daar gy de magt hebt, om moordenaars ſtraffeloosheid te bezorgen!

Hoe hebt gy met de Armee geleeft? Hebt gy het lot van zesëndertig duizend menſchen, die om een ge­ring loon, om eenen miſerabelen Agtëntwintig, hun leven en vryheid overgeven, en ſlaaf in den allerëigenlykſten zin zyn, hebt gy het lot van die duizenden, toen de Overysſelſche Capellen, in 1773, het U voorſloeg, en de ſtad van Amſterdam ’er U vervolgens meer dan zeven tonnen gouds toe aanwees, door de minſte [ 57 ] vermeerdering van Soldy, wel eens willen verzagten? Zyt gy door uwe onverzettelyke hardnekkigheid om een grooter getal van Troupes te willen hebben, de oorzaak niet, dat de Armée (wier ſoldy nu maar voor een tyd verhoogd is) verſtoken is geworden van het aanhoudend genot eener zo aanmerkelyke ſomme? Hebt gy de Armée, door het wegzenden der oude Officieren, die de tractementen en Compagnien veelal hebben, en door derzelver plaats met jonge Lieden, zonder tractementen, te vervullen, niet t’onbruik voor den dienſt van ’t Land gemaakt? Aan wie hebben onze Troupes alle de plageryen, de kwellingen, dat onophoudelyk Exër­ceren, dat gedurig veranderen van Garniſoen, dat Manœuvreren, Soldaatje ſpeelen te danken, dan aan U alleen? Wat bedoelt gy daar mede? De krygsmagt van den Staat te disciplineren? o Neen Vorst! De krygs­magt van den Staat te doen vergeten, dat zy menſchen, dat zy Burgers zyn; haar van ’t overige der Natie geheel afteſcheiden, haar alle gevöel te ontne­men, en tot blinde werktuigen van uwen wil te maken.

Met wat goed oogmerk kan men de militaire disci­pline zo ver dryven, van de Krygslieden, Officieren en Gemeenen, zelfs in hunne particuliere zaken aan hunne hoofden te onderwerpen, zo dat elk in de Armée, die ſlechts een graad hooger is dan een ander, deze zyne meerderheid, door U onderſteund, kan en mag doen gelden, in zaken die den krygsdienst in ’t geheel niet raken? Ziet men niet zelfs Vrouwen naaf de Hoofdwagt brengen ! — Wat bedoelt gy daarmede, Vorst? Ik zal ’t U zeggen. Gy zyt de bron van alle magt, die in de Armée geoefend wordt. Zy vloeit alleen uit uwen ſchoot. Hoe meer de Armée ſlaaf is, hoe vryer hoe onafhangelyker gy zyt, hoe meer gy ’er U op kunt verlaten, wanneer gy eens nodig hebt haar zaken te bevelen, die zy U gewis zoude weigeren, zo zy nog vrye menſchen en Burgers waren. De tyd nadert mogelyk, dat gy ’er de proef van zult nemen. Nog eens Vorst! Onze Troupes waren ſteeds dapper toen zy uit Inlanders beſtonden, en gelukkig en vergenoegd waren. De vryheid is met de ſtrengſte krygstugt zeer beſtaanbaar. Maar de vrye Krygslieden van een vry Land, als Osſen, met ſtokken voor zig heen te dryven, en [ 58 ] hen, tot zelfs in hunne huishoudelyke zaken en gemeene ſamenleving, aan U te onderwerpen, is het toppunt van dwingelandy.

Hoe willekeurig handeld gy met de Avancementen in de Armée! hoe meenig braaf Man is door U, en werdt ’er dagelyks door U verongelykt, om plaats voor uwe gunſtelingen, voor uwe vreemdelingen, te maken! Schreeuwt het niet tegen den hemel, een vreemden Baron, die wegens Vrouwenroof gecasſeerd, en uit de Keizerlyke Landen gebannen is, tot Colonel by onze Cavallery te plaatzen, met expectance eener Compagnie, en op de Remonſtrantien van de notabelſte Re­genten daar tegen gedaan, in den heerſchzugtigſten trant te antwoorden: Dat zulks nu zo blyven moest, en gy ’er geen verandering in dagt te maken?

Hebt gy niet in ’t Regiment van Baden twee Vreem­delingen, den eenen een Pool, den anderen een baſtaard van den Markgraaf, als Kapiteins geplaatst, insgelyks met toezegging der eerſte Compagnie, tot ver­driet van waardige Officieren, waar van ’er reeds een, om dit geval, zyne demisſie heeft genomen.

Waarom hebt gy de Provintie van Holland met zo veel krygsvolk, en wel byna altemaal vreemde Regi­menten of door vreemdelingen gecommandeert, opge­propt? Waar toe dient dit? om de Engelſchen eene Landing te beletten! zotte klap! Ik zal het U zeggen Vorst! Gy en uwe Vrienden zogten, door middel van dezen Oorlog, een opſtand in ons Land te verwekken. Als deze opſtand tegen de Patriotſche party was uitge­vallen, daar men het eigenlyk op had toegelegd, en zo veel verwagting van had, dat men ’er in de Engelſche Nieuwspapieren van ſprak, als van iets dat niet misſen kon, ja zelfs in Amſterdam reeds werkelyk was geſchied, als dan zoudt gy die Troupes gebruikt heb­ben om dien opſtand te onderſteunen, de patriotſche party geheel te vermorzelen, en U, in die verwarring, wederom grooter gezag te doen opdragen: Maar nu dit anders is uitgevallen en het volk meer lust toont om zig tegen U te verzetten en herſtelling van zyne Grie­ven en bezwaren te eiſchen, nu is uw toeleg de mis­noegde Ingezetenen des noods, door middel van die Troupes en van uwe Afhangelingen, in de Regeering te [ 59 ] dwingen en in toom te houden. Zie daar, o Vorst! Uwe geheime oogmerken en de eenvoudige reden, waarom gy een Veldleger wilde hebben, en waarom gy al die Troupes nog in Holland, dat de magtigſte Provintie is, laat blyven.

Hebt gy, o Willem! niet door ons geheele Land uwe ſpions, aanbrengers en verklikkers, die zig in alle gezelſchappen weten intedringen, en ons van de aangenaamheden eener gulle openhartige ſamenleving beroven? Zyt gy’t niet, die onze geheele Natie daar door, vreesagtig, agterhoudend en geveinsd gemaakt, en haar rond, eenvoudig, oud hollands karakter en beſtaan bedorven hebt? Door wiens toedoen, o Vorst! zyn zelfs de briefwisſelingen niet meer heilig?

Hoe hebt gy U ſedert het uitbarſten van den Amerikaanſchen oorlog omtrent onze Kooplieden; omtrent onze Zeelieden; omtrent ons geheel Vaderland en deszelfs dierbaarſte belangen, gedragen? Steeds verknogt, verſlaaft, gehecht aan het Huis van Engeland, dat, ik herzegge het, om ons Vaderland en Koophandel te gewisſer te bederven, uw Huis reeds tweemaalen het Stadhouderſchap heeft bezorgt, en U eindelyk, om dat wy hun nog te veel in den weg waren, nog te veel voorſpoed hadden; nog niet genoeg hunne zyde koozen, geheel Souverein wil maken, hebt gy nooit toe­gelaten, dat men zig tegens de geweldenaryen en roveryen van deze uwe Vrienden en Bondgenooten verzettede. Gy wilde niet dat de Zee, daar duizenden van weerlooze Zeelieden; — daar meer ſchatten dan mogelyk de drie Landprovintien van Gelderland, Utregt en Overysſel, voor ’t gemeene Bondgenootſchap waardig zyn, op de trouw der Tractaten omzwervende dagelyks aan de roofzugt en wreedheid van uwe Engelſchen bloot ſtonden, beſchermd wierd. De klaagſtem der kooplieden, die voor zo veele duizenden, die voor het behoud van het geheele Vaderland ſpraken, baden, ſmeekten, werd by U veracht. Het bloed van uwe Landgenooten, door uwe Engelſchen op Zee mishan­deld, gepynigd, gefolterd, vermoord, riep te vergeefs om uwe wraak en byſtand. Uwe Engelſchen eiſchen, dat wy, hun ten gevalle, van een der voordeeligſte Vaarten zouden afzien, die ons in tyd van Oorlog en [ 60 ] dan alleen worden aangeboden, ons, wier Commercie in Vreedestyd gering is, en die by Neutraliteiten alleen moeten en kunnen leven; en gy laat, door uwe Landprovintien en andere Creaturen, alle Schepen, met ſcheepshout en materialen beladen, tegen het protest van Amſterdam en anderen, dog die niet magtig genoeg waren, om U te wederſtaan, buiten beſcherming ſtellen, onder voorwendſel dat de Republiek nog te zeer ongewapend was om hare rechten tegen Engeland te kunnen verdedigen! Maar Vorst! zo was het ’er mede gelegen. Onder voorwendſel dat wy niet genoeg ge­wapend waren, hield gy de onbepaalde Convooijen tegen; en op dat wy nooit in het geval zouden kunnen komen van onze Houtſchepen te kunnen beſchermen, liet gy onder ’s hands op allerlei manieren den aanbouw en uitruſting van Oorlogſchepen ſtremmen.

Om ten minſten eenigen ſchyn te geven, om U niet al te zeer blootteſtellen, en als ’t nodig mogt worden, U voor de Natie te kunnen ontſchuldigen, laat gy kwanswys beſluiten dat men eerst tweeëndertig, vervol­gens tweeënvyftig Schepen van Oorlog gereed zal maken. De Kooplieden, ſchoon het even, ja mogelyk meer onredelyk is hen hunne eigene beſcherming te la­ten bekoſtigen, dan de Landprovintien het onredelyk zouden kunnen vinden, wanneer men haar aan hare eigene kragten overliet; de Kooplieden brengen blymoedig de verzwaarde en Commercie drukkende laden daar toe op, zy betalen dus ter goedertrouw hunne beſcher­ming, maar hebben tot deze ure toe geene beſcherming genooten!

Is dit trouwloos of niet Prins? Zyt gy de waaragtige, de eenige oorzaak niet van alle de geleden ver­liezen, en dat zo veele braave kooplieden geruïneerd zyn? Zyt gy o Vorst! bygevolg in goede juſtitie niet verpligt tot ſchadeloosſtelling? Hoe zoudt gy U ver­dedigen kunnen, wanneer men U, wegens dit pligtverzuim, in Rechten mogt betrekken? Antwoord daarop o Neerlands Admiraal Generaal, en Beveiliger der Zee!

De Keizerin van Rusland bied ons een Verbond van onderlinge beſcherming aan; zend hare Schepen, om zig by de onzen te voegen. Wie anders dan gy alleen zyt de oorzaak dat wy niet terſtond, zo als had behooren [ 61 ] te geſchieden, in dat Verbond zyn getreden? Wie anders dan gy alleen hebt door dit draalen uwe Engel­ſchen tyd gegeven, om dat wel uitgedagt Verbond door hunne kuiperyen in rook te doen verdwynen, dat niet zoude gebeurd zyn, hadden wy van ſtonden aan onze Schepen by die der Keizerin gevoegd, toen deze, met dit oogmerk, voor Texel waren? Ontſchuldig U niet Prins, want de Brieven zyn bekend, zeer bekend, waarin Gy de Regenten het toetreden tot die Alliantie, tot het alleruiterſte toe hebt afgeraden. Doch ditmaal vreesden zy het Volk meer dan U. Uw eiſch was zigtbaar al te gevaarlyk. Groot is intusſchen de dienst dien gy door het verydelen van dit Bondgenootſchap, eener Gewapende Neutraliteit, uwe Engelſchen bewe­zen hebt, want het was met hunne heerſchappy over de Zee gedaan geweest, zo het zelve tot ſtand ware gekomen. Vertrouw ook op hunne dankbaarheid, waarſchynlyk houden zy hun woord, en wordt uwe Dochter, zo als York U beloofd heeft, met ter tyd Koningin van Engeland, en een hunner Prinſesſen wederom, als van ouds, aan uw Zoon onzen Erfprins gegeeven.

Maar verder: Kunt gy, o Neerlands Stadhouder! voor God betuigen, dat gy niet hebt gezogt ons eerst in eenen Oorlog met Frankryk en Amerika te ſleepen? dat gy, dit niet gelukkende, van den Oorlog, die ons de Engelſchen nu hebben aangedaan, niet lang vooraf hebt kennis gedragen? dat Gylieden dien Oorlog niet te ſamen hebt overlegd? dat gy niet gezogt hebt ons Land ongewapend ter Zee te houden, om gelegenheid te hebben, van de rampen, welke gy voorzaagt, dat ons, door uwe zorg, ongewapend gehouden Vaderland moesten treffen, op de onſchuldige, de volſtrekt onſchuldige Amſterdamſche Regenten; op den Penſionaris Van Berckel; op de beide Capellens; op de Requeſtreerende Kooplieden en andere eerlyke Mannen te kunnen ſchuiven, in hoope, dat de gemeene man dit wederom als voorheen in eenvoudigheid geloovende, terſtond een opſtand zoude maken, om U, ter redding van het Land, nog meer gezag, dat is de Souvereiniteit zelve te doen opdragen, en dezen Opſtand, des noods, door uwe Soldaten te doen onderſteunen? ontken het niet, [ 62 ] o Willem! het ontwerp, het gedrag uwer Voorzaten; Uw eigenhandige Brief aan de Staaten van Friesland, in dato vierëntwintigſten January 1779, waarin gy U over de allesſins billyke maatregelen van den Koning van Frankryk onzen natuurlyken Bondgenoot, tegen die Leden onzer Republiek, die door Uw toedoen zig openlyk de begunſtigers der Engelſchen zyne vyanden toonden, op zulk eene wyze hebt durven uitlaten, dat het te verwonderen is, dat Gy en uw Engelſche aan­hang, niet voor lang de wraak van dien Vorst hebt ondervonden; uwe hardnekkige verkleefdheid aan En­geland; uwe gemeenzame ommegang en corresponden­tie met Yorke, die gy tot het alleruiterst oogenblik hebt aangehouden en mogelyk nog niet geheel hebt afgeſneden; uwe onverzoenlyke haat tegen elk die met U niet Engelſchgezind wil zyn, verraden U! de bereidvaardigheid, de yver, het genoegen, waar mede gy U hebt laaten gebruiken, om de papieren, by den Amerikaanſchen Ambasſadeur Laurens gevonden, ſchoon die ſtrekten om Amſterdam en anderen daar in betrokken Patriotten in moeilykheid te brengen, aan Hun Hoog Mog: in perſoon, met byvoeging van bit­tere aanmerkingen, overtegeven, verraden U. Het blyde gelaat van uwe Hovelingen, by het vernemen der rampen onzes Vaderlands; het onnatuurlyk genoegen, dat gy, op de tyding van het gevegt met Parker van den vyfden Auguſtus, hebt durven betoonen: dat de Engelſchen (men verzekert dat het Uwe eigen woorden zyn) evenwel de Vlag niet geſtreeken hadden; de vreugde door uwe Gelderſche Freulen, die, wegens hare naauwe betrekking op uw perſoon, van uwe ge­heime denkenswyze niet geheel onkundig kan geacht worden, de vreugde, zegge ik, door deze Dame, die gy laag genoeg zyt, van ook al op de wyze der Vorſten, aan uwe jonge friſſche Egtgenoote voortetrekken, zo onvoorzigtig als openlyk betoond over het verlies van St. Euſtatius, met byvoeging, dat het zo moest gaan als men dat trotſche AMSTERDAM tot reden zoude brengen; het genoegen, waar mede men de faillisſementen der kooplieden aan uw Hof hoorde; de partydigheid die onze Republiek, op uw aandryven ſteeds tegen de Amerikanen, heeft moeten toonen, zelfs zo [ 63 ] dat het vervoeren van Buskruid naar onze eigen Colo­nien moest verboden en aan onze Westïndiſche Koop­vaarders voorgeſchreven worden, hoe veel zy ’er voor eigen gebruik van mogten medenemen, terwyl de duitſche Slaven, die Engeland gekogt had om tegen de Amerikanen te vegten, vry door ons Land kwamen en openlyk gemonſterd wierden, zelfs met asſiſtentie van ’t Garrniſoen van Nymegen; uwe hardnekkigheid om het lieve Vaderland eerder verlooren te laten gaan dan den Hertog van uw perſoon te verwyderen, ſchoon hy het voorwerp van den haat en het afgryzen dezer Natie is geworden, en even daar door, al was hy de eerlykſte Man der wereld, onbekwaam is om aan dezelve, als uw Raadsman, van eenigen dienst te kunnen zyn. Uwe infame directie omtrent onze Zeezaken; het ſtuk voor ſtuk uitzenden van meer dan twintig Oorlogſchepen, weinig tyds voor de U voorzeker toen reeds be­kende Oorlogsverklaring, op dat ze maar ſtuk voor ſtuk zouden genomen worden; het weigeren daarna van order om uitteloopen, toen eenige weinige van on­ze Oorlogſchepen het in de hand hadden, om het Convooi met Duitſche Recruten, die naar America moes­ten, opteligten, en daar door Engeland een zo allergevoeligſte neep te geven; het uitzenden van Zoutman en zyne Helden met zo gering een magt; het geven van geheime en mondelinge orders, daar zelfs een Lynden over moet klagen; honderd andere dingen van dien aart, te lang om te noemen, verraden U en uwe oogmerken o Prins!

Maar wat hebben wy bewyzen noodig daar de zaa­ken zelve ſpreeken. Gy kunt, gy vermoogt alles in onze Republiek; Gy kunt in verre de meeſte Provin­tien; Gy kunt in de Vergadering van de Staaten Generaal, in de Admiraliteiten, in den Raad van Staa­ten, altemaal meest uit uwe Creatuuren beſtaande, alle beſluiten doen neemen, die Gy wilt; Gy kunt elk, zoo het U maar behaagd, tot zyn pligt houden. Wat Gy kunt, hebben wy gezien en ondervonden: Gy had uwe Afhangelingen, uwe Landproviptien, en uwe Admiraliteiten voor lang eene Vloot kunnen doen, ik zegge, Vorst, doen ja DOEN in Zee brengen. Er zit immers byna niemand in die hooge Collegien, dan [ 64 ] die Gy ’er inbrengt, en van U alleen afhangen. Gy alleen zyt Staaten Generaal, Raad van Staaten, Admiraliteiten, Staaten der Provintien. Gy zyt alles te zamen, en wy eiſſchen daarom alles ook alleen van uwe hand. Durft men, kan men U niet tegenſpreeken als Gy iet wilt beſlooten hebben, dat nadeelig voor het Vaderland is, wie zou U dan hebben kunnen durven tegenſpreeken of tegenſtaan, indien Gy in ernſt gewilt had, dat men zig bytyds ter Zee wapende, de geweldenaryen der Engelſchen paalen zettede, de Commercie beſchermde, het Land deede bloeien of in Oor­log geraakende, gelyk wy nu zyn, ons door de voordeelige en zoo natuurlyke Bondgenootſchappen met de Vyanden van onzen Erfvyand, met het Huis van BOURBON en AMERICA ſterkten; wie zoude U in zulke Patriotſche poogingen hebben kunnen willen of durven wederſtreeven? Dat niets van dit alles is geſchied, dat wy tans in Oorlog zyn, en niet even zo wel de voordeelen der Neutraliteit en vrye Zeevaard mogen genieten als Rusland, Zweeden en Denemarken, dewelken, om dat zy gewapend en door hun eigen Vorſten niet verradan zyn, door uwe Engelſchen ont­zien worden, dat wy in ons eigen Land geblokkeerd en opgeſlooten liggen; dat de zulken onzer dappere Landgenooten, die zig in Zee bevinden, als weinige Leeuwen onder veele Jagers worden ter ſlagtbank gebragt; dat zoo veele goede en aanneemelyke voorſtellen om Schepen te wapenen reeds van de hand zyn gewezen, dat wy in deezen allergevaarlykſten toeſtand alnog, zonder Bondgenooten zyn; ja Vorst Willem ik herzegge het; dat wy ons met het magtige Frankryk en Amerika niet mogen verbinden, ſchoon dit de eenige weg is om tot een ſpoedige en eerlyke Vrede te gera­ken, en onzen Koophandel te doen herleeven; dat tans de Amerikaanſche Ambaſſadeur, even als die van het Parlament weleer geen gehoor kan krygen en ons Vaderland daardoor gevaar loopt van door Engeland geheel geruineerd te worden, en zo al niet den haat ten minſte de onverſchilligheid van Amerika zig op den hals te haalen, en door hetzelve met gelyke munt betaald te worden — het is alles uwe ſchuld! Gy wilt niet dat wy ons met Frankryk en Amerika verbinden! [ 65 ] Gy zyt het, die zulks belet en niemand anders. Dit alleen is voor een verſtandigen blyk en bewys genoeg dat gy het niet wel met ons voor hebt.

Nu de Oorlog niet naar uwen wenſch is uitgevallen, nu uwe Engelſchen en andere Vrienden en Zendelingen niet in ſtaat zyn geweest, door haare liſtige Schriften AANSPRAAKEN, aangeplakte Briefjens, enz. enz. de Regeering van Amſterdam verdagt, en met geweld veranderd te krygen: nu, ô Vorst! zoud Gy U wel gaarne willen ontſchuldigen, eene ſchandelyke Vrede met Engeland bewerken; ja mogelyk het wel eens wederom op eene andere boeg, een Oorlog met Frankryk, willen werpen; maar God, hoope ik, zal onze Natie doorzigt genoeg geven, om zig niet langer door U of de uwen te laaten beguigelen. Ik hoop en verwagt ook, dat onze Zeehelden te wel zullen weeten door Wien Zy op de ſlagtbank gebragt zyn, en zo het doenlyk is voorzeeker wederom zullen gebragt worden, dan dat zy zig met gouden Degens, Sabels met ceinturen, of een miſerabelen vrolyken dag zouden laaten bedotten. Gy alleen, ô Prins! en niemand anders zyt de oor­zaak, dat de dappere en kundige Zoutman met zo ge­ringe magt in Zee heeft moeten ſteeken, en dat zyn Eskader naar alle menſchelyke waarſchynlykheid in de handen der Engelſchen moest vallen. Dat zulks niet is geſchied; dat wy hebben opgehouden een voorwerp van beſpotting voor alle Volken te zyn; ja zelfs dat onze oude glorie begint te herleeven; dat de Vyanden ons zullen vreezen en de Neutraalen ons niet langer veragten; dat een Koning van Denemarken en eene Koningin van Portugal zullen zien, dat het gevaarlyk zoude zyn ons meer te tergen of laagheeden te doen; dat men wederom, als weleer, prys op een Bondge­nootſchap met onze Republiek zal beginnen te ſtel­len — niets van dit alles hebben wy, ô Willem! aan U of aan uwe goede directie, maar naast de Voor­zienigheid alleen aan de Helden van den vyfden Auguſtus te danken, die de Engelſche gevangenis, daar Gy ze even als Volbergen, Satink, Van Prooyen en anderen toe verweezen had, niet hebben kunnen ontgaan, noch aan hun Vaderland, aan hunne Medeburgeren, alle de bovengenoemde voordeelen bezorgen, [ 66 ] dan alleen door het te werkſtellen van eene bovennatuurlyke dapperheid en bedaardheid, gepaard met eene ongemeene kunde in Zeezaaken. ô Willem! geef de ſchuld niet aan de Voorzienigheid! Zy was ons geduurende deezen heelen Oorlog gunſtiger dan Gy ons zyt geweeſt! Zoud Gy, indien het U ernſt geweest ware, niet eenige weinige Oorlogſchepen meer met den Heere Zoutman hebben kunnen uitzenden? Zoud ge aan de Zeeuwſche Schepen (genomen dat de Maasſchepen al eens niet hadden kunnen uitkoomen, dat egter nader onderzoek verdiend) zoud ge aan de Zeeuwſche Schepen, toen niet zoo wel als nu, ſtellige orders heb­ben kunnen geeven? En lagen er in allen geval in Texel geene byna compleete Schepen genoeg om ’er, door het doen overgaan van het Volk, terſtond eenige compleeten van te maaken? Slegts een paar Schepen meer hadden het Eskader en Convooi van Parker in onze Havens gebragt! De ſtellige orders, die Gy nu, na dat Gy ziet, dat het geduld onzer Natie ten einde en het fortuin uwe Engelſchen begint tegen te loopen, en uw plan om U by deeze troubele gelegenheid Souverein te maaken, in rook begint te vervliegen; die ſtellige orders zelven, die Gy, ô Willem! nu wel kunt geeven aan de Rotterdamſche, Frieſche, Noordhollandſche en Zeeuwſche Schepen; die Zeeuwſche Sche­pe n, die de Staaten van Zeeland niet gaarne van hunne Reede zouden hebben zien gaan! diezelfde orders ſpreeken uw Vonnis! Zy geeven U eene ongeneeslyke ſnede door het aangezigt! Diezelfde orders had Gy eerder kunnen, en eerder moeten geeven. Dit niet gedaan te hebben zoude in een Vorst, die niets meer ten zynen laſte had, onvergeeflyk zyn! — Wat is het dan wel in U, ô Willem! wiens gedrag jegens het Vaderland reeds in zo veele opzigten onverantwoordelyk is, en wiens naauwe. ja, God beetert, maar al te naauwe betrekkingen op Engeland wy allen kennen?

Waarom moet juist een Engelſchman van afkomst, ja byna van Geboorte, te Amſterdam Equipagiemeeſter zyn? Verwekt het niet met reden agterdogt, dat Gy juist een Engelſchman kiest tot zo gewigtig een post, en ten ſpyt van de Amſterdamſche Regeering den toegang tot de Stad (want een Equipagiemeester de Sleutel van [ 67 ] den Boom aan dien kant onder zig heeft) aan een Vreemden vertrouwt? Dat Gy den geweezen Koetſier van Yorke, wiens naam hier ſteeds haatlyk moet en zal zyn, in uwen dienſt hebt genomen, komt met reden ook bedenkelyk voor: ten minſte toont Gy, ô Vorst! met zulke daaden, dat het U vry onverſchillig is den ſchyn des kwaads te vermyden.

Ligt Gy niet onophoudelyk als te loeren op de gele­genheden om de Magiſtraaten of Burgeryen zelfs de Sleutels hunner eigen Steden afhandig te maaken? Welke Stad, daar Garniſoen is, zit niet te zugten on­der de trotsheid en heerſchzugt uwer Commandanten?

Is het niet eene openlyke geweldenary de reeds zo zeer mishandelde ſouvereine Landſchap van Drenthe, onze Medezuſter en agtſte Provintie, tegen het onge­noegen van alle Ingezetenen aan, een Overyſſelſche Edelman den Baron Van Heiden, uw gunſteling, tot Drost op te dringen, ſchoon het ontegenzeggelyk, zo als gy zelf niet ontkend, ditmaal een Drentſch Ridder moest weezen?

Is het voor de Ingezetenen der kleine Gelderſche Steden te dulden, dat Gy in dezelven overal een of ander Jonker, die teffens Lid der Ridderſchap is, en daar zyne portie in de Commisſien dikwerf rykelyk krygt, als Burgemeeſter zend, en zulk eenen, zonder dat hy eens in de Stad woond of zig met Stads zaa­ken bemoeid, de voordeelen van de Regeering laat genieten, daar zyne andere Amptgenooten enkel den last van moeten dragen? — Is die despotieke Regeering van uwe Premiers in de Frieſche Steden niet van hetzelfde allooi? Denkt Gy, ô Vorst! dat de vryheidminnende Frieſen uwe Voorzaaten ooit zulk eene magt over het Quartier der Steden zouden gegeeven hebben, indien zy hadden kunnen voorzien, dat zy zo grof zoude zyn misbruikt geworden? De Frie­ſche Steden zyn inderdaad uwe Domeinen, uwe eigen­dom geworden, die gy door uwe Premiers, als door uwe Gouverneurs of Onderkoningen laat regeeren ! — Als men uw geheel gedrag met elkander vergelykt; als men ziet hoe Gy, op het voetſpoor uwer Voorzaaten, alles aan U trekt, zelfs zo, dat Gy de Staaten eener Provintie de gewoone militaire Eerbewyzingen door [ 68 ] uwe Creatuuren en Inſtrumenten laat beknibbelen, gelyk by uwe Sesſieneeming in Overyſſel geſchied is, terwyl Gy U zelven op uitdrukkelyke Order zelfs in de ſtemmende Steden het koninglyk Salut doet geeven en dagelyks ſoortgelyke nieuwigheden invoerd — is men dan wel liefdeloos, wanneer men U verdenkt, dat Gy naar hooger Gezag ſlaat? — dat het oude burgerlyke U niet langer kan voldoen? — dat Gy niet zult ruſten voor dat Gy ook een Kroone draagd — en Gy en uwe Nakomelingen dus niet langer aan Uiieder koninglyke Gemalinnen, zo als tans nog moet geſchieden, de hooger rang zult behoeven toetekennen.

Maar wat zal ik, ô Willem, van uw particulier ge­drag en levenswyze zeggen? Myn voorneemen was om U ten minſte in dit opzigt te ſpaaren: maar daar gy kunt goedvinden om U, door laage Geeſtlyken, als een Heilige; als een Man „die in zo naauw een Verbond met zynen God ſtaat” aan de eenvouwdige Ge­meente te laaten voorſtellen; als een Patriot, die met uwen Raadsman den Hertog zig nagt en dag tot heil van uwe Medeburgeren afſlooft en om alles nog weer te regt te brengen, nu kan ik niet zwygen. — Is niet uwe levenswys, tot verdriet van uwe verſtandige en deftige Prinſes, regt beeſtagtig? Ziet men U niet dagelyks dronken in het publiek verſchynen, zo dat Gy openlyk een voorwerp van ſpot en minagting word? Hoe zyn uwe Zomervermaaken op het Loo? — zot, kinderagtig, zomwylen erger! Hoe Gy den band des Huwelyks eerbiedigt is bekend: en dit, ô Nederlan­ders! is de Man, die in zo naauw een Verbond met zynen God ſtaat, en dit durft men van den Predikſtoel, in een onzer volkrykſte Steden, den Grooten en Alweetenden God voorhouden en als het ware herinneren! O Landgenooten! denkt tog, dat de Geeſtlyken bloote menſchen zyn van dezelfde aandoeningen; van hetzelfde vleeſch en bloed als het overige Menſchdom. Hun Ampt is aanzienlyk, en als hun gedrag aan deszelfs gewigt beantwoord, aller eere en agting waardig; maar, nog eens: menſchen zyn ze allen, en men vind onder hen zo wel Fortuinzoekers, als elders. De Prins kan aan hunne Perſoonen, aan hunne Kinderen, aan hunne Nabeſtaanden, ook gunſten bewyzen en kwyt worden. [ 69 ] Zyt dus op uwe hoede wanneer zy zig over de oorzaaken van s’Lands ongeval op den Predikſtoel uitlaaten. Gelooft niemand blindeling, maar onderzoekt of zy, die Ulieden dit of dat voorpraaten of voorpreeken, be­langeloos zyn; of zy ook beloond worden en gehuurd zyn om Ulieden te misleiden en de zaaken onzes Lands in een valſch ligt voorteſtellen. Dog denkt niet, dat ik de Geeſtlykheid in het algemeen in minagting by Ulieden wil brengen. Neen! Ik danke God, dat’er in onze dagen zo veel waare en verligte Liefhebbers hunnes Vaderlands onder hen zyn: maar ik wilde Ulie­den enkel waarſchouwen, dat zy even zo zwak zyn als alle andere menſchen, en dat Gylieden ze nergens minder in moet gelooven dan in Staatkundige zaaken. De Staatkunde is een heel aparte ſtudie, daar zy zel­den tyd en gelegenheid toe gehad hebben om zig op toeteleggen; ook moeſten zy die nooit op den Predik­ſtoel brengen, dewyl die alleen voor den Godsdienst is geſchikt. Dog ik hervatte den draad.

Uw voorſlag, ô Willem! van den 10. Maart 1779, om namentlyk vyftig à zeſtig Oorlogſchepen te Equipeeren, werd eene openlyke ſpotterny, zo dra Gy dien vaſtmaakte aan eene volſtrekt noodelooze en voor de Vryheid doodlyke vermeerdering van de Landtroupes tot niet minder dan zeſtig duizend Man. Ook vond zig Amſterdam daar door gedrongen, om ’t een en ’t ander te moeten weigeren en te adviſeeren, dat men zig by proviſie maar moest houden aan de in het laatst van het Jaar 1778 beſlooten en vaſtgeſtelde Equipagie van tweeëndartig Schepen; welk getal van Sche­pen, indien het op zyn tyd klaar en eerlyk door U, als Admiraal Generaal ter beteugeling van der Engelſchen overmoed was beſteed geweest, meer dan toerei­kende zoude geweest zyn, om ons buiten den Oorlog te houden. Hebben de Noordſche Mogendheden elk wel zo veel Schepen? en worden zy niet door de Engelſchen ontzien? De grootſte Vloot, die de Zee ooit bevaaren heeft, ſchoon geheel door Helden bemand, kan ons niet tegen de Engelſchen beveiligen, zo lang zy onzen Opperadmiraal te vriend hebben. Wat wy ook mogen doen, ’t kan ons op den duur niets baaten, het is alles vrugteloos! [ 70 ] Uwe voorſlagen ter vermeerdering der Zeemagt, daar Gy U nu zo ſterk op beroept en in de Couranten mede pronkt, zyn, ô Willem! nooit ter goeder trouw gedaan geweest. Al had men de Armée U ten gevalle nog zo vergroot, zo zouden wy even min als nu eene Vloot gehad hebben, om dat eene Vloot tegens Enge­land konde gebruikt worden, en dit in uwe kraam, in uwe ontwerpen niet te pas kwam.

Indien het in Zee brengen eener Vloot U ernſt ge­weest was, waarom zyn dan die tweeëndartig Schepen, waartoe in April 1779 reeds is gereſolveerd; waarom zyn die tweeënvyftig Schepen welke de Bondgenooten, in het voorig Jaar 1780 reeds beſlooten hadden, dat op dezen eerſten May 1781 klaar moeſten zyn, en dat wel boven de geenen, die men reeds in dienst had, waarom zyn die niet in Zee gekoomen? Wiens ſchuld is dit, ô Willem! dan de uwe alleen? Wat! is het niet bekend — Gy moedige Zeelieden, die graag dienst hebt willen neemen, om maar tegens den gemeenen Vyand aangevoerd te worden, en die men zo meenigmaal heeft afgewezen. Weet het — men wilde geen Vloot in Zee hebben; men maakte moedwillig geen voortgang.

Voor het laatst, ô Willem! en hier mede ſcheide ik van U af. Ik onderſtelle, het geen nogtans onwaar is. Ik telle, dat Amſterdam en de Leden der Hooge Re­geering, die het met die Stad eens zyn, in geenerlei vermeerdering van Landmagt tot hier toe hadden wil­len toeſtemmen, zo vraage ik U voor God en deeze Natie, of dit U en uwe Landprovintien en andere Afhangelingen dan bevoegd maakte, om van uwen kant ook de Wervingen ter Zee te ſtremmen, daar het in allen geval zigtbaar was, dat wy vooreerst gee­nen Oorlog te Lande, maar wel ter Zee te wagten hadden. Ik gaa verder; ik onderſtelle, dat wy eenen Oorlog zo wel te Lande als ter Zee te wagten hadden, en Amſterdam en haare Factie (zo gelieft gy ze tog te noemen) onredelyk genoeg waren van zig enkel ter Zee te willen wapenen, en te Lande volſtrekt niets te willen doen: Wat zouden dan de regels der voorzigtigheid, wat zoude uw eed, pligt en de liefde tot het Vaderland in zulk eene omſtandigheid van U vorderen? [ 71 ] de verſterking der Zeemagt van uwen kant ook te ſtremmen? Neen Vorst! Indien Gy het wel met het Land meende, zo zoud gy, indien het niet in uwe magt ſtond, voor de beveiliging ter Zee en te Lande beide na behooren te zorgen, ten minſten zo veel moeten doen, als in uw vermogen was, en, even als de braave De Wit in juist zulk eene omſtandigheid deed, ten minſten eene Vloot in Zee moeten brengen, en de verwaarloozing van het Leger ter verantwoor­ding laaten van hen, die ’er de oorzaak van waren. Dog het geval is niet zo.

Amſterdam heeft, U ten gevalle, meer dan eens geconſenteerd in eene maatige vermeerdering van Landmagt, die Gy ook maar voorgaaft te eiſſchen, dog Amſterdam begeerde tevens, dat dezelfde zorge en onkoſten voor de deerlyk vervallen Zeemagt wierd beſteed. Was dat onbillyk?

Nog eens: Waar toe zullen wy onze Landmagt gebruiken? Kunnen wy ooit zo veele Troupes betaalen en bovendien nog naar behooren voor de Vloot zorgen dat wy ’er onze Veſtingen mede kunnen bezet­ten en beſchermen, en dan nog een genoegzaam Veld­leger overhouden.

Men moest uitzinnig wezen om dit te ſtellen: de Finantien, het vermogen onzer Republiek laten dit niet toe. Wat dan te doen in onze omſtandigheid. Eenvoudig dit. Steeds in goede verſtandhouding en een naauw Bondgenootſchap leven met Frankryk, den magtigſten en goedwilligſten, en zo wy hem verbitte­ren, gelyk wy meer dan eens ondervonden hebben, den gedugſten onzer naburen: — ons Leger van zesendartig à veertig duizend man, wel betalen en in goede order houden, om ’er langs dien weg, zo dra het nodig is, door het aanwerven ſlechts van nieuwe manſchappen, een dubbeld getal van te kunnen maken. Wyders ons toeleggen, dat wy ſteeds eene goede Vloot hebben, om zo menigmaal andere Mogendheden in Oorlog zyn, dat zeer dikwils gebeurd, onze NEU­TRALITEIT en VRYE ZEEVAART tegen ELK kunnen handhaven, den Koophandel te kunnen beſcher­men, en door deszelfs bloei, de geheele Republiek te doen floreeren. Dit is de ware weg, maar dien Gy [ 72 ] ô Prins, en uwe Voorzaaten, nooit ingeſlagen zyt!

Ontſchuldigt U dus niet, uwe daaden zyn te be­kend, en de ſtrekking derzelven is te zigtbaar. Hy, die in eenig Land alles kan, alles vermag, alles doet, en doet doen naar zyn eigen wil, naar zyn eigen wel­behagen, naar zyn eigen goedvinden, is ook voor alles aanſprakelyk, moet alles verantwoorden, kan de ſchuld nooit op anderen ſchuiven. De Hertog heeft voldaan aan het oogmerk, waar toe hy door uw Vader ingeroe­pen en gehuurd was. Hy heeft ſteeds op de vermeer­dering van het Stadhouderlyk gezag (dat hy of de zynen toch nooit konden beërven) en dus voor U en uw Huis alleen gewerkt. Gy en uw Huis moeten zo bediend worden. Hy heeft dus ver de minſte ſchuld. Het geen hy de Natie misdaan heeft, heeft zy aan haar zelve te wyten. Nooit had zy zo onvoorzigtig, zo agteloos, zo ſlap moeten zyn van zo veel gezag zo lang in zulke handen te laaten. Doch Vorst Willem dit ontſchuldigt U niet, en gy zoudt den Hertog, uw trouwen Raadsman en geleider op den weg, die naar de ſouvereiniteit loopt, zeer trouwloos behandelen, indien gy Hem, in dezen zynen gevaarlyken toeſtand, niet met alle uwe magt en invloed, ja met het geheele leger van den Staat, dat is uw Leger onderſteunde. Want wie zou U of uw Huis ooit meer durven of kunnen dienen, indien gy niet in ſtaat bevonden wierd om uwe dienaren en werktuigen, tegens de aanvallen der Patriotten, te beveiligen, en hun ſtraffeloosheid te bezorgen. Wy zyn alleen daar door ongelukkig; onze Koophandel ſtaat alleen daar door ſtil; onze werklieden lyden alleen daar door honger en kommer dat wy geen Vloot hebben, en eene VLOOT had Gy moeten, en Gy, GY Willem de Vyfde! Gy alleen bytyds kunnen bezorgen

Ziet daar, waarde Landgenooten, een getrouw ver­ſlag van den toeſtand onzes Vaderlands, van vroege tyden af tot op den dag van heden. Ik hebbe Ulieden de oorzaaken van Neêrlands kwaalen naakt open­gelegd: Ik hebbe niets voor Ulieden verborgen, van ’t geen gy belang had te weten. Ik bebbe, zo veel de enge paalen deezes Briefs my toelieten, getragt, tot zelfs den gemeenen Man te verlichten; maar even [ 73 ] daar door zal ik de woede van den Prins en zyne Grooten die den gemeenen man niet al te wys willen gemaakt hebben, tegens dit myn Schrift, en zo ze my kenden of in hunne magt hadden, tegen myn Perſoon niet weinig doen ontbranden.

Zo Gylieden derhalven Placaaten of Publicatien ziet te voorſchyn komen, waarin deeze Brief word verklaard te zyn een vuiläartig, oproerig, ſchandelyk, eerrovend fameus Laſterſchrift, en een præmie beloofd aan die ’er de Schryver of Drukker van weet aan te wyzen, denkt dan, dat zulke Placaaten en præmien de gewoone toevlugt zyn van Lieden, die de magt in han­den, en de waarheid niet willen gezegd hebben; van Lieden, wier gedrag geen onderzoek kan lyden. Het is veel gemakkelyker een Schryver, die de waarheid aan den dag brengt, te mishandelen, dan te bewyzen dat hy logens voorplant. Herinnert U, hoe dat de Koning van Spanje onze Voorouders alle voor Rebel­len verklaarde; eene præmie zetten op het Hoofd van Prins Willem den Iſten; zyne en de Staatenverdediging, als fameuſe oproerige Laſterſchriften, door beuls handen liet verbranden. Herinnert Ulieden, hoe dat de Staaten van Overysſel, in onze dagen, nog geene drie jaren geleden, den Baron Van der Capellen, als een logenaar, bedrieger, verleider des volk, aan alle kerkdeuren der Provintie hebben laten aanplakken, ſchoon de geheele weereld ziet en weet, dat de Baron gelyk en de Staaten ongelyk hebben, en alle die fraaije namen niet op den Baron, maar op hun Edel Mogende toepasſelyk zyn. Laat Ulieden derhalven niet aan het wankelen brengen, wanneer gy den Prins of zyne Grooten de plegtigſte betuigingen van hunne onſchuld en van yver voor Ulieder welzyn zult hooren doen, of den Raad zult zien ſpannen, om my of dit Schrift in een kwaat gerugt by Ulieden te brengen: Gelooft geen Grooten, vooral geen Vorſten; het veinzen is hun eigen; dit word hun van der Jeugd aan geleerd; — maar doet Gylieden als die van Bereën en onder­zoekt of deeze dingen alzo zyn; en zo ja, ſlaat dan ſpoedig de hand aan werk, eer het te laat is. Er is geen tyd te verliezen. Wy zyn op den oever van den ondergang. De Heeren van Amſterdam, en de [ 74 ] andere Patriotten moeten onderſteund worden in hunne pogingen. Amſterdam heeft ons den weg aangewezen. Daar moet onderzoek gedaan worden naar de oorzaken van ’s Lands ongeval. Daar moet een algemeen Nationaal onderzoek worden gedaan naar elks gedrag, ſedert eenige jaaren gehouden; naar alle orders en contra orders, zo wel geheime als openlyke; naar alle maatregelen, die ’er genomen zyn, en die men hadde moeten en kunnen neemen, en nogtans verzuimd zyn; op dat blyke wie Verraders zyn; wie enkel uit-vreeze en zwakheid hebben gezondigd, en wie zig ſtandvaſtig, eerlyk, en cordaat hebben gedraagen, en dus Ulieder goedkeurig en vertrouwen verdienen. Daar moeten bekwamen en ſpoedige hulpmiddelen wer­den uitgedagt en te werk geſteld. De Prins moet niet langer aan zig zelven en nog minder aan zyne booze Engelsgezinde Raadslieden worden overgelaaten, maar een Raad van eenige eerlyke Lieden aan zyne Hoogheid worden toegevoegd. Die voorſtellen van Amſterdam zyn zeer goed en verdienen onzer aller dankbaarheid en erkentenis, maar zullen allen in rook verdwynen; de Prins zal ze alle vrugteloos maken, gelyk hy reeds gedaan heeft, ten zy de Natie zelve, ten zy het Volk van Nederland, ten zy Gylieden zelven, deze heilzame voorſtellen ten uitvoer brengt. De Prins, hebt Gylieden gezien, is volkomen meeſter in onze geheele Republiek. De Staaten van verre de meeſte Provintien; de Vergadering van Hun Hoog Mogenden in den Haag, van den Raad van Staaten, en van de Admi­raliteiten hangen volkomen van hem af. In Friesland alleen kan hy (om dat het Volk daar mede wat te zeggen heeft) gelyk ook in Amſterdam, om dat hy daar de Regering niet kiest, nog niet alles naar zyn zin krygen. Gylieden begrypt derhalven, dat alle onderzoek, dat ’er door die Grooten, dewelken Afhangelin­gen van den Prins zyn, zoude gedaan worden, juist zo ver zou gaan en even zo zou uitvallen als ’t den Heere Prins behaagd.

Gylieden begrypt ook, dat indien het ’er al toe kwam (daar de Prins nogtans in eeuw[i]gheid niet toe zal overgaan) dan de Staaten van elke Provintie eenige Heeren aanſtelden, om hem tot Raadsmannen toegevoegd [ 75 ] te worden, dat in zulk een geval de Prins wel zoude weten te zorgen, dat ’er niet dan jabroers wierden gekozen. Voorzeker zoude daar toe geene Burgemeeſters Temmink, Hooft of Rendorp, geen Penſionarisſen Van Berckel of Gyzelaar, geen der beide Barons Vander Capellen tot den Pol of March; geen der Frieſche Heeren, als Aylva, Eyſinga, Humalda, Beyma, Wielinga, Haren, of ſoortgelyke Patriotten benoemd worden.

Alles wat ’er tans ondernomen wordt, ter redding van ons waarlyk byna onherſtelbaar verloren Vaderland, is daarom vergeefsch, zo Gy lieden, o Volk van Nederland! langer werkelooze aanſchouwers blyft. Doet dan dit.

Verzamelt U lieden elk in uwe Steden en ten platten Lande in uwe Dorpen. Komt vreedzaam by een, en kiest, uit het midden van U lieden, een maatig getal brave, deugdame, vroome Mannen: kiest goede Pa­triotten, daar Gy lieden op vertrouwee kunt. Zendt deze Ulieder Gecommitteerde naar die Plaatſen, daar de Staaten van Ulieder onderſcheiden Provintie verga­deren, en beveelt hun, dat zy, zo dra mogelyk, by elkanderen komen, om uit naam en op het gezag dezer Natie, met en nevens de Staaten van elke Provintie, een naauwkeurig onderzoek te doen naar de redenen van de verregaande traagheid en ſlaphartigheid, waar mede de beſcherming het Land, tegens eenen gedugten en vooral actieven Vyand word behandeld. Beveeld hen verder, dat zy insgelyks met en nevens de Staaten der byzondere Provintien, eene Raad voor zyne Hoogheid kiezen, en hoe eer hoe beter alzulke middelen helpen beramen, en werkſtellig maken, als tot redding van ’t benaauwde Vaderland dienſtig zullen geoordeeld worden.

Laat uwe Gecommitteerden Ulieden van tyd tot tyd door middel der drukpers, in het publiek en openlyk, verſlag doen van hunne verrigtingen. Zorg voor de vryheid der drukpers, want zy is de eenige ſteun van Ulieder Nationale vryheid. Als men niet vry tot zy­ne Medeburgers kan ſpreken, nog hen by tyds waarſchouwen, dan valt het den Onderdrukkeren des Volks zeer gemakkelyk hunne rol te ſpelen; hierom is het dat [ 76 ] zy, wier gedrag geen onderzoek kan lyden, altyd zo tegen de vryheid van ſchryven en drukken yveren, en wel gaarne zouden zien, dat niets gedrukt of verkogt wierd zonder permisſie. Wapent U lieden allen, verkiest zelven dezulken, die U commandeeren moeten, en gaat, even als het Volk van Amerika, daar geen druppel bloeds geſtort is, voor dat de Engelſchen hen eerst zyn aangevallen, in alles met bedaardheid en beſcheidenheid te werk, en JEHOVA, de God der Vryheid, die de Israëliten uit den dienſthuize heeft geleid, en hen tot een vry Volk gemaakt, zal onze goede zake ongetwyffeld ook onderſteunen.

Ik ben,

VOLK VAN NEDERLAND!

WAARDE MEDEBURGERS!
U LIEDER getrouwe Medeburger.

            Ostende,
den 3 September 1781.